Opinie

Het kabinet gebruikt de Kamer als stempelmachine

Bestuurlijke cultuur Het kabinet wil aangenomen amendementen van de Groningenwet schrappen. Een symptoom van de verziekte constitutionele verhoudingen, oordeelt .
Het huis van de familie Winter in het Groningse Fraamklap is beschadigd door de aardbevingen.
Het huis van de familie Winter in het Groningse Fraamklap is beschadigd door de aardbevingen. Foto Kees van de Veen

Net twee maanden na Rutte-gate werd de Tweede Kamer getrakteerd op een sterk staaltje ‘oude bestuurlijke cultuur’. In een brief van 4 juni proberen VVD-minister Stef Blok, als vervanger van Bas van ’t Wout op Economische Zaken, en minister Kajsa Ollongren (BZK, D66) de Tweede Kamer te bewegen tot een soort ‘herstemming’ over twee aangenomen amendementen in het wetsvoorstel versterking gebouwen Groningen (Tijdelijke wet Groningen). En dat is totaal tegen de regels.

Het zit zo: die amendementen – eentje over het onder eigen beheer mogen versterken van je huis na verzakking ten gevolge van gaswinning en eentje over vergoeding van juridisch en financieel advies van getroffen huisbewoners – werden door de Tweede Kamer al aangenomen op 10 maart.

Dat was zeer tegen de zin van de minister, want die amendementen zouden het Groningse huizenherstelbeleid wel heel begrotelijk maken. Zeker ook nu de NAM zich op het standpunt stelde minder bij te willen dragen aan de schadevergoeding van de getroffenen.

In een eerdere brief van 11 mei – toen het wetsvoorstel nog werd behandeld in de Eerste Kamer – liet minister Bas in ’t Wout de Tweede Kamer al weten die amendementen niet in werking te zullen laten treden, omdat – naar zijn zeggen – twee Tweede Kamer-fracties zich bij de stemming over die amendementen hadden ‘vergist’.

Niet zo bedoeld

Inderdaad hadden CDA en D66 na de stemming over de amendementen in de Handelingen van de Tweede Kamer laten opnemen dat ze het niet helemaal zo bedoeld hadden. Maar dat verandert de einduitslag van die stemming niet. Zoals ook de uitslag van een voetbalwedstrijd niet verandert, zelfs al geeft de scheidsrechter naderhand toe fout te hebben beslist.

Lees ook: ‘De NAM schaadt het laatste beetje vertrouwen van de Groningers’

Toch hield de minister vol: hij wilde de amendementen om die reden hoe dan ook niet in werking laten treden. Die brief van 11 mei geeft een mooi inkijkje in de bestuurlijke ziel van het kabinet.

Natuurlijk is het ongehoord dat een bewindspersoon zich bemoeit met de stemming over aangenomen amendementen van de Kamer. Een minister heeft niks te ‘vinden’ van die stemmingen. En hij heeft grondwettelijk niet het recht om aangenomen amendementen, die deel uitmaken van het wetsvoorstel, niet in werking te laten treden.

Nog daargelaten het feit dat de hele gang van zaken een gotspe is voor de getroffen Groningers, zou dat neerkomen op een recht van ‘ont-amenderen’ van de regering. Een recht dat onze Grondwet helemaal niet kent, en terecht. Om de zaak recht te zetten had de minister, zoals de Grondwet wel voorschrijft, de koninklijke route moeten volgen. Dat wil zeggen: intrekken van het hele wetsvoorstel en indienen van een nieuw voorstel.

Onze Grondwet kent helemaal geen recht van de regering om aangenomen wetten te ‘ont-amenderen’

Maar het kabinet hield staande dat de Kamer zich had vergist. Nu was het noodzakelijk om op te schieten. De Kamer liet de schoffering van de 11 mei-brief niet over zijn kant gaan en liet het uitzoeken door zijn eigen Bureau Wetgeving. Dat concludeerde ook: op deze manier een paar amendementen uit een door beide Kamers aangenomen wetsvoorstel lepelen kan grondwettelijk niet.

Vandaar de verbazing bij de oppositie in de Tweede Kamer toen die brief van 4 juni van Blok en Ollongren binnenkwam. Het kabinet houdt in wezen vast aan de lijn van de brief van 11 mei: weg met die amendementen. Wel wordt het oordeel over de al dan niet inwerkingtreding van de amendementen aan de Tweede Kamer overgelaten. Dat is in wezen adding insult to injury, want zo’n verkapte herstemming over amendementen kan grondwettelijk al evenmin.

Lees ook het Commentaar van NRC: Een nieuwe bestuurscultuur willen is nog iets anders dan er ook een realiseren

De houding die uit de brieven spreekt, is exemplarisch voor de bestuurlijke cultuur die de afgelopen tijd zo onder vuur lag. Eerst wordt gedaan of er sprake is van een crisis, waartegen onmiddellijk noodzakelijke besluiten moeten worden genomen. Daarna komt de regering dan dikwijls op de proppen met zelf ingeregelde deadlines waarmee de Tweede Kamer het pistool op de borst wordt gezet: het kan echt niet anders dan zoals de regering het voorstelt.

Arrogantie

Zo ook laat de brief van 4 juni weten dat het belang van de inwoners van Groningen vergt dat het wetsvoorstel niet langs de normale (grondwettelijke) wetgevingsroute wordt geleid. Dat is wel heel bijzonder, want de regering heeft zelf de tijd tussen maart en juni om het nog wel netjes op te lossen met de Kamer laten verlopen. In een maand of drie had een nieuw voorstel echt wel langs de Kamers gekund: het is toch immers crisis?

Willen we echt iets doen aan bestuurlijke arrogantie en de tegenmacht versterken, dan is het van groot belang dat het kabinet de Kamers niet als voetveeg of stempelmachine gebruikt. Er moet snel een eind worden gemaakt aan de voortdurende pistool-op-de-borst-politiek, waaraan we in het afgelopen coronajaar gewend zijn geraakt, met zelf bedachte urgentieframes en de cultuur van alternatiefloosheid.

Alleen met enig geduld en respect voor elkaars rollen kunnen de gezonde constitutionele verhoudingen tussen Kamers en regering worden hersteld. En die noodzaak van enig geduld geldt ook de kabinetsformatie. Het huidige doorformeren van informateur Mariëtte Hamer in ‘blessuretijd’ getuigt al evenzeer van haast die ten koste gaat van de positie van de Tweede Kamer.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.