Opinie

Terug naar de Westerstraat, april 2020

Column Amsterdam

Auke Kok

Juist nu Amsterdam glundert van openheid en de zon het optimisme laat groeien als gras, daal ik af naar de kelder. Iemand moet het doen. Even het hedonisme vergeten en in complete afzondering in het duister teruggaan naar april 2020. Noem mij recalcitrant, maar wij mogen de eigenaardigheden van toen niet vergeten. Hoe langer je wacht met het noteren van je herinneringen, hoe meer ze vervagen, of zelfs oplossen, in de bovenaardse explosies van witte wijn en garnalenkroketjes. Opschrijven moeten we, onze petites histoires vereeuwigen.

Het is hier donker en stil. Fijn. Wat weet ik nog?

Het eerste beeld dat in mij opkomt is dat van de man uit zijn raam. Jaar of vijftig, schat ik, beetje kalend. Ik had een paar boodschapjes gedaan op de Westermarkt, die, als ik me goed herinner, gedeeltelijk open was. Kwam ik ineens een oude bekende tegen. Stonden we een tijdje met een tussenruimte van ik denk wel twee meter op de stoep met elkaar te praten. Begint die man ons van bovenaf toch uit te kafferen – niet normaal meer!

Of we soms gek waren geworden; of we geen kranten lazen

Nu denkt u misschien: dit gaat nergens over, maar het tegendeel is het geval. In de kleine historiën verschuilt zich al het grote. Meer concreet: in het kafferen van de man herkennen wij de totale wanhoop van ons allen op dat moment. In plat Amsterdams schreeuwde die kerel ons toe dat we daar niet moesten staan; of we soms gek waren geworden; of we geen kranten lazen, enzovoorts.

De oude bekende en ik keken vertwijfeld omhoog. Met de kennis van nu zou ik die man mogelijk recht in zijn gezicht uitlachen. Toen niet. Nog maar zes weken eerder was de eerste Nederlandse besmetting geconstateerd. Alles ging razendsnel. ‘Staatsman’ Mark Rutte kondigde de ene maatregel na de andere af. We waren onzeker over het virus, over alles eigenlijk, dus misschien had de kafferaar wel gelijk.

Hij had het maar ten dele. De oude bekende en ik stonden zo ver van elkaar af dat iedereen er veilig tussendoor kon. Het was in de buitenlucht, waarvan we nu weten dat er nauwelijks besmettingen plaatsvinden. We wasten onze handen stuk, we gingen angstig schuifelend over straat. Achteraf bezien overdreven.

En dan de avonden! De anders zo vrolijke Westerstraat lag er na zonsondergang net zo bedroefd bij als de rest van de Jordaan. Opgestapelde stoelen achter gesloten deuren tekenden de coronadepressie. Ze tekenden de ellende die Amsterdam, zo rijk aan horerca, diensten en cultuur, relatief hard trof.

Daarom sla ik het kafferen van die man op. Ik wil dat vasthouden. De paniek in zijn stem, de vrees voor het onbekende, het radeloze, de gruwelijke verhalen die rondgingen: alles voor het nageslacht. Naast de statistieken over eenzaamheid, ziekte en IC’s zijn ook de kleine verhalen belangrijk.

Ach ja, april 2020, toen we dachten dat corona ons op elke hoek van de straat kon vernietigen: gekke tijd was dat. Van de hele pandemie misschien wel de meest bijzondere.

Auke Kok is schrijver en journalist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.