Opinie

Een gedwongen uitstap bij station Sloterdijk

Marcel van Roosmalen

Het leven werd weer normaler, de sprinter Uitgeest-Amsterdam zat weer vol. Onder ons ook een eenling zonder mondkap, iemand die vooruitliep op de regelgeving. Hij stond in het tussenstuk met de klapstoeltjes. Niemand zei er wat van, ik ook niet. Voor mezelf sprekend: ik heb grote moeite met mensen die andere mensen op de regels wijzen, maar ook als dat niet zo was geweest, had ik in dit geval mijn mond gehouden. Meneer maakte op z’n zachtst gezegd een bijzonder geagiteerde en vitale indruk.

„Zeg er dan wat van”, leken zijn ogen te vragen. „Zeg dan.”

De conducteur van dienst, een kleine, wat gedrongen man die ik een keer op het perron van station Wormerveer met een overrijpe peer zag worstelen (de peer won, hij zat onder), deed heel erg zijn best om niet te zien wat we allemaal zagen. Hij dook gebukt „goedemorgen” zeggend voorbij. Nogmaals: alle begrip. Als ik conducteur was geweest, had ik dit ook laten passeren.

Maar toen gebeurde het.

Op station Zaandam verliet de stemming bepalende agressieveling de trein, zijn plaats werd ingenomen door een jonge vrouw die maar meteen in kneiterend Zaans hardop mededeelde dat ze haar mondkap was vergeten. Niemand had een exemplaar over, maar nu was er wel opeens bezwaar. Een oudere vrouw zei dat ze astmapatiënt was en dat ze pas één prik had gehad. En de conducteur was er opeens ook. Niet meer voorovergebogen, maar fier als een echte ordehandhaver. Hij veroordeelde de jonge vrouw tot een gedwongen uitstap bij station Amsterdam Sloterdijk. Ze moest daar maar een mondkapje kopen, of lenen.

„Of je knipt maar een stuk uit je T-shirt.”

De jonge vrouw begon te jammeren. „Ik moet naar het ziekenhuis”, zei ze. De vrouw die haar aanwezigheid vanwege haar astma te gevaarlijk vond, zei dat ze haar daar zonder mondkapje ook niet binnen zouden laten. En een man met een aktetas tussen zijn benen voegde eraan toe dat ze zich dat had moeten bedenken voordat ze met het openbaar vervoer ging.

„De regels zijn duidelijk.”

Ik keek om me heen.

Was ik de enige die dit hypocriet vond? Of was ik een van de velen die maar zweeg om de goede orde te bewaren?

Het riep herinneringen op aan de keer dat ik gelijktijdig met een motorrijder van een motorclub op de Van Woustraat in Amsterdam door rood licht reed en ik door twee agenten werd aangehouden. En hij niet.

Hoe harder ik ze wees op dat onrecht, hoe bozer ze werden.

Antwoord dat ik nog altijd heb onthouden: „Ik laat mijn gelijk niet door jou verpesten.”

Bij station Sloterdijk ging ze eruit.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.