Andreas Landshoff: „Mijn vader had tien jaar niets van mij gehoord, dus hij dacht: zal Andreas een stramme nationaalsocialist zijn geworden?”

Interview

Andreas Landshoff: ‘Ik besefte: ik was dus half Joods, toen in Berlijn’

Andreas Landshoff Zijn vader vluchtte voor Hitler en gaf vanuit Amsterdam Exil-literatuur uit. Zijn moeder was een filmster in nazi-tijd. Andreas Landshoff, kind van de twintigste eeuw, verzoent de uitersten.

Begin jaren zestig loopt Andreas Landshoff de kamer van zijn vader Fritz in. Ze houden samen kantoor aan de Amsterdamse Keizersgracht en geven door heel Europa vertaalde Amerikaanse kunstboeken uit van uitgeverij Harry N. Abrams. „Wij komen toch uit de literatuur”, zegt Andreas Landshoff. „Moeten wij dát niet voortzetten?”

Zijn vader was in 1933 uit Berlijn naar Nederland geëmigreerd en had Querido Verlag voor Duitse Exil-literatuur opgericht. In zeven jaar tijd, tot aan de bezetting, had hij 125 titels uitgegeven van verboden Duitse en Oostenrijkse schrijvers, onder wie Heinrich Mann, Joseph Roth en Arnold Zweig. Een deel van zijn fonds had hij meegenomen van uitgeverij Kiepenheuer, nadat dat in Duitsland verboden was. Andreas zelf was in 1948 begonnen als leerling bij een uitgeverij in Berlijn en later in dienst getreden bij S. Fischer en Kiepenheuer & Witsch.

„Ik zei tegen mijn vader: ‘We zijn toch geen uitgevers geworden om alleen kunstboeken uit te geven? Met jouw achtergrond en contacten kunnen we toch ook andere boeken uitgeven?’ Mijn vader zei: ‘Het is toch heel succesvol wat we doen? We hebben onze vrijheid. Laten we gewoon doorgaan’.”

Ze gingen gewoon door.

Mijn vader speelde cello, Einstein viool – hij was niet zo muzikaal overigens, zei mijn vader

Aan het einde van zijn leven liet Fritz Landshoff zich interviewen door de Duitse literatuurwetenschapper Hans-Albert Walter. Na zijn vaders dood in 1988 leest Andreas het interview. „Kunt u me zeggen waarom ik dat daar nu al dertig jaar doe”, vraagt zijn vader retorisch over de kunstboekenuitgeverij. „Werkelijk geleefd heb ik toch alleen bij Querido en bij Kiepenheuer.” Walter concludeerde in het stuk: „Nooit meer zou ik zo’n ongelukkige man zien als hij op dat moment was.”

„Ongelofelijk”, zegt Andreas nu. „Wij vonden allebei hetzelfde. Wat een gemiste kans dat we niet samen zijn spoor hebben gevolgd, en literatuur en politieke geschiedenis hebben uitgegeven.”

Mann, Einstein, Brecht

Alles in de woonkamer van Andreas Landshoff in Amsterdam herinnert aan zijn jeugd. De eerste drukken van boeken uit zijn vaders Exil-bibliotheek boven in zijn kamerbrede boekenkast. De 350 boeken uit en over de jaren dertig en veertig, die klaarstaan om naar Berlijn te verhuizen, als gift van „Vater und Sohn an die Heimatstadt”, zegt hij, aan het Exil-museum dat daar nu wordt gebouwd. De foto van Albert Einstein is gemaakt door zijn Cousin, fotograaf Hermann Landshoff. Einstein zit achter zijn bureau op zijn werkkamer in Princeton, eind jaren veertig. „For Andreas”, staat linksonder op de foto. „Mijn vader zat bij Einstein in een strijkkwartet. Einstein woonde tot de machtsovername van Hitler in Caputh bij Potsdam. Mijn vader speelde cello, Einstein viool – hij was niet zo muzikaal overigens, zei mijn vader.”

Tussen twee voorramen kijkt een 26-jarige Bertolt Brecht brutaal de kamer in, ook een foto uit eigen collectie. „Hij was bevriend met mijn moeder toen zij als meisje aan de Münchener Kammerspiele verbonden was. Bert Brecht was daar dramaturg, zij actrice. In die tijd gaf mijn vader Brechts werk uit bij Kiepenheuer.” En dan is er de foto van twee jonge mannen, lachend naast elkaar, gekleed in bonte badjassen op het strand van Zandvoort: schrijver Klaus Mann en Andreas’ vader Fritz, halverwege de jaren dertig. Hun beste jaren.

Andreas Landshoff (Leipzig, 1930) groeide op in het Berlijn van het interbellum en de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog herenigde hij zich met zijn vader en werkte met hem samen in Amsterdam. Ter gelegenheid van diens 120ste geboortedag spreekt hij aanstaande week in het Goethe Instituut in Amsterdam over zijn vader, over de Exil-jaren in Nederland. Deze zomer geeft Andreas nog een lezing in Berlijn. „Berliner Luft” snuiven. „Oude straten aflopen, boekhandels en musea bezoeken en ’s avonds de eenvoudige Berlijnse keuken in een oude Kneipe.”

Als zijn vader Fritz Landshoff, geboren in 1901, als kind naar muziekles liep, dan liep er een bediende achter hem om zijn cello te dragen. „Hij kwam uit een geassimileerd gutbürgerlich nest”, zegt Andreas. „Ze waren meer Duits dan Joods.” Een villa in Berlijn met personeel en huisconcerten. Fritz’ vader handelde in hout, graan en bont, dat beroep zat al in de familie sinds ze in de achttiende eeuw emigreerden uit een Jiddische shtetl in Polen. Zijn moeder kwam uit een gezin dat generaties lang in de muziek zat. „De muzische kant”, noemt Andreas dat. „Alle vrouwen hadden mooie stemmen.” Ze waren vaak aan de opera of een orkest verbonden.

Fritz Landshoff, vader van Andreas Landshoff, tijdens een bezoek aan de Nationale Bibliotheek van Duitsland in Leipzig in 1987, een jaar voor zijn dood. Hij kreeg daar de Gutenbergprijs. Foto: Werner Kohlert

Fritz studeerde germanistiek in Frankfurt. „Hij vertelde me dat hij als jongen dag en nacht las”, zegt Andreas. „Duitsland was voor hem het land van Dichter und Denker. Goethe, Schiller, Schopenhauer, Nietzsche. Hij voelde zich daar onderdeel van. Er war ein Dichter und ein Denker.” Fritz trouwde jong met een Joodse vrouw uit een niet-orthodox gezin en kreeg twee dochters.

Bohemiens

In het Berlijn van honderd jaar geleden ontmoette Fritz de oudste kinderen van Thomas Mann: naast Klaus ook Erika. Klaus, geboren in 1906, was beginnend schrijver, Erika actrice en cabaretière. Beiden homoseksueel. Fritz was verliefd op Erika, maar zij trouwde met de homoseksuele acteur Gustaf Gründgens, een kort experiment. Erika was verliefd op actrice Pamela Wedekind, die op haar beurt weer de grote liefde was van Andreas’ moeder, actrice Ruth Hellberg. Hun wereld was „bohemien”, zegt Andreas. Afkomst was geen voorwaarde, in het bruisende nachtleven kon iedereen verliefd worden op iedereen. „Beetje ingewikkeld allemaal”, zegt Andreas. „Alle relaties waren ingewikkeld in die jaren.”

Ruth Hellberg kwam uit een Lübecker handelsfamilie, net als Thomas Mann. Haar ouders waren acteurs. „Ze was zeer ambitieus”, zegt Andreas. „Als ze moest kiezen tussen een vakantie met mij of een rol in een film of toneel, dan koos ze daarvoor. Vooral theater was levensinhoud voor haar. Ze was een geboren actrice.”

Zo ontmoet Fritz in het Berlijn van 1928 Ruth. Hij deelt in die tijd een appartement met zijn goede vriend, schrijver en revolutionair Ernst Toller. Ruth bevindt zich op het hoogtepunt van haar carrière met soms zes tot acht premières per seizoen.

Andreas toont de enige foto van zijn ouders samen, gemaakt in 1930 aan de Oostzeekust. Ze zitten naast elkaar op een bankje, verzonken in gesprek. Na een uitvoering van Faust in Leipzig – „mijn moeder speelde Gretchen terwijl ze acht maanden zwanger was!” – wordt Andreas geboren. Zijn vader is inmiddels gescheiden, maar hertrouwt niet met Ruth „Ik heb hem weleens gevraagd: ‘Als Hitler niet aan de macht was gekomen, waren jullie dan alsnog getrouwd?’ Hij antwoordde: ‘Ik denk het niet’. Maar ze hielden contact, ook nog na de oorlog.”

Een maand nadat Hitler in januari 1933 Reichskanzler is geworden, hoort Fritz Landshoff van een buurvrouw dat er „mannen met lange leren jassen” aan de deur zijn geweest die naar Toller en hem hebben gevraagd. Hij duikt onder en vertrekt zo snel hij kan naar Amsterdam. „Aan mij vertelde mijn moeder dat mijn vader uit protest tegen Hitler het land had verlaten”, zegt Andreas, „Pas na de oorlog, toen ik zestien was, hoorde ik dat hij Joods was en daarom was gevlucht. Dat was zeer verwarrend voor mij, want toen besefte ik: ik ben half Joods.”

In Amsterdam ontmoet Fritz Landshoff uitgever Emanuel Querido die hem voorstelt de boeken van in Duitsland verboden Duitse en Oostenrijkse schrijvers uit te geven. In 1933 hadden nazistische studenten door heel Duitsland entartete boeken op de brandstapel geworpen. De auteurs ervan worden vervolgd, ze leven vaak in ballingschap.

Al in het eerste jaar geeft Querido Verlag in Amsterdam negen boeken uit, en met Klaus Mann het literaire tijdschrift Die Sammlung. In de loop der jaren verschijnen hier boeken van Alfred Döblin, Bertolt Brecht, Joseph Roth, Anna Seghers, Ernst Toller, Lion Feuchtwanger, de broers Heinrich en Thomas Mann, en Mephisto van Klaus Mann.

Moeder Ruth Hellberg neemt Andreas in 1936 mee naar Amsterdam, om vader en zoon te herenigen. „Het was de eerste keer dat ik mijn vader bewust zag”, zegt Andreas. „Ze hoopte mij bij hem te kunnen achterlaten, ze had gehoord van een opvangcentrum van de Quakers voor Joodse kinderen, in Ommen.” In 1923 had Hitler gezegd: „De half Joden zijn de ergsten, zij hebben de slechte eigenschappen van beide rassen.” Andreas: „Mijn ouders moeten dat ’s avonds toen ik sliep hebben besproken. Mijn vader vond het geen goed idee dat ik in Nederland kwam wonen. Misschien voelde hij instinctief aan: zo veilig is het hier ook niet lang meer.” Twee dagen later keren moeder en zoon terug naar Berlijn.

In Berlijn is Ruth inmiddels getrouwd met een andere man, Wolfgang Liebeneiner. Op glamourfoto’s staart een blonde, fijnbesneden Duitser in de camera. „Hij was een liefdevolle vader voor mij”, zegt Andreas. „Ik herinner me dat hij me geduldig het planetenstelsel uitlegde.” Hij draagt in die tijd de naam Andreas Liebeneiner.

Als succesvol filmregisseur en producent is Liebeneiner onder Hitlers bewind directeur geworden van de grote UFA-filmstudio’s, het Hollywood van Europa. Vóór 1933 maakte Fritz Lang daar Metropolis, Josef von Sternberg ontdekte er Marlene Dietrich en Ernst Lubitsch nam er zijn komedies op. „De een na de ander, zeker de Joodse regisseurs, verruilde Duitsland voor Amerika en toen was Liebeneiner ineens een van de laatste getalenteerde filmmakers. Daarom hebben de nazi’s hem veel concessies gedaan. Ze wilden hem niet kwijt.” Filmliefhebber Hitler nodigt Liebeneiner soms uit in zijn privébioscoop om samen naar buitenlandse films te kijken, zoals Gone with the Wind en Hitlers favoriet: Disney’s Sneeuwwitje. Zijn moeder speelt in de nazi-tijd in twaalf films. „Ze waren zeer succesvol in die jaren.”

Hier stokt hij even. Want zijn moeder en stiefvader gingen ook naar de begrafenis van een acteur die met zijn zoon zelfmoord had gepleegd omdat hij niet van zijn Joodse vrouw wilde scheiden. Cultuurminister Goebbels had bezoek aan die begrafenis verboden, Ruth en Wolfgang Liebeneiner waren desondanks onder de weinige aanwezigen.

„Ze waren geen nazi’s, maar ze waren ook geen helden”, zegt Andreas. Van alles wat hij vertelt, grijpt dit hem zichtbaar het meest aan. Fritz Landshoff móést weg uit Duitsland. Andreas heeft nog het document waarin de minister van Binnenlandse Zaken zijn vader als gevluchte Jood diens nationaliteit ontneemt. „De meeste Duitsers konden niet zomaar weg. Ze hadden familie, ouders, kinderen voor wie ze moesten zorgen. In het buitenland zouden ze geen baan vinden. Mijn moeder sprak alleen goed Duits. Bovendien wilden de meeste Europese landen en Amerika geen Duitse vluchtelingen opnemen.”

Hij zegt: „Ik zie de lezer al voor me, die dit straks leest en denkt: ja, ja, het waren dus wél nazi’s. Daarom praat ik er ook liever niet over.” Hij tikt bij elk woord met zijn hand op tafel: „Omdat het niet te begrijpen is.”

„Mijn moeder en Liebeneiner waren geen lid van de partij. In hun vriendenkring zaten geen nationaalsocialisten. Ze hebben talloze mensen geholpen die in de problemen waren geraakt. Mijn stiefvader liet Joden en anderen die een beroepsverbod kregen, onder pseudoniem scenario’s schrijven of filmmuziek componeren. Dat zijn geen heldendaden, ze hebben niet in het verzet gezeten, maar het getuigt van een zekere moed in deze moeilijke tijden.”

Hij is even stil. „Tenslotte hadden ze midden in Berlijn een half Joods kind in huis.”

Geloof in de Endsieg

Andreas raakt veel later, in de jaren tachtig, bevriend met de diplomaat Otto von der Gablentz, als die Duits ambassadeur is in Nederland. „Hij is geboren in hetzelfde jaar als ik, komt uit hetzelfde Berlijn als ik. Ik vertelde hem dat ik als schooljongen natuurlijk in de Endsieg van Duitsland geloofde. Dat ik vond dat Duitsland na de vernedering van het Verdrag van Versailles het recht had om weer groot en sterk te zijn. Otto keek me aan en zei: ‘Ja, natuurlijk’. Toen vroeg ik: ‘Had jij ook zo’n Kindheit?’”

Dan vertelt Von der Gablentz aan Andreas dat hij op z’n dertiende naar de bibliotheek van zijn vader werd geroepen, die hem uitlegde waarom er ’s avonds zo vaak mannen bij hen in huis kwamen. Dat was omdat ze een verzetsgroep vormden die een aanslag op Hitler voorbereidde. „Ik heb daarna een slapeloze nacht gehad”, zegt Andreas. „Hoe anders kan het leven lopen als je zo’n verhaal hebt. Als iemand mij op m’n dertiende zoiets had verteld, had ik vanaf dat moment geweten: het is foute boel met dit regime.”

Een dag later belt Andreas met Von der Gablentz. „Hij zei dat de meeste Duitsers leefden zoals wij, niet zoals zij. Dat het een heel uitzonderlijk voorrecht was geweest dat zijn ouders in het verzet hadden gezeten.”

In 1944 gaan Wolfgang en Ruth uit elkaar. Na de oorlog pas vertelde zijn moeder aan Andreas dat Liebeneiner vlak voor de echtscheiding een privéaudiëntie bij Hitler had aangevraagd. Op de werkkamer in de Reichskanzlei vertelde Liebeneiner dat zijn stiefzoon half Joods was. Of de Führer hem een gunst kon verlenen. „Dat gaan we regelen”, zou die hebben geantwoord, en hij knipte naar zijn adjudant. „Ik heb een lijst met Joden die niets mag overkomen”, zei Hitler, daaraan werd de naam ‘Andreas Liebeneiner’ toegevoegd.

„Dat is toch wat hè”, zegt Andreas. Liebeneiner die heeft bijgedragen aan zijn redding.

Als zij rond 1940 voor filmopnamen in Praag is, koopt Andreas’ moeder Klaus Manns boek Mephisto. Roman einer Karriere. Ze komt er zelf in voor als Angelika Siebert. Het boek is een nauwelijks verhuld portret van Gustaf Gründgens, een ster aan het Duitse toneel, intendant van het Staatstheater. Hij behield onder de bescherming van de nazi’s zijn status en carrière. Klaus Mann schildert zijn vroegere vriend en zwager af als iemand die zijn ziel verkoopt aan de duivel – Mephistopheles.

Lees meer over Klaus Manns Mephisto in dit NRC-artikel uit 2004: ‘Mann en Macht’

Gründgens is als het boek verschijnt een van de beste vrienden van Andreas’ moeder. „Zij gaf hem het boek”, herinnert Andreas zich. „Gründgens bladerde er doorheen en zei: ‘Ach der Klaus’. Maar het moet hem toch geraakt hebben.”

Klaus Mann (links) en Fritz Landshoff, halverwege de jaren dertig aan het strand van Zandvoort. Foto: archief Andreas Landshoff

In zijn boekenkast heeft Andreas een plank met ‘het complex-Gründgens’. „Ik ben lang met dat boek bezig geweest. Ik kon goed begrijpen waarom het voor mijn moeder een teer boek was. Het was ook háár leven geweest. Klaus Mann heeft dat te scherp geschetst. Dat vond mijn vader die Mephisto had uitgegeven ook, zei hij me later.” Andreas leest Mephisto na de oorlog, als zijn moeder twee jaar in Stuttgart werkt en Gustaf Gründgens een deel van hun huis huurt. „Hij was heel vriendelijk tegen mij. We ontbeten samen voordat ik naar school ging. Over het boek hebben we nooit gesproken.”

Veel later zal Andreas lang met de gedachte spelen een anti-Mephisto te laten schrijven. „Klaus Mann had met Gründgens afgerekend, omdat hij en zijn zus Erika het hun vriend kwalijk namen dat hij niet ook Hitler-Duitsland had verlaten. Maar wat heeft Gründgens precies fout gedaan? Hij was al lang en breed een gevierd acteur en theatermaker voordat de nazi’s aan de macht kwamen; zíj hebben zijn carrière niet gemaakt. Niemand kon bewijzen dat hij ook maar één mens heeft aangegeven of verraden. Hij hielp vervolgde kunstenaars, zoals de acteur en communistisch verzetsman Ernst Busch, die dankzij hem de doodstraf ontliep. Gründgens was zeker geen verzetsheld, maar ook geen uitbundig aanhanger van Hitler. Hij zat in dezelfde positie als mijn stiefvader, hetzelfde verhaal. Ze waren zelfs bevriend.”

Lees ook: ‘Ik veegde Goethe uit mijn haar’ – Andreas Landshoff in 2005 over een vuurzee die een belangrijke boekenverzameling verwoestte

Als de oorlog voorbij is, reizen Erika en Klaus Mann, die voor de Amerikaanse legerkrant Stars & Stripes werken, regelmatig naar Berlijn. Fritz Landshoff, die de oorlogsjaren in Amerika heeft doorgebracht, vraagt hen in New York om zijn zoon eens op te zoeken. „Hij had tien jaar niets van mij gehoord, dus hij dacht: zal Andreas een stramme nationaalsocialist zijn geworden?”

De Manns onderwerpen Andreas aan een kruisverhoor. Erika is heel fel: „Zat jij niet bij de Hitlerjugend?” Andreas antwoordt: „Dat zat ik niet. Ik was nog te jong.” Van Klaus Mann met zijn charismatische, geïnteresseerde en innemende persoonlijkheid is hij zeer onder de indruk. „Hij moet me wel hebben goedgekeurd, want we raakten bevriend.”

Uiteindelijk komt Fritz in 1947 zelf naar Berlijn om zijn zoon te zien. „Onwennig”, zo omschrijft Andreas die ontmoeting. „Elke volgende keer dat hij naar Berlijn kwam, ontdooiden we meer.”

Fritz probeert in Amsterdam Querido Verlag nieuw leven in te blazen. Emanuel Querido en zijn vrouw zijn vermoord in Sobibór. Zijn vriend Ernst Toller heeft in New York zelfmoord gepleegd, Klaus Mann een paar jaar later ook. De schrijvers die in de jaren dertig Querido Verlag nodig hadden om gelezen te kunnen worden, geven nu hun werk gewoon weer in Duitsland uit.

Dus begint Fritz opnieuw, in een klein kantoor tweehoog aan de Nes in Amsterdam, met een secretaresse. Hij geeft Amerikaanse kunstboeken uit in Europa. Als dat aanslaat, belt hij in 1954 Andreas die dan bij Kiepenheuer & Witsch in Keulen werkt: „Wil je mij twee jaar helpen in Amsterdam?”

„Ik verlangde ernaar meer tijd met hem door te brengen, hem beter te leren kennen”, zegt de zoon. „En nu woon ik hier nog steeds.” Hij spreekt van „a beautiful friendship. Mijn vader was een geestrijke, sprankelende maar ook sombere man.” Andreas veranderde zijn achternaam in Landshoff. „Je weet, vader en zoon – dat is niet altijd een ideale combinatie, maar wij kenden geen machtsspelletjes.”

Zijn moeder speelt nog tot 1991 in films. Ze blijft in Duitsland wonen, waar Andreas haar vaak opzoekt. Vlak voor zijn dood schrijft Fritz Landshoff zijn voormalige geliefde Ruth Hellberg een brief. „Ik wil je alleen maar zeggen hoe dankbaar ik ben dat jij me deze zoon hebt geschonken. Hij is de vreugde en steunpilaar van mijn ouderdom.”

Andreas Landshoff staat op. „Ik heb een druk leven gehad”, zegt hij. Hij wijst op de rijen kunstboeken in zijn kast. „Maar we hadden moeten voortzetten wat mijn vader begonnen was: een literaire en politieke uitgeverij. Dat hadden we moeten doen.”