Opinie

Laat het CDA zelf in de spiegel kijken

Hypocrisie De dubbele moraal van Sywert van Lienden is te belangrijk om het bij een persoonlijke afrekening te laten, meent .

Lees even mee: „Lange tijd hebben we gedacht dat we allemaal beter af zijn als we maximaal onze vrijheid en onze eigen belangen najagen. De laatste jaren zien we hoezeer dit heeft geleid tot een ieder-voor-zich samenleving met verscherpte tegenstellingen. Daardoor zijn we soms niet weerbaar tegen hufterigheid of tegen waarden die geen plaats hebben in de Nederlandse samenleving.”

Zalvende woorden, in het verkiezingsprogramma van het CDA van dit voorjaar. Heel andere taal dan „teringhond”. Opiniemaker Sywert van Lienden, die financieel profiteerde van de coronacrisis en tegelijk de maatschappelijke weldoener bleef uithangen, die het allemaal ‘om niet’ deed voor onze ‘zorghelden’, is medeopsteller van de tekst. Dat is pijnlijk voor het CDA, pijnlijker dan de partij vooralsnog wil toegeven.

Laat dit schandaal zich nog bezweren met een royement? Ik denk het niet. Zowel de omgang met de binnenskamers verketterde CDA-er Pieter Omtzigt als het klakkeloos omarmen van een figuur als Van Lienden laten zien hoe diep de rot in de partij zit. Maar net zoals de kwestie Omtzigt een bredere onvrede met de politiek blootlegt, zo raakt ook het schandaal rond Van Lienden aan grotere thema’s.

In deze affaire komen drie hedendaagse obsessies samen – dat is, denk ik, de reden dat die zoveel losmaakt en zich zolang voortsleept.

Ten eerste is er het groeiende ongemak met het opinieklimaat. Van Lienden verwierf bekendheid en invloed met het geven van meningen op televisie en op Twitter. Er zijn geen boeken, documentaires of langere beschouwingen. Ook beschikt hij niet over een specifieke expertise. Zijn faam lijkt het product van het mediatijdperk, gevoed door een permanente zichtbaarheid en de controverse die zijn opinies losmaken, vooral op Twitter.

Er is meer en meer onvrede over het nationale meningencircus, zeker in het onzekere jaar van een wereldwijde pandemie – waarom wordt een stellingname uit de losse pols op televisie belangrijker gevonden dan die van een expert?

In de persaankondiging van het CDA-verkiezingsprogramma wordt Van Lienden al in de aanhef naast Pieter Omtzigt genoemd als bekende naam – voor de rest van de CDA-prominenten die meeschreven, onder wie de voorzitter van het Wetenschappelijk Instituut van de partij, moet je zoeken in het persbericht. Dat tekent de verhoudingen in het mediatijdperk.

Maatschappelijk engagement

Ten tweede is er het ongemak met het maatschappelijk engagement van beroemdheden, de zichtbare of opzichtige eenling die het gezicht wordt van een goede zaak en voor elkaar krijgt waar anonieme, logge instanties jammerlijk bureaucratisch voortstrompelen. Van de gevestigde orde hoef je het niet te verwachten, waarom doen we het niet gewoon zelf?

Waar onrecht heerst, waar de boel niet van de grond komt, waar mensen tussen de wal en het schip dreigen te raken, doet een beetje bekendheid wonderen, vooral als er een camera bij is. Noem het het Robin Hood-syndroom. Het is in Nederland inmiddels een traditie, van Dirk Scheringa tot Maurice de Hond – en nog een rijtje namen. Altijd dringt zich wel iemand naar voren die zich als de laatste der rechtvaardigen presenteert, een mediamessias.

Ten derde: de obsessie met de verweesde samenleving. Daar gaat die passage in het CDA-verkiezingsprogramma over. Als we allemaal individualistisch zijn geworden, waar is dan de samenleving? Wat zijn we elkaar verplicht, waar is de publieke zaak gebleven? We zijn iets kwijtgeraakt, hoe krijgen we het terug? Op links wordt het verlies van solidariteit betreurd, de verwoestende invloed van het neoliberalisme, de groeiende ongelijkheid; conservatief rechts zoekt sinds jaar en dag naar een herstel van gedeelde eigenheid.

Lees ook: De vrienden van Sywert wilden niet geloven dat hij miljoenen verdiende met zijn mondkapjes

De geknipte mediaexponent

Van Lienden bleek de geknipte mediaexponent van deze drie obsessies. Hij liet voor het eerst van zich horen als piepjonge voorzitter van het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) en kwam zo’n tien jaar geleden met het burgerinitiatief G500, dat politieke vernieuwing van binnenuit nastreefde – ik was daar enthousiast over, omdat het mij de doorbraak van een nieuwe generatie in de politiek leek. Dat bleek vrijwel meteen een deceptie; de ‘beweging’ zakte even snel weg als ze was opgekomen en Van Lienden leek er vooral een netwerk aan over te houden. In de jaren daarna ontpopte hij zich tot meningenmachine, eigende zich vervolgens het gefrustreerde gemeenschapsdenken toe en wierp zich ten tijde van een ongekende nationale crisis op als redder in tijden van nood, de pragmatische BN’er die in een tijd van nationale crisis soelaas zou bieden.

Verbazingwekkend is, achteraf bezien, hoe gemakkelijk hij zich een plek in het centrum van de bestuurlijke macht eigen kon maken. Die gewaarwording heeft, naarmate deze affaire zich voortsleept, in commentaren tot ongemak geleid. Het zou niet langer om de persoon Van Lienden moeten gaan, daar is nu wel genoeg massaal op ingehakt, nu zou het moeten gaan over ‘het systeem’ dat een dergelijk fenomeen mogelijk maakt. Immers: in het mediatijdperk eindigt iedere publieke afrekening, juist vanwege de overkill en de heftigheid, niet met een bang, maar met een whimper. Op algemene morele verontwaardiging volgt onherroepelijk balorigheid, melige grapjes, matige memes. Daarna is het wachten op de volgende ontzetting.

Maar het ‘systeem’ richt zich steeds meer op zichtbare personen en persoonlijkheden, daar zit het probleem juist. Zoveel van Van Liendens ‘succes’ hangt samen met zijn persoonlijkheid, zijn media-aura, niet met zijn maatschappelijke functie. Waarom kan louter bekendheid zo veel invloed krijgen?

CDA heeft ieder-voor-zich mentaliteit economisch lang aangemoedigd

In plaats van een ‘systeem’ lijkt me eerder sprake van een cultuur, een mentaliteit. Dat Van Lienden zich zowel in de media, in de politiek als in bestuurlijk Nederland zo op de voorgrond kon treden, heeft te maken met de aard van de obsessies die ik hierboven noemde. Alle drie obsessies (het oververhitte, theatrale opinieklimaat, de behoefte aan directe maatschappelijke invloed en daadkracht over de hoofden van geminachte instituten heen en het nostalgische verlangen naar herstelde ‘eenheid’ van de samenleving) brengen turbulentie, frustratie en onzekerheid met zich mee.

Dat schept ruimte voor windhandel.

Lees ook: Niemand wil op Mark Rutte lijken

Beroemd zijn is niet genoeg

Wie in het mediatijdperk gezien wil worden, en wie wil er niet gezien worden, komt ergens voor op, spreekt zich uit voor of tegen iets, maakt zich sterk voor, oordeelt en veroordeelt, altijd in naam van de samenleving, de gemeenschap, de publieke zaak. Van de anonieme twitteraar en de dagelijkse talkshowgast tot de massaal gevolgde influencer – mooi of beroemd zijn alleen is niet genoeg, of gewoon zijn, om zichtbaar te worden moet je verbondenheid met maatschappelijke onderwerpen etaleren.

Wat je vindt is steeds meer wat je bent. Juist omdat de behoefte aan zichtbaarheid zo groot is, is de verleiding groot om posities in het debat in te nemen louter om gezien te worden. Roep iets tegendraads, iets uitzinnigs, roep hard B wanneer iedereen A zegt, wees contrair en je bent het gesprek van de dag – voor één dag. De opinie is dan niet langer bedoeld om argumenten in een debat in te brengen, maar vooral ik-gericht, een opinieselfie.

Ook in de celebrity-engagement is er altijd die tergende ambivalentie – is Angelina Jolie er voor de vluchtelingen, schreef ik een keer, of zijn de vluchtelingen er voor Angelina Jolie? Traditionele organisaties en instituties gelden als bureaucratisch en gezichtsloos, saai en onpraktisch. Een goede zaak vraagt om een bekende naam. Omgekeerd heeft een bekende naam een goede zaak nodig.

Dat wordt snel verdacht. Past je persoonlijk gedrag wel bij het ideaal dat je uitdraagt, ben je wel consequent? Doe je het voor de zaak of vooral om jezelf goed te voelen? Of platter, doe je het om goed geld te verdienen aan je breed uitgemeten idealisme?

We kennen de schandaaltjes van goede doelen die schokkend karig bedeeld werden uit de opbrengsten die burgers hadden afgestaan in de overtuiging dat ze de wereld een beetje beter zouden maken, we hebben de berichten gelezen over bevlogen directeuren van idealistische organisaties die zichzelf royaal laten belonen. Ergens eind vorige eeuw ontdekten we dat de kapitalistische ondernemingsgeest zich het beste kan hullen in de mantel van het maatschappelijke idealisme. Wat goed is voor de samenleving kon ineens heel goed samengaan met wat goed is voor jezelf – of je aandeelhouders. In die gespleten visie kan je als beginnend win-win kapitalist de samenleving risicoloos 30 miljoen aftroggelen en tegelijk de maatschappelijke held uithangen, alsof het nergens wringt. IJdel vertoon voor de camera’s, niets ontziend eigenbelang in de coulissen.

Morele hypocrisie

Ook de obsessie met hernieuwd gemeenschapsgevoel is doortrokken van eenzelfde morele hypocrisie. Vooral het CDA, de partij van Van Lienden, heeft er het patent op: ongegeneerd neoliberaal afbraakbeleid gepaard met eindeloze preken over hoe we weer voor elkaar moeten leren zorgen, hoe we ons eigenbelang weer ondergeschikt moeten maken aan het gemeenschappelijk belang.

Die gespletenheid kreeg vleugels tijdens Rutte-I, toen het CDA snoeiharde bezuinigingen probeerde te verkopen met een beroep op herwonnen nabuurschap – juist als de overheid zich overal zou terugtrekken, zouden de burgers weer verantwoordelijkheid voor elkaar gaan nemen. Die gespletenheid lijkt onder de nieuwe politiek leider Wopke Hoekstra eerder groter dan kleiner te worden. In de aanloop van de verkiezingen stelde hij ongeveer tegelijkertijd voor de salarissen van de commissarissen van staatsbedrijven flink te verhogen en de duur van de WW-uitkering drastisch te verkorten.

Voor het uitblijven van nieuwe gemeenschapszin heeft het CDA sinds Maxime Verhagen een zondebok gevonden: de eeuwig onaangepaste ‘nieuwkomer’. Ook in de passage uit het verkiezingsprogramma dat ik hierboven citeerde, gaat het al snel weer over ‘achterblijvende integratie’. En daaronder, vet gedrukt: „Vind jij ook dat Nederlandse waarden beschermd moeten worden? Stem CDA.” Ook in zijn H.J.Schoo lezing uit 2019, Het land van morgen: naar een nieuw maatschappelijk evenwicht, dook weer een moslim op die de vrouwelijke dokter geen hand wilde geven.

Morele aflaat

Wijzen naar die ondankbare handenweigeraar is een morele aflaat geworden. Waar het aan sociale saamhorigheid ontbreekt, vormt onze ‘bedreigde identiteit’ al twee decennia een ideale bliksemafleider. Dat het CDA decennialang de door de partij betreurde ieder-voor-zich mentaliteit economisch heeft aangemoedigd en tegelijk de samenleving heeft beleerd met aanzeggingen over het verlies van gedeelde normen en waarden, kan daardoor geriefelijk uit zicht blijven. Het is diezelfde gespletenheid die het gedrag van Van Lienden kenmerkt, de opiniemaker die de sociale verwording van Nederland betreurt en zich intussen achter de schermen tijdens een nationale crisis verrijkt met gemeenschapsgeld. „Onuitlegbaar” noemde Van Lienden die gespleten moraal zelf tijdens zijn optreden in Buitenhof op 6 juni – misschien kan Wopke Hoekstra het hem uitleggen.

Steeds weer draait het om het ‘ik’ dat zich opzichtig met de samenleving bemoeit, maar uiteindelijk vooral zichzelf bedient. Sinds er moraal is, is er hypocrisie – maar iedere tijd kent zijn eigen, specifieke vormen van hypocrisie. Onze hypocrisie is die van de morele pose. Je belijdt de publieke zaak, je dient je persoonlijke belang.

In het mediatijdperk kan je opinie een pose zijn, je maatschappelijke betrokkenheid een pose zijn, je breed verkondigde hang naar gedeelde waarden een pose zijn. Dat gevaar van onoprechtheid, van het lege gebaar, de nietszeggende belofte, veroorzaakt veel meer onrust en woede, denk ik, dan de huidige politieke mantra over macht en tegenmacht.

Het gaat om authenticiteit.

Leugenaars en bedriegers, valsemunters van de moraal, spiegelen altijd hun tijd en hun omgeving, ze spelen instinctief in op onze zwakke plekken. Anders zouden ze nooit succesvol kunnen zijn. Het is ook lastig: wanneer ben je authentiek, wanneer een morele poseur? Hoe gemakkelijk kun je je eigen betrokkenheid en overtuigingen gaan acteren?

Wie, zoals ik, gelooft in het belang van opinievorming en stevig publiek debat, gelooft in de noodzaak van initiatieven die maatschappelijke betrokkenheid organiseren en ook gelooft in het zoeken naar wat een samenleving samenhang geeft, voelt zich door de dubbele morele boekhouding van Van Lienden ontdaan. Meer nog dan om die miljoenenwinst gaat het om gespeelde authenticiteit, die een pose bleek.

De vragen die deze affaire oproepen zijn te belangrijk om het bij een persoonlijke afrekening te laten. Beter dan Sywert van Lienden royeren, kan het CDA er een spiegel bijpakken. Tot dusver heeft Wopke Hoekstra stug geweigerd commentaar op de affaire te geven. Hij zal wel moeten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.