Tony Iommi en Ozzy Osbourne van Black Sabbath in Londen, 1978.

Foto Pete Still / Getty Images

Interview

Black Sabbath-gitarist Tony Iommi: ‘Eenvoud is de oorsprong van alles’

Tony Iommi „Simpele dingen zijn vaak het best”, zegt gitarist Tony Iommi (73) over het succes van Black Sabbath. Maar er is nog een belangrijke factor: kameraadschap. „We leefden in elkaars broekzak en deden alles samen. Zo word je broers.”

De oerknal van de heavy metal was even magisch als meedogenloos. „Ik ga vanmiddag niet meer”, had de zeventienjarige Tony Iommi tijdens de lunchpauze tegen zijn moeder gezegd. Hij was er klaar mee en had al ontslag genomen om als gitarist met zijn nieuwe band The Birds & The Bees op tournee te gaan door Europa. Die laatste middagdienst als lasser in een van de vele staalfabrieken in het Britse Birmingham kon hem gestolen worden.

Niks daarvan, beval zijn moeder: „Iommi’s maken altijd alles netjes af.” Dus ging Tony nog één keer naar de fabriek, waar hij de plek van een collega moest overnemen achter een zware metaalpers die met oorverdovend gebeuk het staal tot platen sloeg en afsneed. Na een fataal moment van onoplettendheid gebeurde dat ook met zijn ring- en middelvinger.

Het ongeluk zou een onuitwisbare invloed op de rockgeschiedenis hebben. Want hoewel dokters voorspelden dat Iommi zonder de twee vingertoppen nooit meer gitaar kon spelen, knutselde hij zelf protheses in elkaar (een soort vingerhoedjes van plastic en leer) waarmee hij toch de snaren kon indrukken. Zo ontwikkelde hij een geheel eigen stijl en geluid die tot volle wasdom kwamen toen hij met maten en stadsgenoten Geezer Butler (bas) en Bill Ward (drums) zware, trage bluesrock begon te spelen, die evolueerde tot onheilspellende protometal.

In die duistere en soms ronduit enge nummers zong Ozzy Osbourne – een opgetrommelde stadsidioot die zich later ‘Prince of Darkness’ noemde – over angst, oorlog en de duivel. De naam leenden ze van een horrorfilm: Black Sabbath.

Vergeleken met vingervlugge racepartijen van tijdgenoten en virtuoze gitaarhalsballerina’s als Richie Blackmore (Deep Purple) en Jimmy Page (Led Zeppelin) hadden Iommi’s bijtende riffs in ‘Iron Man’, ‘War Pigs’ en ‘Paranoid’ weliswaar minder poespas, maar ze waren des te doeltreffender.

Zo groeide Black Sabbath uit tot de ultrapioniers die met hun eerste acht platen (gemaakt in acht jaar tijd) een blauwdruk afleverden waarmee werkelijk alle heavy genres aan de haal zouden gaan. Om die nalatenschap te vieren wordt het gehele oeuvre nu opgepoetst, geremasterd en opnieuw uitgebracht inclusief extra live-opnames, studio outtakes en oefensessies. Dit voorjaar verscheen een heruitgave van Vol. 4 (1972), vrijdag verschijnt de ‘Super Deluxe’ box-editie van Sabotage (1975).

Eer

Het contrast tussen de twee platen is groot. Vol. 4 verscheen in het tijdperk van onuitputtelijke weelde en oneindig hedonisme: in de klassieker ‘Snowblind’ verraadde Sabbath zoveel coke te snuiven dat ze er letterlijk sneeuwblind van werden. Drie jaar later was die losbandigheid vervangen door grote onzekerheid: de band bleek gigantisch te zijn getild door het management en het conflict daarover verzandde in een juridische loopgravenoorlog. Tussen de gevechten door wist de band een belangrijk album te maken, waarvan het nummer ‘Symptom of the Universe’ voor velen geldt als de geboorte van de speed- en thrash metal.

‘Ik heb van zoveel bands gehoord: zonder jullie zouden wij niet bestaan’

„Dat is een grote eer”, zegt Iommi (73) aan de telefoon vanuit zijn huis in Evesham, iets onder Birmingham. „Het is prachtig als anderen inspiratie uit je werk halen. Ik heb van zoveel bands gehoord: ‘Zonder jullie zouden wij niet bestaan.’ En het vreemde is, behalve bands als Metallica of Soundgarden zijn het artiesten van wie je dat nooit zou verwachten. Ook rappers blijken fan te zijn: Ice T bijvoorbeeld, en P. Diddy – of wat zijn naam inmiddels ook moge zijn. Verrek, denk ik bij zo’n ontmoeting. That’s weird!”

Wat betekent ‘Sabotage’ voor u?

„Het was een verdomd moeilijke tijd. We zaten voortdurend in de rechtbank, maar we wisten niets van juridische zaken, en moesten ook nog een pak met stropdas aantrekken! Zodra er weer een zitting was afgelopen, raceten we naar huis, kleedden ons snel om en trokken de deur van de studio dicht om weer onszelf te worden.”

In zijn autobiografie klaagt Ozzy dat de opnames van ‘Sabotage’ „vierduizend jaar” duurden.

„Hij is iets minder geduldig dan ik. Maar het had natuurlijk te maken met wat we allemaal doormaakten. Het was vreselijk, maar het heeft ons ook dichter bij elkaar gebracht. Het was wij tegen het establishment.”

Gebruikten jullie die strijd ook als inspiratiebron?

„Het heeft er zeker voor gezorgd dat we extra agressie in de muziek stopten. En het nummer ‘The Writ’ (de dagvaarding, red.) gaat natuurlijk over het conflict. Er kwamen ook echt advocaten naar de studio met dwangbevelen. Het was heel chaotisch om telkens van gedaante te moeten verwisselen en je daarna weer af te sluiten.

„De titel ‘Sabotage’ slaat niet alleen op de rechtszaken. Er ging ook een hoop mis in de studio. Het lukte bijvoorbeeld maar niet om ‘Thrill of it All’ op te nemen. Toen we eindelijk een goede versie hadden, waren we dolblij. Maar de volgende dag moest wéér alles opnieuw, omdat een technicus er per ongeluk iets overheen had opgenomen. We waren er kapot van. In de credits op de hoes hebben we hem ‘tape operator and saboteur’ genoemd.”

Het instrumentale ‘Supertzar’ klinkt als een soundtrack van een sciencefictionfilm. Hoe ontstond dat?

„Ik had thuis een kleine mellotron en een harp waarvan ik alleen op twee snaren kon spelen: ‘Ding-dong!’ Zo kreeg ik het idee van een heavy gitaar én een koor, dat is weer eens iets anders. Toen het London Philharmonic Choir in onze studio stond, zag ik vanuit de controle room Ozzy binnenlopen. ‘Excuse me’, zei hij, toen hij tot zijn verbazing het vijftigkoppige koor zag zingen. Hij dacht dat hij verdwaald was en ging er meteen weer vandoor. Ik moest achter hem aan rennen, haha. ‘Wacht!’, riep ik. ‘Zij horen bij ons! Dat is het Black Sabbath-koor!’”

Toen Black Sabbath nog Earth heette en nauwelijks iets voorstelde, werd u gevraagd als gitarist in de beroemde Britse progrockband Jethro Tull. U aarzelde, maar werd door de rest van de band juist aangemoedigd om op die rijdende trein te springen. Toch was u binnen een paar weken weer terug.

„Het waren fantastische muzikanten, maar het was niets voor mij. Iedereen gedroeg zo zich zo anders en afstandelijk. Er ontbrak iets wezenlijks: kameraadschap. Ik wilde geen succes door me bij wildvreemden aan te sluiten, maar samen met mijn vrienden ergens in geloven en daarvoor gaan.

„Met Black Sabbath leefden we vanaf het begin in elkaars broekzak en deden alles samen: slapen in het busje en dat ’s ochtends weer aanduwen, alle apparatuur sjouwen. Zo word je broers. Het liep pas fout na de plaat Never Say Die (1978). Toen vertrok Ozzy en begon alles uit elkaar te vallen.”

Pas voor het reünie-album ‘13’ (2013) zou hij terugkeren. Vier jaar later volgde de afscheidstour The End. Is het echt klaar?

„Ik weet het niet. Weer een wereldtournee van vijftien maanden zou te zwaar zijn, maar een paar optredens met de originele jongens lijkt me geweldig. Ik heb met allemaal nog regelmatig contact, gisteren nog met Geezer. Maar we hebben niets gepland hoor.”

De legendarische riff van de wereldhit ‘Paranoid’ schreef u tijdens een lunchpauze in de studio. Waar komt zoiets vandaan? Wat is het geheim?

„Simpele dingen zijn vaak het best. Veel gitaristen zijn ongelooflijk begaafd, maar het kan ook té technisch worden en dat schiet dan het doel voorbij. Ik hou van eenvoud, dat is voor mij de oorsprong van alles. Het zal er ook mee te maken hebben dat ik na het ongeluk moest uitvinden hoe ik weer gitaar kon spelen. Ik moest alles zelf doen: vingerhoedjes maken, frets platter vijlen, dunnere banjosnaren proberen. Niemand had enig idee, en ondertussen hoorde ik: ‘Je kunt het beter opgeven.’ Dat heeft me gehard.”

Na het ongeluk kwam de fabrieksmanager bij u thuis op ziekenbezoek en gaf u een plaat van de legendarische Belgische zigeunergitarist Django Reinhardt.

„Ik was zo moedeloos dat ik hem probeerde af te wimpelen: ‘Sorry, maar ik kan nu echt niet naar gitaarmuziek luisteren.’ Maar hij stond erop dat ik het opzette. Het was inderdaad schitterend, moest ik toegeven. Toen zei mijn chef: ‘Ik hoop dat dit je inspireert, want deze man had twee verminkte en verlamde vingers.’

„Dat mijn chef dat deed, was weergaloos. Er bestond dus iemand die net zoiets had meegemaakt én een manier had gevonden om het toch te laten werken. Toen wist ik dat ik moest doorzetten.”