Oerkreet van het opperste plezier

Cicero beschreef het belang van juichen al. beseft terdege waar hij het over had.

Na de winter van corona naderen met rasse schreden de roaring twenties. Als opmaat voor de ‘juichjaren’ wenkt de sportzomer. Tennis, Olympische Spelen en het EK voetbal en vooruit, mijn eigen obsessies, rugby en cricket. Het is tijd voor uitbundig vreugde uiten en geestdriftig applaudisseren, tijd voor iubilare.

Dit Laatlatijnse woord, waar ‘juichen’ uit is ontstaan, was waarschijnlijk klanknabootsend. Een vergelijkbaar klankelement, ‘ju’, is terug te vinden in het Griekse iúzein, vermeldt het etymologisch woordenboek, en later in het Duitse jauchzen dat ook jodelen kan betekenen. Maar jodelen wanneer Memphis Depay een vrije trap de bovenste hoek in krult? Je kunt ook te ver gaan met de herkomst van woorden.

Opvallend is het steeds terugkeren van de onomatopee in de geschiedenis van ‘juichen’. Het is duidelijk een woord met een primordiaal karakter, dat zijn betekenis direct ontleent aan een diep gevoelde emotie van vreugde. Dat impliceert dat je het woord niet kunt gebruiken, of dat je niet kunt meedoen aan de activiteit beschreven door het woord, als je die emotie niet zelf direct ervaart. Gejuich is een oerkreet van opperste plezier.

Voor Romeinse politici was iubilare van cruciaal belang. Cicero onderstreepte het belang van applaudisseren en juichen in een brief uit 59 v. Chr.: „Het gevoel van de mensen is het beste zichtbaar in het theater en bij de spektakels.” De staatsman stuurde agenten die zich moesten mengen onder het publiek om het gejuich te analyseren op het moment dat een bepaalde politicus binnenkwam.

Dat juichen politiek kan zijn, blijkt onverminderd. Toen de spelers van het Engelse elftal onlangs voor een wedstrijd tegen Oostenrijk op één knie gingen, klonk boegeroep vanuit een deel van het publiek. Bondscoach Gareth Southgate reageerde boos. „Dat voelde als kritiek jegens onze zwarte spelers.”

Maar boe roepen (Latijn: boare, ‘gieren’) zit er voorlopig niet in, want we willen vanaf nu vooral uit ons dak gaan. Die roaring twenties komen eraan, zeggen wetenschappers, net als na de Spaanse griep van 1918. Bovendien is het fenomeen van juichen na een collectief trauma van alle tijden, belichaamd door die schoenmaker die in 1348 opschreef: „Toen de pestilentie weggetrokken was, gaf iedereen zich over aan plezier.”

De Zuid-Afrikaanse rugbyers Mapimpi, Nkosi en Am na het winnen van de World Cup in 2019. Foto Franck Robichon/EPA

Hier vormt de sportzomer de aftrap van. Ja, ik ga mijn juichcape halen, ik ga Oranje bier drinken, ik ga iedere wedstrijd van het EK voetbal kijken. Maar mijn echte juichen bewaar ik voor de titanische rugbystrijd in juli tussen de Zuid-Afrikaanse Springbokke en de British & Irish Lions, na het WK de belangrijkste rugby-interlandserie.

Toen die Bokke in 2019 het WK in Japan wonnen, zat men in mijn huis aan het ontbijt. In minuut zesenzestig gebeurde het. Vleugelspeler Makazole Mapimpi chipte naar voren, middenvelder Lukhanyo Am volgde op, ving de bal via de stuiter, passte zonder te kijken naar links, waar Mapimpi stond die vervolgens onder de palen scoorde.

Stilte. Mijn mond hing open. Toen barstte in mij een vulkaan uit. De ontbijtgasten verslikten zich en keken wild om zich heen. Ik rende op en neer, schreeuwend: „Kampioen van de wereld!”

Juichen. Voor wanneer je blij bent.