Menig familiechroniqueur stuit op een verhaal van een voorouder die bij een oorlog, veldslag, ramp of een volksverhuizing betrokken was

Stamboomonderzoek Ruim honderd lezers reageerden op de oproep onder het artikel waarin vertelde over de zoektocht naar zijn familiegeschiedenis. „Mijn voorouder Klaas Boes draaide door en vermoordde twee vrouwen op bloedige wijze.”

Illustratie Fien Rijks

Een opa die in de gevangenis zat, een nazaat van een anoniem gebleven verwekker. Die ontdekkingen deed ik toen ik mijn familiegeschiedenis ging napluizen. Op de oproep om een bijzondere vondst in hun eigen stamboomonderzoek te delen, reageerden meer dan honderd lezers. Te veel mooie verhalen om ze allemaal te kunnen publiceren. Maar wat ze gezamenlijk duidelijk maken, is dat genealogie veel meer is dan het onder, boven en naast elkaar plakken van namen, plaatsen en jaartallen.

Lees ook: Stamboom? Ik heb een compleet woud

Wie zich daartoe ‘beperkt’, ziet al gauw door de bomen het bos niet meer, zo rekent Jaap Molenaar voor. „Ik was dit voorjaar ook met een klein onderzoek bezig, toen ik een mail kreeg waarin mijn oom Jur terloops meldde dat hij een afstammeling was van Karel de Grote. Dan ga je rekenen, voor het gemak 3 generaties per eeuw, maakt 36 generaties tot het jaar 800. Die 36ste generatie bestaat uit 68,7 miljard (68.719.476.736) voorouders en alle generaties bij elkaar opgeteld zijn het er iets meer dan 120 miljard. Wanneer je, met een klein beetje aandacht, 6 namen per minuut zou lezen, en dag en nacht doorgaat, dan heb je ze na 350 duizend jaar allemaal onder ogen gehad.”

De ware familiechroniqueur pakt het anders aan. Veel beoefenaars van de genealogie zijn niet zelden ook fervente amateurhistorici. Want wat zegt ‘verwantschap’ nou eigenlijk, stelt Emile Blomme. Veel interessanter vindt hij hoe het komt dat Victor Blomme in 1436 veroordeeld werd tot drie bedevaarten, en of deze Victor die ook heeft volbracht. „Meer nog dan om namen en doopcelen gaat het om de omstandigheden waarin voorouders verkeerden, hen snappen in de wereld waarin zij leefden”, schrijft Ton Schönwetter. „Stamboomonderzoek is een reis door de tijd.”

Eenmaal ‘onderweg’ stuit menig tijdreiziger op een voorouder die bij een oorlog, veldslag, ramp, een volksverhuizing of ander gedenkwaardig moment in de geschiedenis betrokken was. Bij de mensen die reageerden waren ook veel telgen van adellijke herkomst. Zo kan Theo Korthals Altes bogen op bloedlijnen met de 14de-eeuwse Reinald III van Gelre, is Liselotte ter Poorten verwant aan Boleslav de Wrede, en mag Toon van Gestel zich een nazaat noemen van „hertog Jan II, koning Willem I, koningin Paola en de bediende van de schoonmoeder van Victoria, die weer de moeder was van dé Victoria”.

Dirk Alberti: ‘Mijn grootmoeder vertelde dat onze voorouders Italiaanse veehandelaren waren’

Wij zouden van Italiaanse afkomst zijn, want de achternaam van mijn familie is al meer dan vierhonderd jaar Alberti (nee, geen familie van). Mijn grootmoeder vertelde dat onze voorouders Italiaanse veehandelaren waren die lang geleden het land ontvluchtten vanwege het protestantse geloof dat zij aanhingen. Ze vertrokken naar de heilstaat van het calvinisme. De zomervakanties aan het Lago Maggiore voelden toch een beetje als thuis met zo’n achternaam. We speelden in het Italiaanse campingelftal, leerden Italiaans vloeken en werden door onze vriendjes uit Milaan, Roberto, Mauro en Armando, nadrukkelijk gewezen op bakkers, slagers en trattoria’s die dezelfde naam droegen.

Mijn familie-onderzoek bracht me echter niet naar Italië, maar naar midden-Duitsland en naar Greifswald, een Hanzestad aan de Baltische Zee in het verre, altijd gure Hinterpommern, dicht bij de Poolse grens. Vanaf 1652 waren we Pruisisch en streng Luthers. Geen dolce vita voor ons, althans, nog niet.

Geert Verweij: ‘Eigenlijk is mijn dochter prinses’

Na enige omzwervingen gaat mijn stamboom terug naar ene Jan Rutgersz die rond het jaar 1400 van beroep folteraar en beul in Tiel was. In mijn dochters stamboom stuitte ik op Jan van Hattem, de bastaardzoon van de hertog van Gelre. Hierdoor is ze verbonden met zo’n beetje alle oude Europese vorstenhuizen. Karel de Grote voegde zich daar ook snel bij. De vriend van mijn dochter is gewaarschuwd. Eigenlijk is ze prinses en ik weet niet in hoeverre het voorouderlijk bloed van de folteraar verdund is.

Henricus Nouts (Eric Nuiten): ‘Vierhonderd jaar schrijffouten in een notendop’

Langzaam maar zeker word ik steeds beter in het ontcijferen van de genealogische bronnen. Die werden sinds 1570, tot de invoering van de burgerlijke stand in 1811, in het Latijn opgemaakt door de kerk. Willem is Guilhelmi, Henricus is Henrici, Johannes is Joh in een rare kronkel, et cetera. Veel pausen- en heiligennamen – in vaak belabberde handschriften. Meneer pastoor noteerde wat hij hoorde én zag. Als op 12 februari 1592 Johannis Nouts zijn tweeling Henricus Petrus en Johannis Nouts laat dopen, schrijft meneer pastoor niet ‘Nouts’ maar ‘Nouten’. Gelijk heeft-ie, het zijn er per slot van rekening twee. Pa en ma konden toch niet lezen, laat staan controleren wat meneer pastoor ervan maakte. Nouten wordt vervolgens ‘Nauten’, ‘Neuten’, ‘Nuijten’ en ten slotte Nuiten. Fonetisch dus. Vierhonderd jaar schrijffouten in een notendop.

Maarten Eliasar: ‘Benieuwd naar ‘niemand’ begon ik aan de stamboom’

„Er is bijna niemand teruggekomen”, zei mijn vader dan, en zweeg weer verder. Benieuwd naar ‘niemand’ begon ik, jaren na zijn dood, aan de stamboom. Die ‘bijna niemand’ bleken zo’n tachtig directe familieleden te zijn, vermoord op de welbekende plekken. Maar al zoekend vond ik op het Joods Monument, bij de naam van mijn vaders favoriete nicht, de opmerking: „Van dit gezin heeft een kind de oorlog overleefd.”

Ik vond haar, in Israël. Onwetend van elkaars bestaan, omdat er wederzijds was gezegd dat er niemand was teruggekomen. Geboren in 1941, overleefd in onderduik, ouders nooit gekend, geen familie meer aan moederskant. Zeiden ze. Dus wel. En, vertelde de stamboom, via haar vader bleek ze ook nog eens verre familie van mijn vrouw. Binnen een paar weken stond ze bij ons op de stoep. Familie! Heel veel verdriet vanwege al het gemiste, maar ook blij. Want beter laat dan nooit.

Hubert van Onna: ‘Dit gehucht is te klein om je ernaar te vernoemen’

Mijn achternaam Van Onna is een toponiem dat verwijst naar een gehucht, dorp, of stad met de naam Onna, van waar mijn voorouders ooit zijn vertrokken. De eerste Van Onna in rechte lijn, keuterboer Gerrit van Onna, duikt na 1600 in de Liemers op. In zijn boek Van Onna Genealogie Nederland, Duitsland uit 2004 geeft mijn sympathieke oom Jan van Onna (1922-2011) een overzicht van alle Van Onna’s tot 2010. Voor onze afkomst verwijst hij voorzichtig naar Kreis Unna/Onna in Rheinland-Westfalen. Over de buurtschap Onna bij Steenwijk schrijft Jan „dat dit gehucht te klein is om je daarnaar te vernoemen”.

Tijdens de lockdown onderzocht ik de geschiedenis van het gehucht Onna in Steenwijkerwold. Mijn bevindingen: rond het jaar 1300 vertrekt een aantal pelgrims – flagellanten – uit Onna in de Abruzzen, Midden-Italië. De leenheer-bisschop van Utrecht en Oversticht dwingt hen zich in Steenwijkerwold te vestigen. Hun buurtschap noemen zij Onna. Voilà.

Dr. Ronald Gase: ‘De Nederlandse en Amerikaanse Gases behoren niet tot dezelfde familie’

Een paar feiten uit de door mij opgebouwde database van meer dan 140.000 personen.

De Nederlandse Gases stammen allen af van Jean Antoine Gasc, rond 1790 uit Frankrijk naar Nederland gevlucht, verkleed als dienstmeisje. Zijn oudste kleinzoon, Johannes Antonie Gase, was vele jaren huismeester van het eerste Nederlandse tehuis voor ongehuwde moeders aan de Prinsengracht nummer 777 in Amsterdam.

De Nederlandse en Amerikaanse Gases behoren niet tot dezelfde familie, maar via een tante van mijn vrouw konden zij toch aan elkaar worden gekoppeld.

Ik heb ook alle voorouders van mijn vrouw zo goed mogelijk uitgezocht en ontdekte dat zij (en onze zoons) via Willem Jan Aelmans de Moor afstamt van Willem de Veroveraar.

F.S.K. Haan: ‘Gerdje constateerde dat het kind betoverd was’

Voor mijn autobiografie ging ik aan de slag met een onderzoek naar mijn voorouders. Tijdens die speurtocht kwam ik terecht bij mijn oudovergrootmoeder Gerdje Geertje Arents (Norden 1733 - Dokkum 1804), die in de achttiende eeuw furore maakte als wonderdokter in Surhuisterveen en wijde omgeving. Op een gegeven ogenblik werd haar hulp ingeroepen voor een zieke schippersvrouw in het dorp Ureterp. Na onderzoek kreeg de patiënt medicatie voorgeschreven en toog Gerdje huiswaarts.

De genezing maakte indruk en al spoedig werd haar gevraagd om een ziek kind bij te staan, bij wie de medicatie van een apotheker niet aansloeg. Gerdje constateerde dat het kind betoverd was: er zaten padden in haar buik. Met psychologie van de koude grond zette ze haar geneeskunst in. Al spoedig bleken er meer mensen in het dorp betoverd te zijn, waardoor er veel onrust ontstond. Daarop grepen de autoriteiten in Beetsterzwaag in en werd zij voor de duur van één jaar verbannen uit Friesland.

Hilde van Dijk: ‘Eén voorvader valt op omdat hij herhaaldelijk in de bak zit’

De Brabantse voorouders van onze moeder en de Groningse voorouders van vaderskant waren boerenknechten, huisschilders, kleermakers, kooplui. Eén voorvader valt op omdat hij herhaaldelijk in de bak terechtkomt, maar dat is het dan ook wel. En dan steekt er eind negentiende eeuw ineens een takje uit de Groningse stamboom: sociale stijgers van ingenieurs en artsen – de vrouwen trouwen met hoogopgeleide mannen.

Het zijn de kinderen van mijn overgrootvader, die zelf enig kind was van een alleenstaande moeder en onbekende vader. Die moeder was dienstmeisje bij een huisarts in Bedum en werd later in haar leven koopvrouw. Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat Grietje haar dokter ter wille moet zijn geweest en met de schandelijke gevolgen de praktijk werd uitgezet. Is het feit dat haar zoon hoogopgeleid nageslacht voortbrengt het bewijs van de misstap van de dokter? Of is het onzin om te bedenken dat zoiets als een opleiding genetisch doorwerkt?

Illustratie Fien Rijks

Maartje Winkel: ‘Het Ierse bloed bleek afkomstig van Jane Money’

Mijn moeder vertelde altijd dat er in de familie van haar moeders kant Spaans en Iers bloed zat. Dat vond ik helemaal passen bij haar zwarte haar en groene ogen. Na haar overlijden voelde ik pas echt de behoefte om uit te zoeken hoe het zat. De stadsarchivaris van Vlaardingen kon me gelukkig helpen.

Het Ierse bloed bleek afkomstig van Jane Money. Zij is hoogstwaarschijnlijk rond 1816 in Belfast getrouwd met de zeeman Cornelis Schuurman, en met hem meegegaan naar een, voor haar, onbekend land met een vreemde taal. In Nederland werd haar naam Jannetje Moonen. Cornelis en Jane kregen vier kinderen en hun jongste, Sara, trouwde in 1853 in Rotterdam met de Spanjaard José Diez uit Malaga. José was als zeeman in Rotterdam terechtgekomen en bleef daar de rest van zijn leven. Sara en José kregen zes kinderen. Hun derde dochter, Maartje Diez, was mijn overgrootmoeder.

Monique (Helena) van Hoogstraten: ‘De deceptie was groot’

„Een roofridder uit Antwerpen of Hoogstraten!”, riep mijn vader (Adrianus Josephus Franciscus van Hoogstraten) altijd als zijn stamvader ter sprake kwam. We hadden immers een betegeld tafeltje met een familiewapen en een ‘van’ in de naam, wat wees op Vlaams blauw bloed. Op een dag toverde mijn vader een kunstboek tevoorschijn en werd de familiegeschiedenis nog meer opgepoetst: ‘onze’ Samuel van Hoogstraten uit Dordrecht was de meester van de trompe l’oeil-brievenborden en hofschilder in de zeventiende eeuw. Trots welde in mij op en daarom toog ik naar het Mauritshuis, maar zijn schilderij lag net in het depot.

Helaas kreeg tante Irene een nieuwe hobby: genealogie. De deceptie was groot, want onze tak bestond slechts uit beurtschippers op de Maas. Exit Samuel en de roofridder. Het familiewapen bleek trouwens zelfbedacht in de twintigste eeuw.

Kees Koek: ‘Hij was bij de expeditie waarbij Paaseiland werd ontdekt’

Mijn leukste ontdekking was dat mijn verre voorvader Abraham Koek (1702-1771) op negentienjarige leeftijd als derde scheepstimmerman inscheepte op de Arend, een van de drie schepen die onder leiding van Jacob Roggeveen op zoek gingen naar het ‘Onbekende Zuidland’, de expeditie waarbij onder andere Paaseiland ontdekt werd.

Na allerlei rampspoed werd besloten via ‘De Oost’ terug te varen in de hoop dat ze daar konden foerageren, maar waar de bemanning gearresteerd en de schepen verbeurd verklaard werden. Berooid kwam Abraham terug in Amsterdam. Hij machtigde zijn ouders om bij WIC en VOC alsnog zijn gage te vorderen en scheepte opnieuw in als scheepstimmerman voor een laatste reis met een slavenhaler van de WIC om zich daarna in Amsterdam te vestigen als scheepstimmerman en een gezin te stichten.

Dankzij de notariële acte waarin hij zijn ouders machtigde kon ik vijf jaar van zijn leven vrij gedetailleerd in kaart brengen.

Henk Sonnemans: ‘Het Sonnestraetje kreeg in 1891 de naam Rue de l’Eclipse’

Ik stam af van iemand die in 1660 in Brussel te vondeling is gelegd. Dat duurde even voordat ik dat doorhad. De doopinschrijving was in het Latijn, dus toen ik eens in een boekwinkel was, kocht ik een woordenboekje Latijn-Nederlands en daar bleek uit dat het woordje ‘expositicius’ te vondeling leggen betekende. Weer wat jaren later kwam ik erachter dat er diverse vondelingen waren te Brussel, allemaal met de naam Sonnemans. Ze bleken allemaal in het Sonnestraetje te vondeling te zijn gelegd. Er moeten in België dus meerdere Sonnemansen zijn, die elk van een andere vondeling afstammen. Het Sonnestraetje kreeg in 1891 de naam Rue de l’Eclipse.

Ingrid Austen: ‘Zijn speurtocht ging terug tot 1600’

Ah, bent u familie van Jane? Die vraag kreeg ik regelmatig als eerstejaars Engels. Het antwoord moest ik steevast schuldig blijven. Ooit zou ik uitzoeken of ik familie was van de beroemde Engelse schrijfster. Toen mijn ouders vijftig jaar getrouwd waren, leek de tijd rijp. Wat een leuk cadeau zou het zijn om de stamboom uit te pluizen! Mijn buurman, een werkloze historicus, kreeg de opdracht op zoek te gaan. Allerlei adressen bezocht hij, met name in mijn geboortestreek. In het katholieke zuiden waren nog veel kerkelijke archieven. Daar vond hij de nodige informatie. Zijn speurtocht ging terug tot 1600. Groot was de teleurstelling toen duidelijk werd dat mijn voorouders wel vaak van achternaam waren gewisseld, maar nooit hun geboortegrond hadden verlaten. Er was geen connectie met Engeland, geen voorouder die Jane heette. De eerste die de streek verliet, was mijn oudste broer. Hij verhuisde helemaal naar Tilburg.

Wout Visser: ‘Ze konden mijn onthullingen niet erg waarderen’

Mijn grootvader van vaderskant had een goede stamboom van zijn familie gemaakt, die steevast werd misbruikt om de familie bovenaards op te hemelen. Wat mij bevreemdde: iedereen heeft wel een ‘zwart schaap’ in de familie, nietwaar? In 1996 ontdekte ik dit zwarte schaap: Klaas Boes, de achttienjarige zoon van een caféhouder in het NoordHollandse Schagen.

Augustus 1894: Klaas Boes werd in de liefde afgewezen door een zeventienjarig meisje, dat elders in Schagen bij haar tante inwoonde. Klaas draaide door, en vermoordde beide vrouwen op bloedige wijze. Hij zat tot in 1922 in de Blokhuispoort in Leeuwarden, destijds Nederlands zwaarste strafgevangenis. Deze dubbele moord was groot landelijk nieuws. Herman Heijermans, een naam in de Nederlandse literatuur, gebruikte de term ‘Klaas Boes’ als scheldwoord in zijn verhaal Angstavond.

De familie van Klaas had overigens destijds geen nauwe banden meer met hem. En in 1996 bleek dat ook mijn familie liever niet met hem geassocieerd wilde worden - ze konden mijn onthullingen niet erg waarderen.

Marjan Blümer: ‘Helaas, de voorouders van mijn moeder waren dagloners uit de Alblasserwaard’

Bij mij thuis ging ook het verhaal dat er bijzonder bloed door onze aderen vloeide. Mijn moeder heette van haar meisjesnaam ‘Looren de Jong’, een dubbele naam die wel een adellijke betekenis móést hebben. Als ik daarnaar vroeg zei ze altijd dat een voorouder die toevoeging Looren had gekregen na een veldslag met het leger van Napoleon. Hij zou zich heldhaftig hebben gedragen, waarna hij beloond werd met een extra naam zodat mensen zouden denken dat hij van hoge geboorte was.

Dat moest worden uitgezocht. Na een cursus genealogie ging ik erachteraan. Helaas, de voorouders van mijn moeder waren dagloners uit de Alblasserwaard. Bij de invoering van het bevolkingsregister was een fout gemaakt, de ambtenaar had abusievelijk de achternaam van de vader en de moeder aan elkaar geschreven waarna De Jong en Looren één naam werden.