Opinie

Het geloven waard

Ellen Deckwitz

Vandaag doe ik thee met de fanatiekste atheïst die ik ken, een dichteres van eind zestig. Na een jeugd vol zwarte kousen en zondagspreken zei ze de kerk gedag. „Denk je nooit meer aan het geloof?”, vraag ik als ze inschenkt. „Nou ja”, mompelt ze, „als ik aan de alcohol ga, voel ik opeens God afkeurend naar me kijken en dus drink ik maar niet.”

„Een soort fantoompijn van de Heilige Geest”, grinnik ik. Op de salontafel staat een foto van haar enige kind, een inmiddels stralende man van dertig. Als adolescent raakte hij vanuit het niets geobsedeerd met het katholicisme. Wat volgde waren moeilijke jaren voor moeder en zoon. Zij kon er met haar verstand niet bij dat iemand die nog nooit een dienst had bijgewoond, openstond voor iets wat in haar ogen complete onzin was. Inmiddels heeft hij zich laten dopen en bestudeert hij het jezuïtisme. Als ik vraag hoe het met hem is, haalt ze haar schouders op.

„Wel oké”, zegt ze.

„Het is toch bizar dat uitgerekend jij zo’n spiritueel kind kreeg.”

„Mja. Ik heb hem altijd voorgehouden dat God een verzinsel was waardoor de kindertjes en de vrouwtjes zich zouden gedragen. Misschien was ik te militant, want hij begon zich alsnog stiekem te verhouden tot religie. Waar de moeder van de doorsnee puberzoon onder zijn bed blootblaadjes vindt, vond ik de Bijbel.”

„Praten jullie er weleens over?”

„Niet meer.” Ze staart even peinzend voor zich uit. „Of nou ja, ik had hem zondag aan de lijn en hij vertelde dat er in de kerk weer mocht worden gezongen. Weliswaar met gedempte stem, maar hij was er zó ontzettend blij mee. Daar werd ik toch vrolijk van.”

Een gelovige kennis zei altijd dat ze het zingen tijdens de dienst het mooiste vond. Dat het een manier was om met de hele groep God te beminnen, en daarmee ook elkaar. Gezamenlijk een psalm half fluisterend ten gehore brengen, moet waanzinnig intiem zijn. Die zoon had vast een broeierige zondag.

„Soms vind ik het fascinerend, hoe dat jong zich plotsklaps bekeerde”, zegt ze. „Het was een verliefdheid die niemand zag aankomen.”

„Scheelt het dat hij een totaal andere stroming volgt dan waarin jij werd grootgebracht?”

„Natuurlijk. Ik heb soms ook het idee dat het niet zozeer God is die hij koestert, maar de ervaring van religie, als je begrijpt wat ik bedoel.”

Ze streelt zijn foto, en lacht zacht.

„Eigenlijk is het magisch”, zegt ze, „hoe er vanuit het niets liefde kan ontstaan. Dat is misschien dan toch het geloven wel waard.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.