Pieter Hoexum

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Pieter Hoexum: ‘Als alles kan, dan heeft niets meer betekenis’

Wat maakt het leven de moeite waard? Filosoof en schrijver Pieter Hoexum (53) is een typische rijtjeshuisbewoner. Hij schreef er de Kleine filosofie van het rijtjeshuis over. Eenvormigheid is een kwestie van niet goed genoeg kijken, vindt hij.

Filosofie is een mooie studie, maar wat kun je er eigenlijk mee? Pieter Hoexum (53) kreeg toen hij studeerde ook ‘algemene vaardigheden’, naar hij zegt „om je enigszins voor te bereiden op dat de studie ook een keer ophoudt”. Dan kun je academisch filosoof worden, maar dat wilde hij niet. Dus hij was bijzonder aangenaam verrast toen hij op een dag een advertentie zag van de Athenaeum Boekhandel aan het Amsterdamse Spui, die om een filosoof vroegen. „Ik had nog nooit een advertentie gezien waarin een filosoof gevraagd werd.”

Dus hij werd boekhandelaar, want ja, als je hem zou vragen naar wat het leven de moeite waard maakt, dan zou hij zoiets zeggen als: „Boeken en lezen.” „Boeken”, zegt hij nog eens. Meer dan lezen? „Nou dat je met een boek in een hoek kunt gaan zitten en dan in je eentje ergens kunt zijn, dat is toch wel…” En meteen daarna begint hij over hoe fijn het is dat een boek een voorwerp is, voor hem geen e-books, en dat zijn eerste boek de kinderbijbel van Anne de Vries was. Ja, gereformeerde achtergrond, en hoeveel dat betekend heeft – daar komen we nog op terug.

Pieter Hoexum heeft meer dan eens geschreven over wonen en thuiszijn, en dat is eigenlijk de reden dat ik hem opzoek. Hij schreef Kleine filosofie van het rijtjeshuis (2014) en Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse (2019). Hij is zelf een typische rijtjeshuisbewoner schrijft hij keer op keer, en zijn nieuwe huis, waar hij nog maar zes weken woont tijdens ons gesprek, staat ook in een jarenzeventigbuurt met rijtjeshuizen. Ruime lichte huizen zijn het, met kleine tuintjes erbij, aan de rand van Leiden. Hij voelt zich thuis in die stijl van de jaren zeventig, zegt hij, de tijd waarin hij opgroeide. De huizen waren beter dan die uit de jaren tachtig, hij is toevallig net in de goede tijd opgegroeid.

Filosoof en boekhandelaar geweest, ook huisman en vader van twee dochters, nu dus schrijver. Dat durfde hij eerst niet van zichzelf te zeggen, het klonk zo pretentieus, maar sinds hij een beurs kreeg van het Letterenfonds voelt hij zich een goedgekeurde, nee, een ‘erkende’ schrijver. Hoe kwam hij eigenlijk op zijn onderwerp van wonen en rijtjeshuizen en thuiszijn?

„Ik was net voor de tiende keer verhuisd en zei tegen René Boomkens, destijds mijn mederedacteur van een filosofietijdschrift, dat het me opviel dat ik steeds in buitenwijken belandde, aan de rand van de stad. ‘Daar is net een boek over verschenen’, zei hij. Toen dacht ik: hé, je kunt dus gewoon schrijven over waar je woont!” Het boek in kwestie bestond uit sociologisch-historische verkenningen en het inspireerde Hoexum. Hij begon stukken te schrijven over de buitenwijk en het rijtjeshuis, onder meer in Trouw. Zo is het gekomen. Ook hier speelde het boek een grote rol.

Hij leest altijd met een potlood in de hand, zegt hij. „Het boek komt er niet ongeschonden uit.” Omdat hij een calvinist is. Omdat hij altijd op zoek is naar iets als hij leest. En omdat hij filosofie ging studeren om vage theorieën te ontrafelen, bijvoorbeeld de zogenaamd filosofische theorieën die hij hoorde op de kunstacademie, waar hij eerst op zat.

De omdraaiing is mijn favoriete vorm

Waar bent u naar op zoek als u een boek leest met een potlood in de hand?

„Ik ben meestal een ‘nuttigheidslezer’ en dan is het nut dat je lessen probeert te trekken uit het boek dat je leest. Ik denk dat die kinderbijbel van Anne de Vries wel een zaadje geplant heeft: zo hoor je blijkbaar te lezen. Precies. Streng. De Vries trok er echt lessen uit. Hij las het Oude Testament met de ogen van iemand die het Nieuwe Testament kent, hij ziet overal aankondigingen. Het Oude Testament is een verhaal van erfzonde en schuld en boete en dan gaat het in het Nieuwe Testament allemaal, misschien, goedkomen. Zeker is dat niet natuurlijk, je moet altijd maar afwachten of de genade je deelachtig zal worden.

„Het was achteraf gezien wel erg zware kost voor een eerste kennismaking met boeken en lezen. Later kwam die serie over de bijbel van Guus Kuijer, daar heb ik van gesmuld. Hè hè, dacht ik, eindelijk. Dat is een heel andere, verrukkelijk vrije manier om met de bijbel om te gaan.”

Niet meer streng. U klinkt ook niet zo streng in uw boeken.

„Toen ik boekhandelaar was, ben ik Montaigne gaan lezen. Die heeft me bekeerd tot het katholicisme, bij wijze van spreken. Hij heeft geen last van erfzonde en schuldbesef, hij is een levensgenieter, hij legt de nadruk op natuur en genot. En op essayeren in de zin van proberen, proeven. Hij begint ergens en halverwege denk je: maar je zou toch iets zeggen over…? Het is soms geouwehoer waar Gods zegen op rust, om met Gerard Reve te spreken. Het was een soort bevrijding.”

Foto’s Merlijn Doomernik

En toen begon u te essayeren over buitenwijken.

„Ik was mijn tuinhekje aan het schilderen en ik dacht: dat is toch wel het toppunt van truttigheid, een tuinhekje schilderen. Toen vond ik in de bibliotheek een heel boek over de geschiedenis van het tuinhek in Nederland. Dat bleek een fantastisch boek te zijn. Ik ontdekte dat er een soort dédain bestond tegenover dat soort onderwerpen en ik wilde laten zien dat het wél interessant is. Tuinhekjes, rijtjeshuizen, de stoep, de straat, concrete dingen waarvan iedereen denkt: daar hoeft niemand zich verder druk over te maken.

„Inhoudelijk en maatschappijkritisch en filosofisch – nou ja, ik vind het niet echt filosofisch, maar essayistisch – kun je daarmee aan de slag. Ik vraag me dan af: waarom hebben de mensen eigenlijk een tuinhekje. Ik vind het ook wel een beetje gênant zo’n hekje, maar aan de andere kant werkt het ontzettend goed.”

Hoe werkt een tuinhekje?

„Je denkt: dat is nu typisch weer die burgerlijke cultuur, alles wat vreemd is moet achter het hekje blijven, dit is van mij, daar mag niemand komen. Maar dat is niet waar. Het werkt omdat het doorzichtig is. Ik ontdekte toen ik rondliep: al die tuinhekjes stonden open. Het is ook heel onhandig om een dicht hekje te hebben. Heel veel mensen hadden niet eens meer iets dat dicht kon. Het hekje is meer een soort versiering, het is om het even leuk te maken voor de voorbijganger. Heel vriendelijk en heel stedelijk eigenlijk.”

Het hoort echt bij de voorkant van het huis hè?

„Ja. Achter heb je een schutting, daar wil je even op jezelf zijn. Daar wordt ook altijd veel over geklaagd, alsof dat asociaal is, maar het is eigenlijk gewoon prettig om even rustig in je achtertuin te kunnen zitten.”

Eenvormigheid is een kwestie van niet goed genoeg kijken

Maar het is geen erg leuk gezicht.

„Nee. Het is afschuwelijk. En daarom is dat tuinhekje zo leuk. Terwijl ik ook altijd een associatie met Rousseau heb, die zei dat alle ellende is begonnen met iemand die een hek plaatste en zei: ‘Dit is van mij.’ Daarvoor woonden we in het paradijs en was alles van iedereen. Maar dat is helemaal niet waar. Het is hartstikke leuk om een hekje te hebben eigenlijk.”

Dat doet u graag, dat soort dingen omdraaien?

„De omdraaiing is mijn favoriete vorm.”

Als iedereen zegt: ‘In zo’n buitenwijk zou ik niet kunnen wonen.’ Dan zegt u: ‘Iedereen kan er wonen.’

„Dat is eigenlijk de slotsom van het rijtjeshuisboek ja. Al is het dodelijk voor je status.”

Beschouwt u het als statusgevoeligheid als iemand zegt: ‘Ik zou hier niet kunnen wonen?’

„Ik ben wel geneigd om dat zo te zien ja.”

Niet dat iemand gewoon veel meer houdt van minder eenvormige architectuur?

„Eenvormigheid is een kwestie van niet goed genoeg kijken. Dan hoor ik ook zoiets als: alle Chinezen lijken op elkaar. Dan denk ik: ja, dat zeggen die Chinezen ook van ons, tenminste dat heb ik begrepen.”

Foto’s Merlijn Doomernik

Is dat een terechte vergelijking?

„Het is inderdaad bijna tegen het belerende aan om te zeggen: kijk eens beter. Je kijkt niet goed genoeg. Maar toch. Er is een mooie uitspraak van Wittgenstein, die daar heel iets anders mee bedoelde in de context, maar enfin: ‘Denk niet, maar kijk.’ Eigenlijk zou iedere filosoof dat op een tegeltje moeten hebben.”

Wat ziet u dan voor veelvormigheid in de buitenwijk?

„Je ziet toch dat iedereen er het beste van probeert te maken. En sommige mensen ook helemaal niet. Dat vind ik ook heel leuk, als er onkruid groeit. Er gebeurt van alles in buitenwijken. Die klacht van eenvormigheid begrijp ik wel, maar ik heb zelf toch meer het beeld van een letterbak, zo’n kast met allemaal hokjes die je in de jaren zeventig aan de muur hing. In het begin is het inderdaad een soort kantoorruimte met één klein hokje voor jou. Ik heb in Purmerend weleens meegemaakt dat ik in de verkeerde straat stond voor wat dus níét mijn huis was. Maar na verloop van tijd is het als een letterbak die gevuld is, in elk hokje zit iets anders. Iedereen gaat z’n eigen gang.”

Dat maakt de eenvormigheid van zo’n wijk niet minder.

„Maar het levert wel een interessante spanning op. Dat je zowel individualist kunt zijn als conformist. Je hebt nu nieuwbouwwijken in Almere waarin de grond gewoon is vrijgegeven, daar mag iedereen zelf iets gaan doen. Dan wordt het niks. Ik vind het interessant als er iets tussen zit wat wringt.”

Klooien en prutsen, dat is ook maakbaarheid

En hoe zit dat dan als u het hebt over thuiszijn? Dat is juist waar het niet meer wringt.

„Thuis is een onderwerp waar meer paradoxen in zitten dan je zou denken. Je kunt thuis helemaal aanwezig zijn, in de Heideggeriaanse zin van het woord: het Dasein, helemaal verkeren bij de dingen. En aan de andere kant is dat helemaal niet waar, je kunt juist afwezig zijn, je bent lekker verstrooid, je hoeft nergens op te letten omdat je helemaal de weg kent.

„Die tegenstrijdigheid interesseert me. Niet het thuis als een vorm van nostalgie, dat er een ‘oerthuis’ zou zijn waar we naartoe terug moeten. Het verlangen naar authenticiteit, de woorden ‘eigenlijk’ en ‘oorsprong’ en vooral in combinatie, daar word ik heel nerveus van.”

Heeft u geen last van nostalgie?

„Misschien van een soort jarenzeventignostalgie – ik geloof eigenlijk heel erg in maakbaarheid. Doe het zelf, dat is mijn idee van maakbaarheid. Dat mensen zelf aan de slag gaan met hun huis en hun tuintje, dat ze klooien en prutsen, dat is ook maakbaarheid.”

De kleine maakbaarheid.

„Ja, de grote maakbaarheid, daar moet ik nog eens over nadenken. De gedachte dat je ‘materiaal’ hebt en dat je daar alles van kunt maken. Dat is denk ik waar mensen allergisch voor zijn geworden, dat er een soort blauwdruk klaarligt. Maar dat is niet wat je je per definitie bij maakbaarheid hoeft voor te stellen.”

U heeft het eigenlijk steeds over kaders waarbinnen iets kan gebeuren.

„Zoals Voltaire schrijft in zijn filosofisch woordenboek: ‘Het paard slaat op hol, ín de renbaan.’ Er mag iets ontembaars zijn, maar binnen de baan. Anders wordt het betekenisloos, vind ik. Dat is een angst die ik van gelovige mensen heel goed begrijp, hoewel ik dat helemaal niet meer ben: als alles kan dan heeft niets meer betekenis. Dus er moeten kaders zijn, maar het moet aan de andere kant niet tam worden. Er moet een wildheid blijven. Dat zie je zelfs binnen de buitenwijken: een paard slaat daar toch op hol.”

Kunt u zich voorstellen dat je ergens lang zou zitten en je niet thuis zou gaan voelen?

„Het hechtingsmechanisme is heel sterk. Ik raakte eens in gesprek met Iraanse vluchtelingen, en die ergerden zich soms aan het verlangen van hun ouders naar thuis. Die vonden dat nostalgie, verlangen naar vroeger. Aan de andere kant: je bent verdreven, dat is een groot verschil. Zij zijn ergens terechtgekomen waar ze nooit voor hebben gekozen. Ik geloof niet dat je tegen iemand kunt zeggen: eigen je Nederland toe. Maar het is wel prachtig als het gebeurt. Dat Abdelkader Benali of Hafid Bouazza tegen mij zegt: ‘Kijk eens hoe mooi de Nederlandse taal is.’”

Dat is eigenlijk ook een manier van beter kijken.

„Ja.”

Is dat dan wat het leven voor u de moeite waard maakt? Goed uit je doppen kijken?

„Zonder meer. Denk niet maar kijk, dat zou het beste antwoord zijn denk ik. En dan de rijkdom die je ontdekt.”

Zodat je je thuis kunt voelen op een plek.

„Ja, zodat je je kunt hechten aan de plek waar je bent terechtgekomen – terwijl het ook een blijvende bron van verwondering is. En van genot trouwens. Want de calvinistische opdracht van onthechting heb ik ver achter mij gelaten.”

‘Hier op aarde is het niet.’

„Precies. Maar zoals gezegd, Montaigne heeft mij bekeerd tot het katholicisme en ik denk nu: hier op aarde is het wel. Nergens beter dan hier.”