Foto Merlin Daleman

Interview

Opeens zat de wethouder zelf in de bijstand

Esmah Lahlah Wethouder in Tilburg Esmah Lahlah zat vrijwillig in de bijstand, om dat zelf te ervaren. Nu weet ze: een ei kan al te duur zijn. ‘De situatie verlamde mij al na een maand.’

Ze is drie jaar wethouder in Tilburg en ze heeft een maand geleefd van een bijstandsuitkering. Om zelf eens te ervaren wat het betekent voortdurend met geld bezig te zijn. Het viel Esmah Lahlah (41) niet mee. „Je hakt alle dagen op in maaltijden. Mijn auto bleek in de eerste week te moeten worden gekeurd en daardoor liep ik al uit de pas. Ik ging de achterstand inhalen door de lunch te skippen en paprikachips te eten als avondmaaltijd. Mensen zeggen dat ik ook een ui en een ei had kunnen klaarmaken, maar een zak uien en een doos eieren zijn samen echt duurder. Ongezond eten is goedkoper dan gezond eten. Je bent voortdurend aan het nadenken. Ik zocht thuis lege flessen met statiegeld. De auto heb ik een maand laten staan, dat heeft me veel benzinegeld gescheeld. Ik had liever niet dat iemand bij mij op bezoek kwam want ik kon niets aanbieden. In de laatste dagen had ik nog 5 cent op m’n rekening. Dan is alles te veel. De post heb ik niet open gemaakt, bang dat er een boete of een rekening bij zou zitten. De situatie verlamde me. Ik kan me goed voorstellen dat als je heel lang in de bijstand zit, je er op een gegeven moment klaar mee bent. Dan ga je als alleenstaande moeder bij je ouders eten. En wat zegt dan de wet? ‘Dan heb jij minder bijstand nodig’. Zo zit je gevangen.”

‘We lieten mensen in de steek’

De partijloze wethouder Esmah Lahlah gaat het, met het college en steun van de Tilburgse raad, anders doen: ze willen uitkeringsgerechtigden niet langer bejegenen met wantrouwen, als mogelijke fraudeurs, als mensen die niet genoeg hun best doen om een baan te vinden. De gemeente wil inwoners met een bijstandsuitkering voortaan actief benaderen, uitgaande van het standpunt dat wie een uitkering aanvraagt, in feite hulp zoekt.

Esmah Lahlah maakt werk van een project waartoe de stad al vóór haar komst had besloten. „Na de vorige economische crisis, toen er weinig banen waren, was de voorkeur vooral te investeren in mensen met een uitkering die vrij snel een baan zouden kunnen krijgen. De mensen die meer en langdurig de aandacht vroegen, lieten we met rust. We vroegen een keer per jaar of er nog iets was veranderd in hun situatie. Ik zeg nu: we hebben deze mensen met hun kwetsbaarheden, maar ook talenten, in de steek gelaten. Als inwoners bij jou aankloppen voor hulp, wat kun je dan voor hen betekenen, hoe kun je recht doen aan hun talenten? We proberen, via persoonlijk contact en nabijheid, stappen te zetten naar meer gezondheid en welbevinden.”

Er is een lange weg te gaan, ontdekte ze zelf tijdens haar maand in de bijstand. Het begon al bij de aanmelding. „Die doe je digitaal. Je komt op een website waar het gaat over rechten, maar vooral ook plichten en fraude. Dan heb je nog niemand gesproken. Je moet een landelijk formulier invullen dat eindigt met een verklaring waarin je stelt dat als je niet alles naar waarheid en volledig hebt ingevuld, er een strafrechtelijke procedure kan volgen. Ook geef je toestemming voor onderzoek naar wat je hebt ingevuld. Ik schrok daar van. We denken nu na over hoe dat anders kan. De bejegening moet vriendelijkheid ademen. Vertrouwen. En niet: dit zijn mensen die zo veel mogelijk geld willen krijgen om niks te hoeven doen.”

Gepromoveerd op geweld

Lahlah, moeder van twee kinderen, werd geboren in Helmond, als een van drie kinderen van een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader. Mensen die haar kennen, meldt de gemeente in haar cv, noemen haar „maatschappelijk betrokken, analytisch sterk, toegankelijk en inhoudelijk gedreven”. Ze is wethouder in een coalitie van D66, VVD, GroenLinks en CDA waarvoor een extra, partij-onafhankelijke wethouder werd gezocht om een deel van het sociale domein te beheren. Haar portefeuilles zijn onder andere arbeidsparticipatie en bestaanszekerheid. Lahlah studeerde kinderpsychologie aan Tilburg University en promoveerde op de relatie tussen geweld en kindermishandeling in Marokkaans-Nederlandse gezinnen. „Het was in de tijd dat er veel discussie was over de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongens in de criminaliteit. De vraag was of huiselijk geweld een rol speelt bij die oververtegenwoordiging. Die relatie is er. Als je opgroeit in een gezin met veel geweld, is de kans groter dat jongens later vaker geweld gebruiken en meisjes ook in zo’n situatie van geweld terecht komen. Dan is de cirkel rond: want huiselijk geweld wordt vaak veroorzaakt door factoren van stress, waarvan armoede een heel belangrijke is.” Veel problemen, daarvan is ze overtuigd, ontstaan doordat bestaanszekerheid ontbreekt. „Mensen die lang in de bijstand zitten, en ook werkende armen, ervaren vaak weinig perspectief. De stress die overleven met zich meebrengt, kan ook een voedingsbodem zijn voor andere problemen. Bijvoorbeeld een hoger risico op huiselijk geweld en kindermishandeling.”

Overtuigd moslim

Esmah Lahlah woont in een strakke, rustig ingerichte nieuwbouwwoning in het nieuwe stadsdeel Reeshof van Tilburg. Veel grijs en zwart. Er staan een glimmende ijskast met ingebouwde camera – handig als je in de supermarkt staat en je voorraad wilt controleren – en een hypermoderne televisie die oogt als een geschilderd landschap. „Ik hou van gadgets”, lacht ze. Ze draagt een crèmekleurige hoofddoek en een rode japon met een sjaal. Een hoofddoek draagt ze altijd. „Ik sta voor het maken van eigen keuzes en voor jezelf zijn. Of je wel of geen hoofddoek draagt, moet je zelf kunnen kiezen. Ik laat met de hoofddoek iets heel persoonlijks zien. Dat ik moslim ben. Ik ben als moslim opgevoed. De islam staat voor mij voor een samenleving die voor elkaar zorgt, voor solidariteit en naastenliefde. Bij hoe ik in het leven sta, word ik door mijn persoonlijke interpretatie van de islam geleid. Dat geeft me houvast.”

Naar de universiteit gaan, leren, dat sprak in Helmond niet vanzelf

Ze heeft zich vrijwel nooit gediscrimineerd gevoeld om haar hoofddoek. Eén voorval herinnert ze zich levendig. „In mijn examenjaar solliciteerde ik bij een kledingzaak. Mijn zus werkte er en zei dat ze mensen zochten om kleding te sorteren. Mijn zus draagt geen hoofddoek, toen ook al niet. Ik had een heel fijn gesprek. Later werd ik gebeld dat ik het toch niet was geworden. Omdat ik ‘niet paste in het standaardbeeld van een normaal mens’. Ik kan de zin nog zo oplepelen. Terwijl ik dacht, kijkend naar de klanten die daar doorgaans kwamen: ik ben toch redelijk standaard. Even later kreeg ik trouwens een administratieve baan ergens anders waar ik twee keer zo veel verdiende.”

Tilburg telt zevenduizend huishoudens met een bijstandsuitkering. De bedoeling is dat ze alle een coach krijgen, een ‘klantregisseur’ die nagaat wat nodig is: psychische hulp, schuldhulp, verslavingszorg, een cursus, sollicitatietraining, een duwtje richting wijkcentrum. „Als iemand net z’n baan is kwijtgeraakt en is gescheiden, dan geef je die persoon misschien even rust. Je kijkt of er psychische hulp nodig is. En wat kun je bedenken om te zorgen dat iemand die de hele dag op bed ligt, naar buiten gaat? Of naar het wijkcentrum? Bij de één heb je maar twee gesprekken nodig en je gaat al richting sollicitatietraining, bij de ander duurt dat langer. Maar het helpt. Iemand wilde bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeur worden maar de drempel om echt naar school te gaan was te hoog. Tot de coach tegen hem zei: ‘Ik ga met je mee’. Die man heeft nu een baan. Hoe geweldig is dat?”

Buurtmoestuin

De nieuwe aanpak is sinds een jaar in voorbereiding. Wethouder Lahlah zou de Participatiewet van het Rijk drastisch willen hervormen. Ze voert er gesprekken over met Kamerleden. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft onlangs een voorstel gedaan voor een nieuwe opzet. Lahlah: „De Participatiewet geeft een prikkel om je te richten op de mensen die een baan vinden. Hoe sneller mensen uitstromen naar werk, hoe beter. Die perverse prikkels moeten er uit. De wet gaat ook uit van een verplichting om een baan te zoeken. Dat is niet correct. Je kunt niet een uitkering verlagen om mensen te stimuleren een baan te zoeken in de wetenschap dat dat niet voor iedereen is weggelegd. Bovendien gaat dat uit van wantrouwen. Van het idee dat mensen eigenlijk niet willen werken. Zo zitten mensen niet in elkaar. Mensen kunnen niet altijd leveren wat de samenleving vraagt. Het begeleiden van mensen die langdurig in een uitkering zitten, kost meer tijd en dus geld. Tegelijkertijd zetten deze mensen qua gezondheid en welbevinden veel stappen. Dat levert rendement op, bij een zorgverzekeraar, bij jeugdzorg. Daarom zeggen we: de geldstromen moeten anders lopen. Mensen moeten het gevoel krijgen: ik doe ertoe. Dat heeft effect op hun gezondheid en welbevinden. We hebben hier een buurtmoestuin vlakbij een verzorgingstehuis, waar veel ouderen naartoe komen. De huisarts in deze buurt zag ineens veel minder ouderen in de praktijk. Ze hadden minder klachten.”

De wethouder vindt dat talenten van mensen in een uitkering, ook als die niet in een gewone baan tot ontwikkeling komen, financieel beloond moeten worden. „Voor deze groep moet je een ander concept bedenken. Waar het iemand door omstandigheden niet lukt een baan te vinden, moeten we naar elkaar omkijken en voor elkaar zorgen. Mensen willen niet hun hand ophouden. Ze willen gewaardeerd worden. Laten we dus eens nadenken over een duurzame basisbaan. Er liggen taken genoeg. Eenzame ouderen bezoeken. Afval ruimen. Taken die andere banen niet verdringen.”

In de buurt in Helmond waar Lahlah opgroeide, stonden ambities niet in hoog aanzien. „Ik zag in mijn omgeving dat zoiets niet voor iedereen vanzelf sprak. Waar je wieg staat, definieert je leven, dat idee. Een groot deel van mijn omgeving had langdurig een uitkering. Er was weinig aandacht voor opleiding en scholing.” Haar ouders vormden een uitzondering. „Mijn vader was achttien toen hij vanuit Marokko naar Nederland ging. Daar was hij opgeleid als onderwijzer, hier ging hij productiewerk doen. Mijn moeder had graag willen leren, maar werd naar de huishoudschool gestuurd en was zestien toen ze trouwde. Mijn ouders vonden onderwijs voor hun kinderen belangrijk.”

Ze zegt dat ze geluk heeft gehad. „Leren ging me gemakkelijk af. Ik vond het ook leuk. Ik was een stuudje. Mijn ouders stimuleerden me. Dat wordt al anders als de mensen om je heen zeggen: ‘Dat heeft geen enkele zin.’ Een opleiding doen was in Helmond niet vanzelfsprekend. Naar de universiteit gaan ook niet. Ik kom uit een onderwijzersgezin. Ik was vast van plan de pabo te volgen. Op het laatste moment zei mijn vader: ‘Zou je niet naar de universiteit willen?’ Toen heb ik me onmiddellijk opgegeven voor kinderpsychologie. Ik had mezelf niet de ruimte gegeven daar over na te denken.”

Lees ook dit interview met demissionair minister Wouter Koolmees: ‘Het hele systeem moet menselijker’

Zoon en dochter

Haar jeugd en haar opvoeding hebben haar gesterkt in de overtuiging dat „iedereen gelijke kansen moet krijgen om zich optimaal te ontwikkelen”. Die overtuiging spreekt tegenwoordig niet vanzelf, zegt Lahlah. „De samenleving verhardt. Je bent succesvol en als je dat niet bent, ligt dat volgens velen aan jezelf. Terwijl dat niet zo is. Iedereen kan op bepaalde momenten in zijn leven iets meemaken waardoor het tij keert en alles ineens anders is. Ook ik heb die dingen meegemaakt. Ik ben een paar jaar geleden gescheiden van mijn eerste partner. Dat was niet zo’n fijne periode. Als ik op dat moment niet mijn ouders had gehad en een heel goede werkgever, de universiteit, die mij rust gunde, dan had mijn situatie zomaar anders kunnen zijn. Zo zijn er legio momenten in mijn leven geweest. Dat iemand belde en mij erop wees dat Tilburg een wethouder zocht.  Dat is geluk hebben. En dat gun ik iedereen.”

Voelt ze zich, ruim twintig jaar na haar afwijzing voor een baan om een hoofddoek, nog wel eens gediscrimineerd? „Voor mij persoonlijk geldt dat niet”, zegt ze. „Maar ik zie ook wel eens wat bij mijn kinderen. Ik heb een zoon met krulletjes en opgeschoren haar, met z’n trainingspak aan ziet hij eruit als ieder Marokkaans jongetje, en de samenleving reageert daarop. ‘Ga terug naar je eigen land’, heeft hij weleens te horen gekregen. Hij begreep dat niet. Mijn dochter hoort dat nauwelijks. Zij krijgt alle kansen. Er heerst blijkbaar de gedachte: moslimmeisjes moeten we emanciperen en bevrijden en kansen geven. Jongens worden vaak vervelend gevonden. Dat raakt mij wel. Je zou beoordeeld moeten worden om wie je bent als persoon en wat je brengt.”