Recensie

Recensie Theater

Vier parttimecowboys bespreken hun dagelijks leed tussen de hooibalen

‘Desperado’ is een voorstelling waarin niets gebeurt en niets hardop wordt uitgesproken. Met name Titus Boonstra en Ali Ben Horsting geven met subtiel spel lading aan de onnadrukkelijke dialoog.

Foto Bart Grietens

Ze „pikken het niet langer”, de vier parttimecowboys in de praatkomedie Desperado. Doordeweeks zitten ze vastgeroest in suffige kantoorbaantjes, maar in het weekend hijsen ze zich in westernoutfits en vormen ze een front tussen de hooibalen: rondom een bruinleren chesterfield bespreken ze hun onoverkomelijk dagelijks leed met bier, knakworsten en countrymuziek. De lulligheid druipt ervan af.

De jarennegentiglulligheid welteverstaan, want vijf kwartier lachen om semi-mislukte mannen die onderling afgeven op hun collega’s en (ex-)vrouwen, voelt inmiddels wat gedateerd aan. Dat kan kloppen: de tekst van Ton Kas en Willem de Wolf is van 1996 – ongetwijfeld was de kwetsbaarheid die eigenlijk achter dit soort lege mannenpraat schuilgaat destijds gewaagder.

Wat wel onverminderd overeind staat, is de dramatische spanning die Kas en De Wolf onder dat oeverloze gekabbel hebben gelegd. Het is makkelijk afgeven op de niksigheid van deze personages, van wie alle voornemens om het heft in eigen handen te nemen, overduidelijk loze kreten zijn. Maar gaandeweg blijkt dat praten hun enige houvast is, een overlevingsmechanisme om de realiteit het hoofd te bieden.

Lees ook: Schitterend spel in felrealistische ‘De nacht, de moeder van de dag’

Desperado speelt in een schuur in het buitengebied van Almere. Het is een voorstelling waarin niets gebeurt en niets wezenlijks hardop wordt uitgesproken: dat vraagt wat van de spelers. Met name Titus Boonstra en Ali Ben Horsting voorzien met subtiel spel de onnadrukkelijke dialoog van lading. Fahd Lahrzaoui en Iwan Walhain geven de talrijke grapjes die Kas en De Wolf in hun tekst hebben gestopt, soms te veel nadruk: daardoor lijken de personages zichzelf grappig te vinden, in plaats van dat ze grappig zijn ondanks zichzelf.

Regisseur Albert Lubbers kiest aanvankelijk voor grote onderlinge afstand, maar laat het viertal op een kluitje op de chesterfield eindigen: gesterkt door elkaar, nemen ze nog maar eens een slok bier: „Wat wij niet allemaal kunnen, man.”