Opinie

De dag beginnen met een glaasje wodka

Michel Krielaars

Afgelopen maandagochtend stierf A.L. Snijders (pseudoniem van Peter Müller). Tijdens het tikken van een zeer kort verhaal (zkv) had hij thuis, in de Achterhoek, een hartaanval gekregen. Een mooie dood voor een schrijver van drieëntachtig, dacht ik eerst. Maar algauw sloeg de droefheid toe, omdat ik van Snijders had verwacht dat hij veel ouder zou worden. Dat komt door zijn grootvader. In het zkv ‘De geur van ontbijt’ uit zijn nieuwste bundel Tat Tvam Asi las ik dat die in de negentiende eeuw altijd grote voetreizen door Europa maakte. Van een Duitse boer had hij geleerd dat je aan het begin van de dag altijd een glaasje wodka moest drinken, wat hij de rest van zijn leven zou blijven doen. Die grootvader was nooit ziek, wandelde tot zijn negentigste en stierf acht jaar later na een val van de trap. Zijn jongste zoon kwam overigens kort voor zijn 100ste verjaardag op een zelfde manier aan zijn eind.

Dat zkv leest als een verhaal van de jonge Anton Tsjechov in de Russische editie van De Berkelbode. Eerst een beschrijving van het broeierige weer, dan iets vreemds zoals het verhaal van die grootvader, gevolgd door een kleine portie wanhoop en een luchtig einde. Precies dat maakt zowel Tsjechov als A.L. Snijders tot zo’n bijzondere schrijver.

Sinds dat doodsbericht van maandag voel ik me verweesd en dat is natuurlijk idioot. Want ik ken hem helemaal niet, ook al weet ik uit die zkv’s veel van wat hij deed en dacht. In oktober zou dat veranderen, omdat ik dan in Lochem met hem zou optreden tijdens het jubileumfeest van zijn lokale boekhandel Lovink, die dan 175 jaar bestaat.

Ik had hem dan willen zeggen dat hij al tien jaar een onzichtbare vriend van me was. Iedere zondagochtend zat ik tenslotte om kwart voor negen klaar om naar zijn nieuwste zkv te luisteren, dat hij op Radio 4 voorlas. Soms begreep ik er niets van, maar vaak bezorgde hij me een glimlach en een aangenaam gevoel van melancholie. Voorafgaand aan dat voorlezen maakte hij altijd een praatje met presentator Niels Heithuis. Ze namen elkaar dan in de maling, alsof ze daarmee wilden zeggen dat je het leven niet al te serieus moest nemen.

De afgelopen weken vertelde Snijders hem over zijn tijd als leraar Nederlands op de Politieacademie en over het Songfestival. Vooral ‘dat meisje uit België’ vond hij leuk, zei hij.

Behalve dat ik graag naar Snijders luister, deel ik mijn jeugd in de Amsterdamse Rivierenbuurt met hem, al schelen we een kwart eeuw. Zo speelde ook ik in het Beatrixpark, verbaasde ik me net als hij over het weeshuis bij de RAI waar nooit een wees te bekennen was en zaten we in hetzelfde klaslokaal.

Afgelopen zondag vertelde Snijders op Radio 4 over de Boekenweek, die hem naar Zutphen, Hengelo, Almelo, Deventer en Nijmegen had gevoerd om over zijn nieuwe bundel te praten. ‘Het vreet aan je en geeft ook veel plezier’, zei hij daarover. Ook vertelde hij een oude man te hebben ontmoet die er zeker van was dat hij, Snijders, niet bestond. Zelf dacht de schrijver dat het kwam omdat hij een pseudoniem gebruikte. Maar volgens die man had dat er niets mee te maken. Hij bestond gewoon niet. En omdat Snijders het fascinerend vond met iemand te praten die hem niet liet bestaan, had hij heel lang met die man gesproken. ‘Dat maken misschien maar heel weinig mensen mee’, zei hij over die ontmoeting. Toen de dood maandag bij hem aanklopte, was hij net begonnen aan een zkv over die man. Hij had al zes zinnen op papier.