Monus en het Olympisch Stadion

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Monus de man van de maan van A.D. Hildebrand (1907-1977) begon, in 1951 denk ik, als hoorspel op de zondagmiddag. Het was heel spannend, herinner ik me. Omdat Nederland van plan is de maan te bezetten vliegen professor Andree en zijn trouwe assistent Harm Peters naar de maan om vast een kijkje te nemen, in een straalvliegtuig, je kon zijn straalmotoren horen. Eenmaal op de maan wacht hen een verrassing, want de maan blijkt bewoond. Eerst zien ze een merkwaardig dier, een Wapatti zoals later zal blijken, en dan verschijnt er zowaar een man, met grote oren, een grote neus, een hoog voorhoofd en vriendelijke, eerlijke ogen.

‘Gij komen van aarde’, zegt hij. ‘Ik weten al. Gij komen waarvan?’ Harm zegt dat ze uit Nederland komen, waarop Monus, want die is het, vervolgt met: ‘Ja... ik hopen... u mij verstaan... ik Nederlandtaal wel wat kennen, maar veel niet.’ ‘Maar dat is een wonder!’ roept professor Andree, en dat was het, want Monus’ eerste woorden hadden maar net geklonken, of heel Nederland was in de ban van zijn maanspraak. Zondagmiddag om half zes werd het stil op straat.

Van de eerste hoorspelreeks kwam een boek, Monus de man van de maan, dat wij, hoewel we precies wisten hoe het zat, allemaal voor onze verjaardag vroegen. Er volgden nog drie delen, Monus’ avonturen op aarde (1952), Monus en de vliegende schotels (1953) en Monus op Mars (1954). Monus en de vliegende schotels is van de vier boeken het leukst en dat is te danken aan de wedstrijd Nederland-België die door onze helden wordt bijgewoond. Uiteraard is de wedstrijd uitverkocht. ‘Ze laten ons er niet in, Monus’, zegt Harm, maar Monus zegt: ‘Dat zij zallen wel moet doen, als zij zien ons niet.’ Nadat ze zich in een portiek met hun piepuit onzichtbaar hebben gemaakt, glippen ze het Olympisch Stadion binnen, waar ze plaatsnemen op de perstribune. Als Monus de wedstrijd een tijdje heeft bekeken zegt hij: ‘Harm...mij wel lijken ene leuk spel, de voetteballespel. En als ik vinden hele leuk, dan misschien ik gaan ook speel mee.’

Als het al een tijd 1-1 staat, ziet Monus zijn kans schoon en gaat hij, onzichtbaar, het veld op om Nederland aan ‘een mooie doelepunt’ te helpen. En dan gebeurt dit: ‘Kraak, de rustige, zelf-verzekerde doelman liet de bal stuiten en op dit ogenblik schoot Monus als een wervelwind op hem af, hij trapte de bal onder de handen van de doelman weg en die rolde netjes over de doellijn in het Nederlandse doel...’ Niemand begrijpt wat er is gebeurd, maar het is 2-1 voor de Belgen. Het komt allemaal goed uiteraard, maar Piet Kraak, Abe Lenstra, Bennaars, Biesbrouck en Clavan, en wij allemaal hebben nog jaren nagepraat over die ondoorgrondelijke wondergoal.

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.