‘Dieren om me heen hebben is prettig, die zeuren niet’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week Anita Wichers die liever met schapen is dan met mensen.

Foto Sake Elzinga

‘Schapen hoeden is geen therapie. Zo van, je raakt overprikkeld van het normale leven en dan kom je bij de kudde heerlijk tot rust. Mensen denken dat wel eens. Ze zeggen: de hele dag achter de schapen aan slenteren. Maar het is hard werken. En je moet altijd op pad, als het loeiheet, ijskoud is of giet van de regen. In de zomer is het romantisch, in de winter reumatisch. Ik ben al 25 jaar met de kudde.

„Ik was dertig en werkte al jaren in de kantine van een golfclub in Oldenzaal. Ik had het daar prima naar mijn zin. Hoe kun je werken tussen die kakkers, werd me gevraagd. Maar het was altijd gezellig. Toen moest de golfclub tijdelijk dicht en had ik geen werk. Ik vroeg de boswachter of ik zwerfvuil en prikkeldraad mocht opruimen. Ik was altijd al graag buiten, in de natuur.

„De boswachter vroeg of ik de schaapsherder niet kon helpen. Het was februari, de schapen gingen lammeren. Dan is het druk. Ik heb dat een paar jaar gedaan als vrijwilliger. Toen ging de schaapsherder op de Lemelerberg naar een andere kudde. Ik nam de kudde over en kwam in dienst van Landschap Overijssel. Eerst als hulpherder. Nu is het mijn vaste kudde.

„Mijn twee oudere broers en ik zijn opgegroeid met dieren in Vriezenveen. Ik had een fan-tas-tische jeugd. Mijn moeder was nooit chagrijnig. Mijn vader, zo’n schat. Helaas is hij overleden toen hij 64 was aan een hersenbloeding. Vriendjes en vriendinnetjes wilden altijd bij mij spelen. Je mocht bij ons thuis je schoenen aanhouden en mijn moeder bakte pannenkoeken of maakte macaroni. Met mijn vader keken we hoe de kuikens in de broedmachine uit het ei kropen.

„Je denkt misschien dat ik een introvert persoon ben, maar dat is niet zo. Ik geef lezingen over mijn werk als schaapsherder. Ik heb als twintiger bruidskleding geshowd in een bruidsmodezaak. Ik was slank, met lang donker haar. Ik vond dat mooi om te doen. Ik heb nog steeds een fancy voor mooie kleding. Ik ben geen rokjes- of jurkenmens, maar ik houd erg van kwalitatief goede colbertjes, jasjes en pantalons.

„Ik hoef niet constant onder de mensen te zijn. Ik ga wel vaak bij mijn moeder langs, ze is bijna 94. Ze woont nog thuis, mijn broer woont bij haar. Zij is mijn grootste vriendin. Altijd geweest ook. Verder heb ik geen vriendinnen. Dieren om me heen vind ik prettiger. Die zijn opgewekt en zeuren niet. Ik ga nooit uit en nooit naar feestjes of verjaardagen. Iedereen wil nu op het terras zitten. Dat hoeft van mij ook niet. Ik ben geen gezelligheidsmens. Kinderen heb ik nooit gewild. Ik ben altijd bezig. Ik moet er niet aan denken dat iemand tegen me zegt: ‘Ga nu eens zitten!’

Veel luxe heb ik niet nodig; ik heb geen tv of afwasmachine

„Sir Ewart William Gladstone en Jacky-Joyner zijn mijn grootste vrienden. Zonder hen kan ik niets met de kudde. Het zijn bordercollies. Ze zijn altijd bij mij. Airedale terriër Mac Kenzie heb ik erbij voor de gezelligheid, het is mijn favoriete hondenras. En dan is er nog Queen, de moeder van Jacky-Joyner, een rankhondje dat ik meeneem op warme dagen. Zij kan het best tegen de warmte. Een natuurtalent. Ze kan ook met de vrijwillige herders mee, die hebben geen eigen hond. Gladstone is ook een tophond. Als er schapen afdwalen zit hij er al achter. Jacky moet nog veel leren. Je moet geluk hebben met honden. Het is net als met mensen, ze hebben een eigen karakter, energie en pit.

„Ik ben lang met mijn moeder en jongste broer in het ouderlijk huis blijven wonen. Op een gegeven moment kwam er een houten huisje beschikbaar aan de bosrand, niet ver van de schaapskooi. Ik was veertig en dacht: nu is het tijd voor iets voor mezelf. Veel luxe heb ik niet nodig; ik heb geen tv of afwasmachine. Ik besteed wel geld aan mijn auto, een Landrover Defender. Mijn gouden koetsje. Het is een oude maar hij past mij als een jas. En als er een schaap ziek is of dood, dan leg je die zo in de achterbak.

„Ik ben zo’n acht uur met ze op pad per dag. Dat is ook wel nodig want ze moeten voldoende tijd hebben om te eten. En kijk maar hoe schraal de begroeiing is op de Lemelerberg, vooral heide en jeneverbes. Vanaf mei worden ze niet bijgevoerd. Voor grasschapen is het een heel ander verhaal. Die kunnen doorvreten en zijn na de zomer moddervet. Maar ze ruiken niet lekker. Deze schapen hebben een heerlijke geur.

„355 schapen heb ik nu. 80 rammen. Kijk hoe mooi ze zijn, die Veluwse Heideschapen. Zie je die ronding van de kop, die lange, volle staart? Dat maakt het ras zo mooi. Hoog op de benen. Ze horen wit te zijn, maar we hebben ook een paar donkere. Er zijn acht kuddes Veluwse heideschapen. Aan het begin van de zomer wisselen we rammen uit. Zo voorkomen we inteelt. De zeven knapsten van mij gaan weg en daar krijg ik de zeven knapsten uit een andere kudde voor terug.

„In september mogen de heren met de dames meelopen. Het resultaat is lammeren in februari. Dat is vroeg, maar dat rekenen we zo uit. Want als de kudde gaat grazen in april dan kunnen de lammeren mee.”

Aanmeldingen: ditbenik@nrc.nl