Opinie

Aanleg voor speculeren

Column Cecile Janssens bekeek een studie naar de relatie tussen dna en ons gedrag tijdens de coronacrisis. Is genetische aanleg bepalend voor handen wassen?

Cecile Janssens

Vergeet vrije wil. Dna speelt zelfs een rol in wat we ergens van vinden, zo blijkt uit het Lifelines Corona-onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Mensen met meer genen voor hoge opleiding vinden vaker dat de reguliere zorg afgeschaald mag worden voor coronapatiënten en dat jongeren hun gang mogen gaan zolang ze zich maar aan de anderhalve meter houden.

De studie naar de effecten van genetica op ons gedrag en welbevinden tijdens de coronacrisis is onderdeel van een groot en langlopend onderzoek in Noord-Nederland. De 167.000 Lifelines-deelnemers kregen vanaf het begin van de pandemie regelmatig vragen toegestuurd over de coronamaatregelen en hun mentale en fysieke gezondheid. De antwoorden werden gerelateerd aan informatie over hun dna. De resultaten van het onderzoek zijn nog niet gepubliceerd maar werden deze week als preprint gepost op PsyRxiv, vergezeld van een persbericht. Ik ben een groot voorstander van het snel beschikbaar maken van onderzoeksresultaten, maar erg terughoudend over het voortijdig inlichten van de media. Bij een preprint is de kwaliteit van de studie nog niet getoetst en het is niet gegarandeerd dat de conclusies onveranderd blijven. Ook hier niet. Ik verwacht dat de beoordelaars ten minste twee belangrijke kanttekeningen zullen plaatsen.

Associatie is nog geen causaliteit

De onderzoekers schrijven dat erfelijke aanleg gedrag ‘beïnvloedt’ en dat ons welbevinden tijdens corona wordt ‘bepaald’ door dna. Ze suggereren daarmee dat de associaties causaal zijn, maar hebben dat niet onderzocht. Associaties zijn lang niet altijd causaal. Als mensen in bepaalde postcodegebieden gezonder zijn dan zeggen we dat gezondheid samenhangt met postcode of dat er een link is tussen de twee, maar niet dat postcode gezondheid ‘bepaalt’. Postcode beïnvloedt of bepaalt de gezondheid niet. Verhuizen naar een gezonder postcodegebied maakt de eigen gezondheid niet vanzelfsprekend beter. In observationele studies kunnen alleen uitspraken gedaan worden over associaties, niet over causaliteit. Ook niet als het gaat om dna. Post hoc, ergo propter hoc. Dat dna aan alles voorafgaat, betekent nog niet dat het alles mede veroorzaakt.

De onderzoekers bestudeerden niet een paar gerichte associaties, maar alle mogelijke associaties tussen 288 covid-gerelateerde vragen over hun gedrag, attituden en welbevinden en zeventien scores die een indicatie geven over onder andere de genetische aanleg voor obesitas, opleidingsniveau en ‘tevredenheid met het leven’. Van die bijna vijfduizend associaties waren er driehonderd statistisch significant. Sommige liggen zo voor de hand dat het verleidelijk is om ze causaal te interpreteren. Dat een genetische aanleg tot zorgen maken geassocieerd is met meer zorgen maken over de coronacrisis, bijvoorbeeld. Of dat de genetische aanleg voor depressie samenhangt met een slechtere mentale gezondheid tijdens corona. Maar daartegenover staan opmerkelijke associaties die causaliteit op z’n minst in twijfel moeten trekken, zoals dat mensen met meer genen voor hogere opleiding minder vaak twintig keer per dag hun handen wassen.

Met simpele associaties kom je niet verder dan speculeren. Voor conclusies moet je relaties verder onderzoeken. Is echt de genetische aanleg bepalend voor handen wassen? Of is er een andere reden waarom de genetische aanleg en handen wassen geassocieerd zijn? Voor dat laatste doet hoofd-onderzoeker en hoogleraar Lude Franke in NRC zelf een suggestie: thuiswerken. Mensen die thuis werken zijn vaker hoog opgeleid en hoeven minder vaak hun handen te wassen om besmetting te voorkomen. Dat klinkt plausibel. Om geloofwaardige uitspraken te kunnen doen over de rol van dna bij gedrag en welbevinden moeten op z’n minst zulke alternatieve verklaringen uitgesloten worden.

Minimale verschillen

‘De invloed van de genetica... is bescheiden, maar wel duidelijk zichtbaar”, zegt Franke. Met die duidelijke zichtbaarheid lijkt hij te verwijzen naar de statistische significantie van de associaties. Het manuscript beschrijft alle resultaten als p-waarden en geeft slechts een paar grafieken die helder illustreren hoe bescheiden die invloed is. Eén van de grafieken, overgenomen door NRC, laat zien dat mensen die meer genetische aanleg hadden om tevreden te zijn met het leven een hoger rapportcijfer gaven voor hun kwaliteit van leven. Het gemiddelde rapportcijfer van de mensen met de meeste genetische aanleg tot tevredenheid was 0,2 punten hoger dan de mensen met de minste aanleg. Een verschil van 0,2 punten op een schaal van 0 tot 10.

Zo’n minimaal verschil in kwaliteit van leven tussen mensen met de meeste en minste genetische aanleg is te verwaarlozen. Een containerbegrip als kwaliteit van leven laat zich niet nauwkeurig en zinvol meten met een rapportcijfer. En dat geldt ook voor de andere associaties. Er zijn weliswaar driehonderd statistisch significante bevindingen, maar de kwaliteit van de data, één globale vraag per variabele, staat niet toe om verregaande betekenis te hechten aan de minimale verschillen. De statistiek houdt geen rekening met de kwaliteit van de data. Je moet als onderzoeker op de rem trappen. Ik concludeer uit deze data dat dna geen rol speelt in coronagedrag en welbevinden. Zelfs geen kleine.

Cecile Janssens is hoogleraar translationele epidemiologie aan Emory University in Atlanta.