Recensie

Recensie Beeldende kunst

Hoe duur is de coltan?

Museum De Pont wijdt een thematische collectiepresentatie aan de sporen die een koloniaal verleden nalaat in ‘schuldige’ landschappen. Het roept de vraag op of engagement en vervreemding wel samengaan.

Willie Doherty, Remains, 2013 (videostill)
Willie Doherty, Remains, 2013 (videostill) 1-kanaals HD videoinstallatie met Dolby audio; 15 min. collectie/collection De Pont museum

Een groengeverfde muur met een dichtgemetselde deur, een steile rotsige kust. De verstilde foto’s van de Ierse kunstenaar Willie Doherty (Derry, 1959) tonen geen letterlijk sporen van geweld, maar doen een appèl aan de verbeeldingskracht van de beschouwer. Doherty is een van de kunstenaars van wie werk wordt getoond in de tetoonstelling Without Trace.

Without Trace is een presentatie van fotografische en videowerken uit de collectie van De Pont rond het thema van het ‘schuldig landschap’: landschappen die een geschiedenis kennen van oorlog en geweld, een geschiedenis waarvan de herinnering wellicht in het landschap ligt opgeslagen maar die niet altijd direct zichtbaar is.

De titel is ontleend aan een fotowerk uit 2013 van Doherty. Hij groeide op tijdens de bloedige onafhankelijkdsstrijd in Noord-Ierland en beschouwt zijn werk als een ‘act of remembrance’. De fotoserie Loose Ends (2016), waarvan twee grote foto’s (111 x 165 cm) op de tentoonstelling zijn te zien, gaat over de Paasopstand van 1916, toen Ierse Republikeinen in opstand kwamen tegen de Britse overheerser.

Zaaloverzicht Without Trace, 2021 Foto Peter Cox

De werken op de tentoonstelling zijn weids in hun landschappelijkheid en ogen als droombeelden. Ze zijn dubbelzinnig, want het onderwerp is een koloniaal verleden maar dit onderwerp wordt alleen op een indirecte manier aangestipt. Het gevolg is dat de gewelddadigheid naar een ander plan wordt getild, een ‘hoger’ plan van esthetiek en sublieme schoonheid, ‘subliem’ in de zin van overweldigend en vreeswekkend. De grote formaten werken theatraliteit en een esthetische beleving nog in de hand, soms op een manier die doet denken aan 19e eeuwse monumentale landschapsschilderkunst.

Bevroren meren

Catherine Opie (Ohio, 1961) kreeg bekendheid met fotoseries over lesbische en lhbtq+ gemeenschappen en hun manier van leven. De serie Icehouses (2001) wijkt daar van af en toont de houten hutjes die vissers iedere winter opbouwen op de enorme ijsvlakten van bevroren meren in Minnesota. De hutjes staan in een felgekleurde rij aan de horizon, midden in een lege witte wereld. Armoede, uitbuiting en de ontberingen van het dagelijks leven zijn ondergeschikt gemaakt aan de formele esthetisering van het beeld.

Met zijn Nootka Sound Series (1996) documenteerde Stan Douglas (Vancouver, 1960) de gevolgen van massale houtkap ten behoeve van de papier-industrie aan de Canadese westkust. De laatste papiermolen sloot in 2001 de deuren en dorpen en stadjes liepen leeg. Tahsis is zo’n spookstadje, dat zich nu probeert te profileren als bestemming voor ecotoerisme en als historisch territorium van de Mowachaht/Muchalaht First Nations, die hier gedurende meer dan 2000 jaar hebben gewoond, tot aan de bezetting door Britse en Spaanse kolonisten in de 18e eeuw. De foto’s tonen een majesteuze natuur met heuvels, reusachtige kaarsrechte bomen en daar tussenin gapende wonden en bodemerosie door industriële houtkap.

De dubbelzinnigheid van de werken op de tentoonstelling, van enerzijds stilte, leegte en schoonheid en anderzijds de thematiek van geweld en koloniale onderdrukking, werkt vervreemdend. Het is de vraag of het een goed idee is om deze fotografische ‘tableaux’, die zich aan een eenduidige inhoud onttrekken, onder een dergelijke specifieke noemer te presenteren.

Lees ook: Steve McQueen laat een alternatief universum zien

Alles is pijn

Uitzondering is de film Gravesend (2007) van videokunstenaar en filmregisseur Steve McQueen. McQueen stelt alles in het werk om vervreemding juist te voorkomen en om de beschouwer deelgenoot te maken van het werk in een mijn in Congo. Hier wordt met de hand coltan gedolven, een mineraal voor elektronische apparatuur. Het verstilde moment bij zonsopgang in een industriële haven duurt maar kort en wordt abrupt doorbroken met een harde knal.

Het hakken in de rots gaat beginnen, met schurende, krassende geluiden van metaal op steen. Alles is pijn in deze 17 minuten durende film. De handen die in vuil water scherpe steentjes zeven, het onvermoeibare graven met een schop in een duistere schacht, de schittering van het zonlicht, de harde glinstering van de metalen machines waar de ruwe stof verwerkt wordt, de onafgebroken rinkelende, knallende, schrapende geluiden. Het is alles zo dicht op de huid gefilmd dat afstand houden onmogelijk is en er maar een vraag overblijft: hoeveel is een leven waard?