Recensie

Recensie Boeken

De ‘zotheid’ van een intelligente vrouw

Virginie Loveling Haar heruitgegeven roman Een revolverschot uit 1911 gaat over de sparteling van een intelligente vrouw in haar strijd om te kunnen bestaan. Ze eindigt als ‘zottin’.
Getty

Laat ik maar bekennen dat ik tot een jaar geleden nog nooit van Virginie Loveling en dit werk had gehoord. Het lezen ervan voelde als stuiten op de missing link. Een boek waarvan je beseft dat het je een hele tijd heeft ontbroken en dat het nodig is om (veel) ander werk te duiden of erop te kunnen reageren. Het is een revolverschot.

Virginie Loveling (1836-1923) leefde in Nevele en Gent. Ze was een veelgeprezen, veelgelezen schrijfster van gedichten, romans, novellen, kinderboeken en essays, die zich als progressieve intellectueel, en ook in haar literaire werk, veelvuldig uitsprak tegen de katholieke dominantie in het onderwijs en het negeren van de prestaties van vrouwen. Ze ontving de Vijfjaarlijkse prijs voor de Nederlandse Letteren voor de roman Een dure eed (1891) en schreef vele boeken en het indrukwekkende Oorlogsdagboeken.

Een revolverschot, voltooid in 1905 (zij was toen 70) en uitgebracht in 1911, wordt beschouwd als een hoogtepunt in haar oeuvre. Het vertelt het verhaal van de zussen en notarisdochters Marie en Georgine Santander, die na de dood van hun ouders, beiden in goeden doen, in het ouderlijk huis in het dorpje Vroden wonen, tegenover de eveneens bemiddelde muziekmeester Luc Hancq. De man voor wie zij beiden gevoelens opvatten. Waarna het leven van het drietal een horrorachtige wending neemt tot aan het punt dat Marie te Vroden enkel nog bekend zal staan als ‘zotte Marie’.

Hysterisch

Wie is niet gewend aan de opvoering van ‘aan waanzin’ ten prooi gevallen vrouwen in film, beeldende kunst en literatuur, vol ‘hysterie’ en grilligheid? Vaak leren we ze kennen door de blik van een verwonderde, gepijnigde, argeloze verliefde. Niet zelden een mannelijk personage dat zich geen raad weet, maar ja; seksuele aantrekkingskracht. Of bij monde van een schrijver die het feeksengedrag analytisch, vol kloeke beschouwing naar het licht draait. Bij schrijfsters bestaat het gevaar dat het werk in onzorgvuldige lezing en receptie ook nog wordt losgezongen van de maatschappelijke context, de problemen en pijn van personages geïndividualiseerd, teruggebracht tot persoonlijke zwakte of een genetisch en moreel defect.

Loveling stelt hier iets tegenover, een blik in de binnenwereld van Marie, die weliswaar voor de anderen als ‘zottin’ eindigt, maar die voor de lezer een beeld van een vrouw oproept met al haar complexiteiten, verlangens, ambivalenties, gevoeligheden en behoefte aan erkenning.

Een revolverschot maakt een reducerende lezing van de ‘zottin’ bijna onmogelijk. Loveling biedt alle ruimte tot interpretatie, maar één ervan is uit te sluiten: dat de zussen Santander in de kern gemankeerd zouden zijn, en Marie in aard en wezen totaal mataglap.

In een briljant geslepen structuur en met een meesterlijke inzet van perspectief neemt ze ons terug naar de tijd dat zottin Marie nog gewoon Marie met de zwarte ogen was. De ‘helpster van al wie lijden’, en ‘een klein ding’.

Aanschouw Vroden, de fictieve versie van Nevele, waar Loveling zelf woonde. Eerst is er de gearmde wandeling van de zussen met Luc Hancq, die hen op oudejaarsavond tot over het gruwzame Galgenveld ‘de plaats waar in vroeger tijden de galg oprees en de lijken der gehalsrechten op het rad tot aas voor de roofdieren lagen’ naar huis begeleidt. Dan de bezorging van een heuse revolver door Luc, wapenverzamelaar, zodat de zussen zich zo nodig zullen kunnen verdedigen. Luc leert hen schieten en het drietal vermaakt zich in het schuurtje met ‘piefpafpoef’. De sfeer is lichtzinnig, maar het boek draagt niet voor niets de titel Een revolverschot. Er hangt onheil in de lucht.

Georgine, de jongste, is groot, lang, vet, anders dan tegenwoordig een teken van begeerlijkheid. Marie, de elf jaar oudere, is donkerharig, klein, mager, nauw verbonden met het verleden, het ‘andere’, de Spaanse invloeden in het dorp. Ze is het kind met een weerbarstig karakter dat toen nog mocht bestaan. Prachtig beschrijft Loveling de weerstand van jonge Marie tegen het pasgeboren zusje, ‘met sombere blik wendde zij er het hoofd van af, toen het wicht haar voor ’t eerst door de baker werd getoond’. Er is sprake van ‘nijd en wrok in ’t hart tegen het kleine schepsel, dat zich tussen haar en haar ouders drong’.

Shakespeare

Maar de angst te worden achtergesteld vloeit weg, de liefde voor het zusje groeit. En bij de eigenzinnige Marie ontwikkelt zich een nieuwe kant, ze bezit een gave voor het verzorgen en bijstaan van zieken. Niet boekenwijs heeft ze kennis van kruiden en planten en weet ze hoe ze die moet mengen. Ze verwijdert splinters, brengt kompressen aan. Het wordt gewaardeerd. In het dorp en op het land weet iedereen met builen, brandwonden en zweren de notarisdochter te vinden.

En zo tekent Loveling aan de ene kant Vroden, met de niet onprettige beklemming en opeenvolging van taken, verplichtingen, regels. De wisseling der seizoenen. Met vaste momenten voor feest en ontspanning, rouw en afscheid, bruiloft en geboorte. En de vaste waarneming en beoordeling van mensen. Alles hecht in de dorpse wereld ingebed. En voert ze ons aan de andere kant, in diepe verkenning en in een dans van genres – een Shakespeareaans drama, een pastorale, een gothic novel tot een naturalistische roman – het woelige innerlijk van Marie binnen tot aan de oorsprong en groei van wat de buitenwereld ziet als vreemdheid, overmoed. En toont ze ons hoeveel daarvan verbonden is met Marie’s verlangen naar zelfverwezenlijking en erkenning. Het gaat niet over gekte, het gaat over de verliezer worden, en dat steeds duidelijker, met groeiende weerzin en protest onder ogen zien.

Want Marie, en heel Vroden, begrijpt dat haar levenspad zich snel verengt. Zeker met opgroeiende Georgine, die in alle opzichten voldoet aan de benepen smaak van de gemeenschap. Terwijl Marie, met kwetsend gemak tot overschietsel benoemd, niet gezien wordt als mooi. Men zegt het met botheid. Alleen Luc gaat op een avond, waar er in een gezelschapsspel een vergelijk tussen de zussen plaatsvindt, in tegen de uitspraak dat Georgine de aansprekendste zou zijn. ‘Wie heeft er de schoonste ogen van de hele wereld?’ Er volgen momenten, steeds buiten het oog van de gemeenschap, op een toren, in een koets, waardoor Marie zich in het geheim maar met goede redenen van zijn liefde overtuigd weet (voortreffelijk zet Loveling hiervoor haar verteller in). Maar Luc richt zich tegelijkertijd tot Georgine.

Hoe zit dat nu? Is het gaslighting? Wil hij haar wel of niet? Kan het bestaan? Wat als het niet kan zijn? En dan is er de vraag die Loveling zorgvuldig en buiten het zicht van Marie voor de lezer opwerpt: is het de knieval voor de druk van de gemeenschap, of wijst hij Marie uit zichzelf af?

Oude-vrijstersleven

Hier is het dat Loveling ons het verborgen narratief geeft. Het taaie gevecht. De sparteling van de intelligente Marie om te kunnen voortbestaan. Er in geest en lichaam te kunnen zijn. We snappen dat haar nood groeit. Haar vrees om over te schieten. Het schrikbeeld, ‘get thee to a nunnery’, klooster of oude-vrijstersleven. In de schaduw. Niet gezien, niet gekend.

Want Hancq én Marie blijken in de eng denkende gemeenschap ondenkbaar. Dat Marie het zou kunnen wensen en Luc het zou kunnen willen is ridicuul. Een grap. Het komt tot uitdrukking in de woorden van Trientje, het dienstmeisje, als Marie haar toeroept dat Hancq haar ook graag ziet. Gij zijt de hond, zegt ze. ‘Ge weet immers wel dat wie ergens te vrijen gaat, zelfs de hond van ’t hof gaarne ziet, ge zijt de hond van ’t hof…’, daarmee het mes in haar hart omdraaiend.

Zodat, als Georgine roept dat ze met hem verloofd is, Marie’s verbindingslijn met de wereld knapt.

Marie en Luc. Marie en Georgine. Georgine en Luc. Luc. Te zijn of niet te zijn.

Met grote gevoeligheid laat Loveling zien dat die lijn knapt omdat haar omgeving die mee aan stukken trekt. Marie is ongezien. Haar pijn bestáát niet voor anderen. De nu volgende woelingen in haar innerlijk, geest en hart, zijn voor de buitenwereld zelfs zo onvoorstelbaar dat ze in haar razende, Raskolnikoviaanse gedachtenwervelingen geen moment hoeft te vrezen dat men haar in een andere rol of op een andere positie zal denken dan eerder toebedacht. Los van de vreselijke gebeurtenissen die zich nu in hoog tempo voltrekken en die, in schitterende taal beschreven, je de haren te berge doen rijzen. Ze is letterlijk en figuurlijk een vreemde. Alleen Luc en Georgine kennen haar een beetje.

De gekkin

Steeds zijn er ook andere krachten, is er die onderstroom van duistere elementen die we kennen uit de gothic novels van Ann Radcliffe, Emily Brontë, Mary Shelley en vele andere schrijfsters die het bovennatuurlijke en de horror hebben gebruikt om te kunnen schrijven over de werkelijkheidservaringen van vrouwen.

Loveling gaat door en verder, trekt het ik van Marie ook de alledaagse werkelijkheid in en laat al het gruwelijk (het op een gruwelijke manier) dáár bestaan, naast en tussen het gemoedelijke leven, alsof ze zeggen wil dat de Maries zich gewoon onder ons bevinden.

Uiteindelijk is Marie een levende dode, een schim van zichzelf. Zottin Marie. Passend in dat eeuwige verhaal van de dorpen, de kleine gemeenschap. De dokter, de pastoor, de burgemeester, de agent, de boer, de meid, de dorpsschone, de flierefluiter, de burger, de gekkin…

Met Marie Santander schiep Loveling een smeulend, levend karakter. Een personage in wie de krenkingen van vele vrouwen, al hebben die soms met andere zaken te maken, hoog liggen opgetast. Haar Marie is onvergetelijk, en met deze nieuwe uitgave hoop ik voorgoed uit de kelderruimte van de literatuur gehaald.