De anatomie van Oranje

Nederlands elftal Modern topvoetbal kan niet zonder data. NRC kreeg de beschikking over uitgebreide statistieken van drie topspelers van Oranje. Wat wordt fysiek van hen gevraagd en waarin blinken ze uit?

Het trainingsshirt van Memphis Depay zit strak om zijn bovenlijf. Gespierde armen en borstkas onder een zweetafvoerend shirt. Een paar dagen voor de eerste EK-wedstrijd van het Nederlands elftal, zondag tegen Oekraïne, schudt hij in Zeist zijn benen los.

Memphis staat met een groepje spelers te praten. Georginio Wijnaldum vertelt iets over zijn schoenen, die speciaal zijn aangepast op zijn voeten. Matthijs de Ligt heeft het iets verderop met wat medespelers over hun lengte.

Als Depay zich omdraait naar de zitplaats van journalisten is onder zijn strakke trainingsshirt een kleine bobbel te zien. Het is een kastje dat is verwerkt in zijn ondershirt, ter hoogte van de vijf doodshoofden die zijn getatoeëerd in de manen van een gigantische leeuw op zijn rug. Sommigen noemen het shirt een ‘bh’ en daar lijkt het ook op. Alle spelers dragen het bij trainingen.

In het shirtje zitten sensoren, die rechtstreeks in verbinding staan met een camerasysteem dat rond het trainingsveld in de bossen van Zeist is gemonteerd. Sprints, loopacties, afgelegde afstand per training, versnellingen en vertragingen. De fysiekcoaches van het Nederlands elftal zien de data van Memphis Depay – en alle andere selectiespelers – rechtstreeks binnenkomen op hun computers. Na de training zullen ze die gaan analyseren en er met spelers over praten.

Vroeger had je voetballers die over atletisch vermogen beschikten. Nu zien we atleten die ook goed kunnen voetballen.

Egid Kiesouw voormalig fysiekcoach van het Nederlands elftal en PSV

Dit is de goudmijn van Oranje. Met deze data sleutelt bondscoach Frank de Boer aan zijn opstelling, zijn tactiek en zijn trainingen. Zijn de spelers fysiek in staat om de systemen uit te voeren die hij wil inslijpen? Is Depay fit genoeg om linksbuiten te spelen en veel verdedigend werk te doen? Kan Matthijs de Ligt snel genoeg draaien en versnellen om te verdedigen met veel ruimte in de rug? Komt Georginio Wijnaldum het beste tot zijn recht achter de spitsen of als verdedigende middenvelder?

De antwoorden liggen deels besloten in de data die non-stop worden verzameld. Ze maken een weinig zichtbaar, maar essentieel onderdeel uit van modern topvoetbal. Concurrentiegevoelig zijn ze ook. Niemand wil de tegenstander wijzer maken dan nodig. De KNVB houdt de fysieke data van spelers dan ook het liefste geheim. Zeker vlak voor het EK.

NRC kreeg desondanks, via een andere weg, de beschikking over gedetailleerde fysieke data van drie topspelers van Oranje: Memphis Depay, Matthijs de Ligt en Georginio Wijnaldum. Het gaat om gegevens die zijn verzameld door het Franse sportstatistiekenbedrijf Skillcorner. Dat heeft een systeem gebouwd waarmee op basis van (openbare) televisiebeelden statistieken verzameld worden over de fysieke prestaties van voetballers.

De data zijn verzameld tijdens alle wedstrijden die Depay (Olympique Lyon), De Ligt (Juventus) en Wijnaldum (Liverpool) in het afgelopen seizoen met hun clubs speelden – zowel in de competitie als in Europese toernooien. Er is ook een vergelijking gemaakt met spelers die op dezelfde positie spelen. Matthijs de Ligts statistieken zijn bijvoorbeeld vergeleken met honderden andere centrale verdedigers. Er is een aparte vergelijking gemaakt met centrale verdedigers in de Champions League, zodat betrouwbare vaststellingen gedaan kunnen worden over zijn prestaties op het hoogste niveau.

De data laten zien wat topvoetbal fysiek vraagt van spelers. Ze tonen of de Oranjespelers zich lichamelijk kunnen meten met topspelers in Europa. En ze laten zien dat voetbal een sport is waarin evolutie plaatsvindt, met gevolgen voor de anatomie van Nederlands beste voetballers. Egid Kiesouw, voormalig fysiekcoach van onder meer het Nederlands elftal en PSV: „Vroeger had je voetballers die over atletisch vermogen beschikten. Nu zien we atleten die ook goed kunnen voetballen.”

Lees ook: het EK-dossier van NRC, met alle verhalen over Oranje

Deel I

De snorfiets: Memphis Depay

Memphis Depay

Memphis Depay

Vergelijkingscijfers:

Totale afstand hele wedstrijd

4

Rennen hele wedstrijd

7

Rennen 20-25 km/u

5

Sprinten 25 km/u

4

Wendbaarheid

5

Vergelijking met spelers in de Champions League:

Memphis Depay speelde afgelopen seizoen niet in de Champions League met Olympique Lyon. Zijn prestaties uit de Ligue 1 zijn afgezet tegen aanvallers die in de Champions League speelden. Depay blijkt dan gemiddelde statistieken te overleggen. Het past ook bij zijn rol: hij wacht af, en wordt soms met een explosieve actie gevaarlijk voor het doel. Depay scoort veel en geeft veel assists, dus ondanks zijn gemiddelde fysieke statistieken wordt hij gezien als één van de betere aanvallers in Europa.

Afstand per wedstrijd
9,9 kilometer
Rennen hele wedstrijd
1,6 kilometer
Rennen 20-25 km/u
651 meter
Sprinten 25 km/u
196 meter
Wendbaarheid
219 keer per wedstrijd versnellen en vertragen

Memphis Depay was erbij. Het laatste toernooi waaraan het Nederlands elftal meedeed – het WK 2014 in Brazilië. Hij maakte er zijn toernooidebuut. In de gewonnen wedstrijd tegen Chili trok Depay een sprint vanaf de eigen helft, om daarna een voorzet van Arjen Robben binnen te glijden. Hij haalde een snelheid van meer dan 30 kilometer per uur (de exacte snelheid is niet bekend). Zoals Arjen Robben bij dat WK, in de legendarische wedstrijd tegen Spanje (5-1), een snelheid haalde van 37 km/h toen hij Sergio Ramos voorbij rende, doelman Casillas dolde en scoorde.

Fysiektrainers spreken van een sprint bij een snelheid van 25 km/h of meer. Dat is zo snel dat snorfietsers ervoor beboet worden op de Nederlandse weg. Memphis Depay haalt het gemiddeld tien keer per wedstrijd, blijkt uit de data waarover NRC beschikt. Meer dan zestig keer per duel bereikt hij een snelheid van meer dan 20 km/h. De sportieve hardloper komt tijdens een sprint misschien ook wel aan die snelheid, maar zéstig keer is een ander verhaal.

En dat is alleen nog het rennen. Bekijk beelden van zijn wedstrijden en je ziet dat Depay tijdens of na zo’n sprint vaak ook nog een fysiek duel moet uitvechten met een verdediger. Elleboog in de ribbenkast. Schrap zetten. Daarna een passeerbeweging maken. De rust in zijn bewegingen vinden. Hoek uitzoeken, verdediger uitkappen, schieten. Of, zoals tegen Chili: een sliding precies goed timen om de voet tegen de bal te krijgen.

Toch zijn Depays prestaties niet uitzonderlijk. Als zijn wedstrijden in de Franse competitie (Depay speelde afgelopen seizoen zelf geen Champions League) worden vergeleken met aanvallers op Champions League-niveau, haalt hij op veel vlakken doorsnee loopstatistieken.

Hij legt tijdens wedstrijden iets minder afstand af (9,9 kilometer) dan andere spelers op zijn positie en zijn sprintstatistieken zijn heel gemiddeld. In de Franse competitie is Depay wel een klasse apart: zijn data steken ver boven het gemiddelde uit, al sprint een speler zoals de Fransman Kylian Mbappé (Paris Saint-Germain) sneller én meer.


Foto David van Dam

Foto David van Dam

Foto David van Dam

De data van Depay zijn vermoedelijk een belangrijke grondslag voor één van de belangrijkste keuzes van bondscoach Frank de Boer tijdens dit EK. Hij wil in een systeem spelen met vijf verdedigers, drie middenvelders en twee aanvallers. Dat zijn waarschijnlijk Wout Weghorst en Depay. Vooral die laatste moet door dat systeem kunnen uitblinken.

Zijn statistieken vertellen: Depay is explosief en gevaarlijk, maar geen kilometervreter. Dáárom zet de bondscoach hem liever niet linksbuiten in een systeem met drie aanvallers, want dan moet je achter de rechtsachter van de tegenstander aan rennen en is er minder energie over voor eigen creativiteit en acties – iets waarin Depay uitblinkt in Oranje. In zijn laatste twintig interlands was hij direct betrokken bij 26 doelpunten (13 goals, 13 assists).

De Boer wil Depay dus vrijheid geven én voorin houden. Zo bepalen data – bij het Nederlands elftal en alle andere landen op het EK – voor een groot deel hoe spelers worden ingezet door hun coach. Het toont het belang van persoonlijke statistieken in het topvoetbal. Niet alleen voor wedstrijdvoorbereiding en tactische analyse, maar ook voor scouting en selectie van spelers. Die data verklaren deels waarom Quincy Promes bij de Oranje-selectie is gehaald voor dit EK, ondanks het feit dat hij verdachte is van een steekincident. Promes is namelijk heel goed in staat op meerdere posities te spelen en maakt als buitenspeler vaak veel (verdedigende) meters. Hij scoort ook nog eens regelmatig.

Egid Kiesouw, de voormalig fysiekcoach van Oranje: „De invloed van data is gigantisch. Je kunt zien wat spelers leveren, ze met elkaar vergelijken, je weet of ze in vorm zijn, welke intensiteit ze aankunnen. De ene speler is fysiek beter in staat een toernooi met veel wedstrijden te spelen dan de andere. Supporters hebben regelmatig kritiek op opstellingen, maar ze kennen meestal niet de fysieke data van de spelers. Die verklaren vaak veel.”

Deel II

Over voetbalevolutie: Georginio Wijnaldum

Georginio Wijnaldum

Georginio Wijnaldum

Vergelijkingscijfers:

Totale afstand hele wedstrijd

5

Rennen hele wedstrijd

4

Rennen 20-25 km/u

7

Sprinten 25 km/u

9

Wendbaarheid

9

Vergelijking met spelers in de Champions League:

Voor Champions League-begrippen is Georginino Wijnaldum een uitzonderlijke speler. Hij kan met de beste middenvelders mee op belangrijke fysieke aspecten en blinkt uit in sprints en wendbaarheid. Hij is het prototype van de moderne middenvelder die veel ‘intensieve meters’ maakt en zich snel kan aanpassen aan nieuwe spelsituaties door rap te draaien en keren.

Totale afstand hele wedstrijd
10,8 kilometer
Rennen hele wedstrijd
2,0 kilometer
Rennen 20-25 km/u
627 meter
Sprinten 25 km/u
146 meter
Wendbaarheid
120 keer per wedstrijd versnellen en vertragen

Vogels fluiten in de bossen van Zeist als de spelers van het Nederlands elftal door conditietrainer René Wormhoudt naar de rand van het veld worden meegenomen. Er liggen balkjes op pionnen, de spelers moeten er in hoog tempo overheen. Hard gelach als iemand een pionnetje omver trapt. Meestal is het een verdediger. Eén speler valt op. Zo snel, zo soepel springt hij over de balkjes, draait hij en gaat hij weer. Georginio Wijnaldum.

Hij is waarschijnlijk de speler in Oranje die het meest beantwoordt aan het beeld van de moderne topvoetballer. Aanvoerder van het Nederlands elftal, belangrijke speler op het middenveld. Op bijna alle lichamelijke aspecten van het voetbal is hij beter dan de gemiddelde Champions League-speler op zijn positie, is af te lezen aan zijn data.

In de Champions League-wedstrijd van zijn club Liverpool tegen Ajax, afgelopen seizoen, kwam hij twaalf keer boven de 25 km/h uit in een sprint – vrijwel geen speler doet hem dat na. Elke wedstrijd legt hij meer dan 145 meter af op topsnelheid. Hij versnelt ruim 130 keer per wedstrijd – ook bijna ongeëvenaard. Tegelijkertijd legt hij ongeveer 11 kilometer af per wedstrijd. Dat is juist weer gemiddeld voor spelers op zijn positie. Wijnaldum maakt dus vooral veel intensieve meters. Zijn data bewijzen dat hij de dynamische middenvelder is die een topteam van nu nodig heeft. Het is dé reden dat Paris Saint-Germain hem heeft gehaald, na zijn vertrek bij Liverpool.

De trainingen die Rene Wormhoudt de hele voorbereiding al met de Oranje-selectie doet, laten ook zien dat data een andere manier van werken in het voetbal hebben losgemaakt. Het zijn vaak korte, felle sprinttrainingen.

Lees ook: de Engelse voetbalclub Brentford boekt grote successen met computermodellen

Dat was vroeger wel anders. Jos Geijsel, de voormalig fysiektrainer van Ajax en Oranje, herinnert zich de jaren negentig. Het Amsterdamse Bos. Stopwatch. Rennen. Kilometer na kilometer. Zandpad in, zandpad uit, heuvel op, heuvel af. Steeds maar weer die bosloop om conditie op te bouwen. De coach van destijds, Louis van Gaal, wist niet beter dan wat er op de trainingscursussen was gezegd: duurlopen zijn noodzakelijk om in de tweede helft van wedstrijden en later in het seizoen beter te herstellen.

Geijsel: „Toen vertelde ik Louis van Gaal over nieuw onderzoek naar spiervezels. Ieder mens heeft snelle en langzame spiervezels. Met een bosloop train je de langzame spiervezels, terwijl voetbal een explosief spel is waar de snelle spiervezels veel belangrijker zijn. De bosloop heeft dus weinig zin en is in het moderne voetbal inmiddels grotendeels verleden tijd.”

Voor Geijsel, die vijftien jaar bij Ajax werkte en ook fysiektrainer was van de nationale hockeyselectie, was het onderzoek naar de bosloop zijn eerste kennismaking met data in de topsport.

Het grote publiek maakte kennis met de invloed van data door de film Moneyball uit 2011, met Brad Pitt in de hoofdrol. Die gaat over de Oakland Athletics, een matig honkbalteam in de Verenigde Staten. Totdat manager Billy Beane rond de eeuwwisseling puur op data ging scouten. Hij kocht goedkope spelers die elders niet rendeerden, maar wel goede data konden overleggen. Het bracht de club groot succes. Sindsdien is datagebruik in de topsport gemeengoed, ook in het voetbal. Beane is nu mede-eigenaar van AZ in Alkmaar, een club die veel met data werkt.

Het heeft grote invloed: trainingen zijn veranderd en er kan veel specifieker worden gesleuteld aan het fysiek van spelers. Jos Geijsel heeft het zien gebeuren: „Het aantal sprints is toegenomen en belangrijker geworden dan de afstand die spelers afleggen. Het tempo ligt steeds hoger. Daardoor komt het aan op explosieve acties. Spelers moeten extreem wendbaar zijn en rap kunnen versnellen en vertragen. Zo passen ze zich steeds aan op nieuwe situaties in het veld.”


Foto David van Dam

Foto David van Dam

Foto David van Dam

Egid Kiesouw, die nu werkt bij ADO Den Haag en in de Verenigde Arabische Emiraten, ziet dezelfde ontwikkeling. Net als Geijsel kon hij door de jaren heen steeds zwaardere trainingen aanbieden. Hij zegt: „Er wordt steeds meer atletisch vermogen geëist. Hoe sneller het spel, hoe fitter de spelers moeten zijn. Dat worden ze dus ook.” Geijsel: „Het zit hem ook in de selecties. Het Ajax van Johan Cruijff had een selectie van vijftien man en altijd dezelfde opstelling. Nu heb je selecties van dertig man en stevige concurrentie. Daardoor zijn er voor spelers meer prikkels om het beste uit hun lichaam te halen.”

Wetenschappelijk onderzoek ondersteunt hun ervaringen. Australische onderzoekers maakten in 2013 een analyse van WK-finales tussen 1966 en 2010. Hun conclusies: vooral het tempo is gestegen. De bal gaat vijftien procent sneller dan vroeger. Spelers wisselen tegenwoordig ook veel vaker van positie door loopacties zonder bal. Het aantal passes steeg daardoor met 35 procent. Eén van de onderzoekers, Kevin Norton van de University of South Australia, deed vervolgens ook onderzoek naar de fysieke ontwikkeling van topsporters. Hij ziet een vorm van evolutie: „Voetballers zijn, net als bijvoorbeeld rugbyers, gespierder en fitter geworden. Voor verdedigers en keepers geldt bovendien dat ze langer zijn dan vroeger.”

Het raakt ook aan een vraag die de voetbalwereld al jaren verdeelt: zouden oude voetbalhelden tegenwoordig nog mee kunnen? Hoe zouden spelers die het EK van 1988 wonnen, zoals Marco van Basten en Jan Wouters, het nu doen in het Nederlands elftal? Een antwoord bestaat niet, want destijds werden nog geen data bijgehouden. Voor Egid Kiesouw en Jos Geijsel is wel duidelijk dat de spelers van toen fysiek minder hoefden te presteren. Toch willen ze allebei niet beweren dat de Van Basten en Wouters van 1988 het niveau van nu niet aan zouden kunnen. Kiesouw: „Ik denk dat Van Basten en Wouters in elke periode topspelers geweest zouden zijn. Zij hadden het talent gehad om zich aan te passen.”

Deel III

Hersenwerk: Matthijs de Ligt

Matthijs de Ligt

Matthijs de Ligt

Vergelijkingscijfers:

Totale afstand hele wedstrijd

10

Rennen hele wedstrijd

9

Rennen 20-25 km/u

4

Sprinten 25 km/u

3

Wendbaarheid

8

Vergelijking met spelers in de Champions League:

Matthijs de Ligt legt grote afstanden af, in vergelijking met andere centrale verdedigers in de Champions League. Hij rent ook veel. Opvallend: De Ligt sprint weinig, maar is wel zeer wendbaar en bedreven in ‘versnellen en vertragen’. Dat betekent dat hij snel kan inspelen op nieuwe spelsituaties en van positie kan veranderen. Aan zijn data is daarom te zien dat De Ligt extreem goed is in positie kiezen.

Totale afstand hele wedstrijd
10,2 kilometer
Rennen hele wedstrijd
1,5 kilometer
Rennen 20-25 km/u
415 meter
Sprinten >25 km/u
68 meter
Wendbaarheid
213 keer per wedstrijd versnellen en vertragen

Soms wil Matthijs de Ligt niet aan voetbal denken. Dan wandelt hij met de honden door de natuur rond Turijn, waar hij bij Juventus speelt. Hij woont in Italië vlakbij Stefan de Vrij, collega-international en vriend. Op dinsdag, in Zeist, staan ze voor de training even samen te kletsen. Arm om de schouder, een paar grapjes, daarna concentratie op hun gezicht als de training begint.

Trainen maakt je beter, vindt De Ligt, maar níét aan voetbal denken ook. Dus als De Vrij op bezoek komt bij De Ligt en hun vriendinnen zijn er ook, gaat het meestal niet over voetbal. Het houdt zijn brein ontspannen.

Een belangrijk deel van zijn werk speelt zich af in de hersenen. Het moment van versnellen, positie kiezen, een stapje terug om een tegenstander op te vangen of juist twee vooruit. Een tackle – als het niet meer anders kan. Vooral in Italië is positie kiezen voor een verdediger belangrijk.

Matthijs de Ligt kan dat heel goed. Zijn data vertellen voor een groot deel waarom: hij is één van de beste spelers op zijn positie als het op vertragen aankomt. Dat klinkt gek, maar vertraging is in topvoetbal heel belangrijk. Spelers die er goed in zijn kunnen heel snel van richting veranderen en op die manier reageren op de beweging van tegenstanders – in het geval van De Ligt zijn dat aanvallers die voortdurend zoeken naar ruimte om een loopactie te maken.

Voetbalinzicht en -kennis van de coach blijft het belangrijkste. Data zijn een hulpmiddel.

Jos Geijsel voormalig fysiektrainer van Ajax en Oranje

Bijna 120 keer per wedstrijd verandert hij van richting – bijna niemand op zijn positie kan dat op zijn niveau. Het vraagt veel van zijn lichaam: er komt gewicht op de knieën, de enkels, de heupen. Spieren krijgen een klap. De Ligt worstelt deze week met een liesblessure. Hij hoopt tegen Oekraïne, zondag de eerste tegenstander op het EK, te kunnen spelen. Het wordt vermoedelijk deze zaterdag of zondag pas duidelijk of dat lukt. Zijn speltype maakt herstellen lastig, juist omdat hij zoveel vraagt van zijn lichaam – de trainers van Oranje kennen zijn data en weten dat voorzichtigheid geboden is.

De Ligt combineert de mechanische beheersing van zijn lichaam met flinke afstanden. Gemiddeld ruim tien kilometer tijdens een Champions League-duel – er zijn nauwelijks spelers die meer lopen. Op topsnelheid komt hij niet vaak. Kwestie van goed positie kiezen.

Bij elke draai, elke verandering van richting, moeten zijn hersenen een beslissing nemen. De informatie die hij daarvoor gebruikt krijgt hij al in de wedstrijdvoorbereiding. De spelers van Oranje zullen inmiddels overladen zijn met informatie over Oekraïne. Over de tactiek van het team, maar ook over bijzonderheden van hun directe tegenstanders. Matthijs de Ligt weet hoe de Oekraïense spits Artem Besedin beweegt. Draait hij naar links of naar rechts, wat is zijn topsnelheid, is hij wendbaar, zakt hij in of blijft hij voorin hangen?

Egid Kiesouw: „Spelers moeten tegenwoordig veel kunnen verwerken. Zeker tijdens een toernooi, waar wedstrijden elkaar snel opvolgen. Na de poulefase is het ook vaak een verrassing wie de volgende tegenstander is en hebben de trainers weinig tijd voor de voorbereiding. Niet iedereen kan een grote hoeveelheid informatie verwerken. Je moet het kunnen verhapstukken.”

Om die reden wordt ook het brein van spelers getraind. Jeugdopleidingen van profclubs werken met hersentraining. Neurolympics is een programma dat veel wordt gebruikt: digitale spelletjes om de hersenen te ontwikkelen. Kiesouw: „Dat is belangrijk aan het worden. Keuzes maken op het juiste moment is onontbeerlijk voor topvoetballers. Daar is nog een wereld te winnen.”

Goed hersenwerk, zegt Jos Geijsel, kan het verschil zijn tussen een goede speler en een topvoetballer. Hij heeft het ooit gezien in zijn tijd als fysiektrainer bij de Nederlandse hockeymannen. Coaches zeiden altijd over Teun de Nooijer, ooit één van de beste spelers ter wereld, dat hij zo ongelofelijk snel was. Maar dat bleek helemaal niet uit zijn data.

Geijsel: „We hebben toen een onderzoek gedaan. Zonder de bal te zien moesten spelers aanvoelen waar ze zich moesten positioneren, op basis van het spelbeeld. Toen bleek dat Teun de Nooijer geweldig kon anticiperen. Zijn hersenen doorzagen het spel zo goed, dat hij niet eens de snelste hoefde te zijn om steeds als eerste bij de bal te zijn. Ik zie dat ook bij spelers zoals Daley Blind en Matthijs de Ligt. Die hebben voetbalintelligentie en zijn steengoed in positie kiezen.”

Zo ziet Daley Blind het zelf ook. Woensdag werd hij geconfronteerd met zijn vermeende gebrek aan snelheid. Dat hoor ik al mijn hele leven, zei Blind. Maar: „Als je goed opgesteld staat, kom je niet in de problemen. Er zijn maar weinig tegenstanders die mij één op één kloppen.”

Volgens Jos Geijsel is aan Blinds kwaliteiten goed te zien dat data niet de heilige graal zijn. Hij zegt: „Intelligentie kun je trainen, maar moeilijk meten. Daarom kun je een opstelling ook niet alléén op basis van data maken. Voetbalinzicht- en kennis van de coach blijft het belangrijkste. Data zijn een hulpmiddel.”


Foto David van Dam

Foto David van Dam

Foto David van Dam

Slot

Sleutelen: de technische staf

De spelers zijn er nog niet, op het trainingsveld in Zeist. Ze zitten in een grote witte tent die naast het trainingsveld is neergezet. Rugzakjes en sportschoenen onder de stoelen waar met een stickertje hun rugnummers op zijn geplakt.

Daar trekken ze de ‘bh’s’ met sensoren aan. Het camerasysteem langs trainingsveld 1 wordt ingeschakeld. De ‘performance analist’ van Oranje ziet straks de statistieken binnenstromen. De video-analist kijkt mee.

Meer dan vijftien mensen begeleiden het Nederlands elftal bij dit EK. Van de bondscoach tot aan de orthopeed, manueel therapeut, de inspanningsfysioloog, de kok die hier ‘executive chef’ heet. Allemaal sleutelen ze aan de spelers: aan benen, longen, spijsvertering, hersenen. Aan knieën, enkels, achillespezen.

Tijdens wedstrijden hebben ze allemaal hun rol. In de oefenwedstrijd tegen Georgië, afgelopen zondag in Enschede, namen assistenten van Frank de Boer plaats op de perstribune. iPads aan, computerschermen waarop ze direct de data van spelers binnen krijgen. Ze kunnen meteen zien of spelers zich houden aan de tactiek, waar de bondscoach moet ingrijpen. Ze verzamelen beelden die Frank de Boer in de rust kan laten zien aan zijn spelers. Zo zijn data ook tijdens de wedstrijd van belang: ze kunnen helpen om de spelers iets te leren, net anders te laten spelen, fouten te voorkomen.

De bondscoach heeft het steeds over „een zaadje” dat zijn staf wil planten in het hoofd van de spelers. Ze moeten erin gaan geloven. Dat de optelsom van technische, tactische en fysieke kennis en kwaliteiten voldoende zal zijn. Dat wat de computer aan data laat zien – ze zijn goed maar geen topfavoriet – niet het eindresultaat hóéft te zijn. Dat ze Europees kampioen kunnen worden.

Animaties Roland Blokhuizen/Studio NRC.
Foto’s David van Dam.
Vorm/techniek Koen Smeets.