Recensie

Recensie Boeken

Iedereen zou dit boek over een verlaten uithoek van Europa moeten lezen

Balkan Irene van der Linde en Nicole Segers reisden vijf jaar lang over de Balkan. Met als resultaat een fascinerend boek over een regio, waar ieders laatste hoop op de EU is gevestigd.

Jongeren in het plaatsje Gusinje in Montenegro, op de grens met Albanië.
Jongeren in het plaatsje Gusinje in Montenegro, op de grens met Albanië. Foto Nicole Segers

Bloed en honing, oftewel in het Turks bal en kan. In het Ottomaanse rijk maakten de Turken met die woorden een grapje over de regio waar ze eeuwenlang heer en meester waren. Daarom ook hebben journalist Irene van der Linde en documentair fotograaf Nicole Segers hun boek Bloed en honing genoemd, met als ondertitel Ontmoetingen op de grenzen van de Balkan.

Het is een mooi staaltje slow journalism, waarin je wordt meegenomen naar een uithoek van Europa waar de tijd op het eerste gezicht stil staat. Hoop op een betere toekomst is er ver te zoeken, ook al is er sinds de Joegoslavië-oorlog van de jaren negentig veel veranderd.

Van der Linde laat dat aan de hand van haar lange reportages over het dagelijks leven van gewone mensen overtuigend zien, terwijl de foto’s van Segers een weldadige aanvulling op haar tekst vormen. Die wisselwerking tussen woord en beeld, waarbij ook nog eens gevarieerd wordt in de typografie, maakt hun fraai vormgegeven boek dan ook heel bijzonder.

Beide journalisten hebben zich voor Bloed en honing laten leiden door Black Lamb and Grey Falcon, het fameuze verslag van de Balkanreis die de Britse schrijfster Rebecca West in 1937 maakte. Ze citeren daar vaak uit, wat hun eigen boek een diepere laag geeft. Met name omdat West in 1937 al overal de onderlinge haat waarnam tussen de verschillende volkeren, de Serviërs en Kroaten voorop, die toen nog vreedzaam met elkaar samenleefden, maar elkaar op zijn tijd zouden afmaken.

In dat kader behandelen Van der Linde en Segers ook de discussie die zich eind jaren negentig ontspon toen Richard Holbrooke – de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en architect van het Dayton-akkoord dat in 1995 een einde maakte aan de Bosnië-oorlog – in zijn memoires Rebecca West pro-Servisch noemde, terwijl ze naar eigen zeggen juist tegen het Servisch nationalisme was. Wel zag West de eenwording van Joegoslavië als de beste manier voor de Zuid-Slaven om met elkaar samen te leven en zich te kunnen weren tegen de grootmachten die op hun grondgebied uit waren. ‘It’s precisely because there are so many different peoples that Yugoslavia is so interesting’, schreef ze toen ze in het Macedonische Skopje Albanezen, Turken, Roma en Macedoniërs in harmonie met elkaar zag samenleven.

Rode draad

De verstoorde harmonie op de Balkan in de oorlog van 1991-2001 lijkt de rode draad te zijn in Bloed en honing. Dat is ook vrij logisch, want tot de dood van president Tito in 1980, die Joegoslavië sinds 1945 met harde hand bijeen had gehouden, was er niet zoveel mis. Net als in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog trouwden veel Kroaten, Serviërs, Albanezen, Slovenen, Montenegrijnen, Joden en Bosnische moslims vaak met elkaar en was van etnische tegenstellingen geen sprake.

Het Kroatische eiland Rab. Foto Nicole Segers

Pas toen in 1989 de Servische leider Slobodan Milosevic het Servische nationalisme aanwakkerde, ontspoorde die vreedzame samenleving. Oude spanningen, daterend uit de 19de eeuw, kwamen ineens naar boven. Etnische scheidslijnen maakten vervolgens iedereen tot elkaars tegenstander.

Het geweld kwam tot een uitbarsting na de herdenking van de slag op het Merelveld in Kosovo, waar de Serviërs op 28 juni 1389 een nederlaag tegen de Turken leden. Het Merelveld en die 28ste juni vormen dan ook een tweede rode draad in dit verhelderende en goed geschreven boek, dat vooral een geschiedenis is van gewone mensen. Zo ligt de nederlaag tegen de Turken ten grondslag aan de Servische haat jegens de Bosnische moslims en is de 28ste juni ook de dag waarop in 1914 in Sarajevo de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand door de Bosnisch-Servische vrijheidsstrijder Gavrilo Princip werd vermoord. ‘Bij ons gebeurt alles op 28 juni’, zegt iemand in het boek.

Van der Linde en Segers maakten hun reis tussen 2012 en 2017 in vier lange etappes. Hun verslag begint op de grens van Kroatië en Servië, in de stad Dalj aan de Donau. De bevolking is er gemengd. De vissers die ze er spreken hopen dat Servië zo snel mogelijk lid wordt van de EU, die stabiliteit en welvaart moet brengen, zoals de Habsburgse monarchie dat voor 1914 deed.

Stapeltje paspoorten

Veelzeggend is het bezoek aan twee broers uit een vooraanstaande moslimfamilie in Sarajevo. In de kelder van hun ouderlijk huis hebben ze de werkkamer van hun grootvader, een beroemde Bosnië-historicus, nagebouwd. Ineens haalt een van hen een stapeltje paspoorten te voorschijn: zijn eigen van de huidige Republiek Bosnië-Herzegovina, dat van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië, dat van zijn vader uit het koninkrijk Joegoslavië, dat van zijn grootvader uit het koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, dat uit de tijd dat Oostenrijk de dienst uitmaakte, en het paspoort van hun overgrootvader uit de Ottomaanse tijd. Het is een bijna literaire verbeelding van hoe de veranderende grenzen iemands lot kunnen bepalen.

Voor moslims zoals de twee broers was het leven nog het beste in die Federale Republiek, zegt een van hen, ook al mochten Bosnische moslims en Albanezen geen officiële functies bekleden. Het is realistische Joegoslavië-nostalgie, die inmiddels is omgezet naar een algemeen verlangen naar een EU-lidmaatschap. Ook omdat alleen op die manier voorkomen kan worden dat veel jongeren naar een EU-land wegtrekken om werk te zoeken.

De nasleep van de oorlog van 1991-2001 komt in Bloed en honing uitvoerig aan bod. Zo constateren Van der Linde en Segers in de steden Banja Luka en Visegrad dat die vóór de oorlog van 1991-2001, net zoals de meeste andere steden in Bosnië, een gemengde bevolking hadden, maar dat er nu alleen nog maar Serviërs wonen. Alle moslims en Kroaten zijn verdreven of vermoord.

Ultranationalisme

In Kosovo laten ze zich niet misleiden door het overheersende cliché van de goede Albanezen en de boze Serviërs. En dat is knap, omdat de Balkangeschiedenis nog altijd door zulke clichés wordt overheerst.

In het dorp Ukmemet op de grens met Kosovo, in de Servische Preševo-vallei. Foto Nicole Segers

Aan het einde van hun boek maken Van der Linde en Segers korte metten met de droom van een Groot-Albanië, waarin het land alle gebieden in Macedonië, Servië, Montenegro en Kosovo die het in 1913 verloor, zou moeten terugkrijgen. Terecht merkt een jonge Albanese kunstenaar op: ‘Zal het dan beter met de mensen daar gaan?’

Als ze dan ook nog het huidige gevaar van de ultranationalisten in Servië en Macedonië benadrukken, die een muur tussen de verschillende bevolkingsgroepen willen optrekken, besef je dat iedereen dit boek zou moeten lezen. Ook als je niet wilt dat de EU, die steeds meer door een vergelijkbaar ultranationalisme wordt ontregeld, hetzelfde zal meemaken als Joegoslavië in de jaren negentig.

Bloed en honing is journalistieke geschiedschrijving van een hoog niveau over gewone mensen die hun land niet opnieuw te gronde willen zien gaan door het onverantwoordelijke handelen van hun corrupte leiders. Zolang de EU de deur gesloten houdt, is dat nostalgische terugverlangen naar het Joegoslavië van Tito dan ook niet zo vreemd.

Foto’s uit Bloed en honing zijn momenteel te zien in Museum Het Valkhof in Nijmegen t/m 16 september.