Al die kapjes, blikjes, bakjes: schoon genoeg van troep op straat

Zwerfvuil Na een rondje door haar buurt maakt een rondje langs afvaldeskundigen: waarom ligt er zo veel rommel op straat? En waren we vroeger netter?

Illustratie Jasmijn van der Weide

Voor dit stuk wilde ik eens noteren wat voor troep ik op straat tegenkom tijdens mijn normale dagelijkse wandelrondje van zo’n vier kilometer. Maar al na vierhonderd meter – twee vage stukken bedrukt papier, een stofdoek, een hondendrol (onverpakt), een bananenschil, twee plastic vorkjes, een stuk touw, twee plastic zakjes, een gemeentekrant, een suikerzakje, een bierviltje, drie kroonkurken, een mandarijnennet, een stuk rood-wit afzetlint, ongeveer honderd peuken en ongeveer duizend in het trottoir tot vlekken getrapte stukjes kauwgom – werd duidelijk dat ik ver over het afgesproken aantal woorden van zelfs dit lange stuk heen zou gaan als ik mijn hele wandeling in termen van straatafval zou beschrijven.

En dat terwijl de straat best léég leek. Zeker in vergelijking met recente foto’s van na zonnige dagen verlaten parken, waarop gras en planten in de minderheid lijken, en de rommel in de meerderheid. Of in vergelijking met Koningsdag, toen het leek of in delen van Amsterdam een bieroorlog was uitgevochten met fles en blik, en je jezelf naderhand een weg moest banen door glasscherven en andere kapotte verpakkingen.

Hoe komen mensen er eigenlijk toe hun rotzooi zomaar op straat te gooien, of in een park of de natuur achter te laten? Daar dacht ik dan maar over na op de rest van dat wandelrondje. En kan het niet eens afgelopen zijn? Doen ze (we?) het tegenwoordig vaker? En wat bedoel ik eigenlijk met ‘vaker’, vaker dan wanneer? Vaker dan vóór corona? Uit apathie, baldadigheid, chagrijn, desinteresse of de rest van het alfabet aan door het virus versterkte negatieve gevoelens?

Of vaker dan… in de jaren zeventig? Het decennium waar ik in het begin van de coronatijd steeds aan moest denken, want toen was het óók zo stil op straat, minder auto’s, nauwelijks toerisme, zelf deden we ook amper aan vliegvakanties. Was er destijds meer fatsoen dan nu, wat je mensen soms hoort zeggen? Maar destijds zeiden ouders van vriendinnetjes (nooit mijn eigen ouders natuurlijk) ook weleens: gooi je klokhuis, zakdoek, drinkpakje voor deze éne keer maar uit het autoraam.

Cijfers zijn niet makkelijk te vinden, als ze al bestaan. Zwerfafval, want zo heten spullen zodra mensen ze als rommel buitenshuis hebben achtergelaten of op de grond gegooid, is heel moeilijk te meten. Gemeentelijke schoonmaakwagentjes vegen zand en bladeren bijvoorbeeld met het afval mee op en nemen soms ook afval uit de prullenbakken mee. Daardoor lopen schattingen van de jaarlijkse hoeveelheid zwerfafval in Nederland enorm uiteen: van 50 tot 275 miljoen kilo, meldt Nederland Schoon, een door de verpakkingsindustrie gefinancierde stichting die al dertig jaar strijdt tegen zwerfafval.

Dat is 8 tot 43 gram per persoon per dag: grofweg één tot vier lege bierblikjes, elke dag weer. Voor wie nu denkt: daar kom ik nóóit aan – bij mij staat op dit moment een lege Merlot-fles van 850 gram op het aanrecht die, als ik hem in een park had achtergelaten, voor tussen de twintig en ruim honderd mensen de ‘dagdosis’ zwerfafval had kunnen zijn. Of laat één keer je vuilniszak door meeuwen openscheuren, waardoor er drie kilo aan kattenbakvulling, maandverband, koffiecupjes, theezakjes en ander verpakkingsmateriaal door de straat sliert: dan zit je al voor een heel jaar aan de 8 gram per dag.

En de hoeveelheid zwerfafval neemt toe, zegt Rijkswaterstaat, dat zes keer per jaar op ruim duizend locaties in Nederland kijkt wat er aan zwerfafval ligt. Al heeft ook deze overheidsorganisatie geen exacte cijfers. Sowieso doet Rijkswaterstaat dit onderzoek pas tien jaar op deze manier. En veel gemeentes gaan vaker opruimen als er meer rommel bijkomt, dus dan is het misschien net weer schoon als Rijkswaterstaat komt meten.

„Dit maakt solide kwantificatie eigenlijk onmogelijk”, mailt woordvoerder Mathijs Tax. Maar dat er een toename is, lijkt logisch: er bestaan steeds meer producten met meer verpakkingsmateriaal én de bevolking groeit. „Meer mensen betekent helaas ook meer zwerfafval.”

Het laatste jaar neemt in die groeiende hoeveelheid zwerfafval het aandeel mondkapjes en beschermende handschoenen toe. In de drie metingen die Rijkswaterstaat sinds vorige zomer heeft gedaan, was eerst 1 op de 91 stuks rommel op straat ‘corona-gerelateerd’, dat steeg rap via 1 op 67 naar 1 op 45. (Dat ik geen mondkapje zag liggen op de eerste vierhonderd meter van mijn wandelrondje was toeval, daarna lagen er nog minstens vier) Ter vergelijking, mailt Rijkswaterstaat: 1 op de 41 stuks zwerfafval is een klein plastic flesje (en daar komt per 1 juli statiegeld op, dus dan wordt dat minder).

Illustratie Jasmijn van der Weide

Snoeproutes

Ook woordvoerder Mieke den Elzen van Nederland Schoon hoort wel, van gemeenten en van vrijwilligers die helpen opruimen, dat er sinds corona andere troep op straat ligt – bijvoorbeeld ook meer verpakkingen van to-go-eten en -drinken. Het ligt ook op andere plekken: „Normaal ligt er veel afval op wat we snoeproutes noemen: de looproutes tussen scholen en supermarkten. Door de sluiting van de middelbare scholen ligt daar nu veel minder. Nu zien we juist op de plekken waar mensen recreëren, zoals parken, meer afval ontstaan.”

En in de natuur. Harde cijfers ontbreken ook hier, anekdotisch bewijs is er wel: vraag het een boswachter maar. „Half maart 2020 begon de lockdown”, zegt José Hermens, boswachter voor Natuurmonumenten in Zuid-Limburg, „en we zagen de hoeveelheid afval in de natuur gelijk toenemen.” Koffiebekers vindt ze, mondkapjes, soms hele bergen verpakkingsmateriaal. „Na Koningsdag was het weer een grote troep op de Sint-Pietersberg. Sommige mensen hadden alles achtergelaten. Dat snap ik dan niet: hoe kan het nou dat je een hele supermarkttas vol de berg op sleept en niets mee terugneemt?” Het is maar een klein percentage van de mensen die dat doet, denkt ze: er zijn ook veel vrijwilligers die opruimen. „Ook gewoon wandelaars die vragen: heb je een zak?” Die willen helpen. Volgens het Centrum voor Natuur- en Milieueducatie in Maastricht hebben vrijwilligers sinds maart 2020 elke week wel één tot vier volle vuilniszakken afval van de Sint- Pietersberg gehaald.

Nu had je een eeuw geleden natuurlijk ook al types die hun rommel in de natuur achterlieten. Die werden er toen met ANWB-posters aan herinnerd: „Laat niet, als dank, voor ’t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ’t bosch de schillen en de doozen.” De Leidse hoogleraar Katarzyna Cwiertka, onder meer verpakkingsdeskundige, vindt het dan ook te makkelijk om te zeggen: vroeger waren we netter. „Vroeger bestonden er minder wegwerpverpakkingen, plastic bordjes, et cetera. We produceren gewoon steeds meer: de hoeveelheid afval neemt in totaal toe.”

Zo is de hoeveelheid huishoudelijk afval per inwoner in Nederland, de troep die niet op straat terechkomt dus, sinds 1950 bijna verviervoudigd. Bovendien neemt ook de bevolking toe. Ook wereldwijd blijft de afvalberg maar groeien. „Dus het is niet zo raar”, zegt Cwiertka, „dat een deel van dat afval belandt waar het niet hoort te zijn.”

Illustratie Jasmijn van der Weide

Plezier van een yoghurtpak

Cwiertka, een Poolse Japanoloog die al dertig jaar in Nederland woont, heeft zich gespecialiseerd in voedselgeschiedenis. Dat onderzoek doet ze op basis van onder meer kookboeken, dagboeken en dus ook verpakkingen. Sinds een paar jaar is ze zich steeds meer op afval gaan richten: vanaf dit voorjaar doceert ze het vak ‘Plastic: a cultural history’. „Verpakkingen worden relatief snel afval”, zegt ze. „Als je een kunststof trui al na een paar maanden dragen weggooit, heb je er al meer plezier van gehad dan van een yoghurtpak.”

Sinds halverwege de vorige eeuw zijn er steeds meer voorverpakte producten gekomen. Dat heeft met de opkomst van de supermarkt te maken, legt Cwiertka uit. Vroeger kocht je alles los. „Ik heb een foto uit 1917 van een slager in Amsterdam gevonden, waarop een halve koe hangt, waar hij waarschijnlijk stukken van afhakte, afwoog en misschien in een krant verpakte. Datzelfde gebeurde in andere winkels. De groenteboer bewaarde zijn groenten in houten kratten, onverpakt. En als je een kilo suiker wilde kopen, moest dat in een winkel achter de toonbank afgewogen worden.”

Dat veranderde in de jaren vijftig: de supermarkt kwam op in Nederland, en daarmee de zelfbediening. Daardoor veranderden de verpakkingen, zegt Cwiertka. Je moest zelf kunnen pakken wat je wilde kopen en alle informatie moest op de verpakking staan. „Vanaf de jaren negentig werd de esthetiek van verpakking steeds belangrijker. Hier was Nederland nog relatief laat mee. Japan, bijvoorbeeld, is beroemd om zijn mooie verpakkingen – en om de verspilling ervan, het zijn vaak meerdere laagjes.”

Kletsmajoors

Dat zijn we hier rap aan het inhalen. De kletsmajoors (roomboterkoekjes) die de man van Cwiertka zo graag eet, liggen in een plastic bakje met plasticfolie eromheen. „En dat is eigenlijk alweer ouderwets. Koekjes zijn nu vaak per stuk of per twee stuks verpakt, zodat je ze kunt meenemen. De categorie voedselproducten die je onderweg eet, is sinds de jaren zeventig enorm toegenomen. Vroeger nam je misschien een appel mee, en een boterham in de lunchtrommel. Nu is dat veel meer snoep en koek. We zijn ook veel meer gaan snoepen door de decennia heen. Sociologen noemen dat ‘grazen’: we willen bijna continu iets in onze mond hebben.” Dat heeft de afval- en zwerfafvalberg natuurlijk vergroot, zegt Cwiertka. „In parken en bossen liggen geen lege tomatenblikjes. Het is allemaal snackcultuur.”

Intussen richt het onderzoek naar zwerfafval zich volgens Cwiertka vooral op wie er waar iets op de grond gooit en hoe je dat kunt voorkomen. „Veel minder op het item zelf.” Terwijl daar ook nog wel wat te winnen valt, denkt ze. „Ook het design van een verpakking kan zwerfafval tegengaan of bevorderen. Ik herinner me nog de frisdrankblikjes met losse lipjes. Die lipjes lagen óveral! In 1976 is er patent aangevraagd op een blikje waar het lipje aan vast blijft zitten, nadat je het had opengemaakt. De losse lipjes zijn sindsdien helemaal verdwenen.”

Dit vind ik een eye-opener. Inderdaad, je ziet nog wel vaak blikjes op straat liggen, maar nooit meer losse lipjes, en hele blikjes zijn veel makkelijker te vinden en op te rapen. Wat kan er nog meer, wil ik meteen weten, bestaan er nog meer voorbeelden van verpakkingen die zo knap zwerfafval verminderen als het blikje-met-vastzittend-lipje?

Illustratie Jasmijn van der Weide

Halve slagzinnen

Cwiertka verwijst me naar hoogleraar industrieel ontwerpen Renee Wever, een Nederlander die in Linköping, Zweden, werkt. Maar die weet mijn enthousiasme snel te dempen. Er zijn landen waarin mensen het vies vinden als je iets wat eerst aan de buitenkant van het blikje zat naar binnen moet duwen. Daar liggen dan ook nog gewoon lipjes op straat. En er bestaan wel (drink)pakjes waar je niets áfscheurt als je ze openscheurt, maar heel veel zie je die niet.

Wat vaker geprobeerd wordt: tekst op de verpakking, om te proberen te voorkomen dat mensen die op de grond gooien. Wever heeft daar met studenten wel wat onderzoek naar gedaan. Zinnetjes als: „Gooi deze beker in de afvalbak”, hielpen de ene keer wel, de andere keer niet. Halve slagzinnen op snoeppapiertjes, in de hoop dat mensen die dan bij zich hielden tot ze de andere helft troffen, werkten averechts: die namen mensen inderdaad eerst mee, maar ze lieten ze uiteindelijk toch vaak gewoon ergens liggen.

Kortom: zwerfafval voorkomen met verpakkingsdesign is moeilijk. „Zwerfafval kan nou eenmaal op veel verschillende manieren ontstaan”, zegt Wever. „Een groep vijftienjarige stoere jongetjes die liefst voor de ogen van de politie hun rommel op de grond gooien, dat is iets heel anders dan een ouder die in een park een kind wat eten geeft, waarbij een stuk plastic wegwaait, maar ondertussen op het kind moet blijven letten.” Probeer daar maar eens tegenop te ontwerpen. Misschien wordt daarom zo veel meer onderzoek gedaan naar wie waar iets op de grond gooit en hoe je dát kunt voorkomen.

Rietje in zijn neus

Luuk Bos doet zulk onderzoek in de praktijk. Hij werkt als gedragsexpert afval en milieu bij D&B, een bureau dat advies geeft aan bedrijven en overheden die willen dat mensen zich beter gaan gedragen: veiliger, verantwoorder, milieubewuster. Bijna alles wat mensen doen, zegt Bos, doen ze zonder erbij na te denken: op routine, door gewoontes. „Anders zouden we gek worden, dan kost het leven te veel mentale energie.”

Wat niet heel urgent of relevant voelt, wordt aan het onbewuste overgelaten. Zoals zwerfafval. „Ja, dat vinden mensen een urgent probleem als je ze een schildpad laat zien met een rietje in zijn neus. Maar niet op het moment dat ze zelf met een rietje bezig zijn.” Dan staat hun automatische piloot aan. „Dat betekent”, zegt Bos, „dat je je op onbewuste processen moet richten als je zwerfafval effectief wilt aanpakken.”

Er zijn allerlei „knoppen om aan te draaien”, zegt Bos, en hij heeft er al aan een hoop gedraaid. Het helpt om mensen een gevoel van verbondenheid te geven met een gebied, door borden of banners: „Welkom in onze…”, en dan de straatnaam. Gratis papieren tasjes op het strand om je afval in te doen, met: „Top dat je ervoor kiest het strand schoon te houden.” Geverfde voetstapjes op de stoep die naar een vuilnisbak leiden. Een prullenbak op een stadsplein met de tekst: „Een schoon plein vind ik fijn omdat…”

Ja, zwerfafvalexperts zijn kennelijk dol op halve slagzinnen. Maar hier werkte het beter dan bij de snoeppapiertjes: „Omdat mensen deze zin afmaken in hun hoofd”, zegt Bos. „En dan komen ze met hun eigen argumenten. Als je tegen mensen zegt wat ze moeten doen, ervaren ze vaak weerstand en gaan ze met de hakken in het zand. Maar hun eigen argumenten, daar hebben ze geen weerstand tegen.” Op een plein werkt dit trouwens, zegt hij, maar in een drukke winkelstraat dan weer niet. „Dan lezen mensen dat niet. Het is echt maatwerk.”

De essentie is dat je het gewenste gedrag zo makkelijk mogelijk moet maken. Genoeg opvallende afvalbakken neerzetten op plekken waar mensen meeneem-eten eten. Die bakken op tijd legen. „Als je om je heen al afval ziet liggen, is het veel makkelijker om het zelf ook op de grond te gooien. Maar als het schoon is, is schoon kennelijk de norm.” Daar willen mensen zich dan óók aan houden.

„De meeste mensen willen het goed doen”, zegt Bos, „maar vaak wordt het foute gedrag automatisch uitgelokt. Als je mensen een beeld laat zien van afvalzakken naast een container, zo van: erg hè, dan denken ze eerder: dan kan die van mij er ook nog wel bij. Veel dingen die slim lijken, werken averechts.”

Illustratie Jasmijn van der Weide

Mensen trekken mensen aan

En terwijl we zo praten, denk ik: dit is waar het laatst is misgegaan. Normaal worden er op Koningsdag overal enorme extra prullenbakken neergezet. Op zonnige dagen hangen er vaak gratis picnickkleedjes in het park in mijn buurt, waar je na afloop je rotzooi in kunt meenemen en kunt weggooien in een afvalbak. Dat was er nu allemaal niet. Afvalbakken stroomden over. „Ja, daar zit een spanning”, denkt Luuk Bos mee.

„Als je doel is dat mensen niet bij elkaar komen, moet je geen extra afvalbakken neerzetten. Als mensen dan toch gaan… ja, dan moet je wel bakken neerzetten, maar dan geef je wel het signaal dat bij elkaar komen gedoogd wordt.” Daarmee moedig je dat aan, want zoals afval afval aantrekt, trekken mensen mensen aan.

Ik loop mijn rondje nog eens en ik denk bij elke peuk, drol en kauwgomvlek: het komt dus toch allemaal door corona. Nou ja, niet allemaal natuurlijk. Zolang er mensen en spullen zijn, hebben mensen al spullen op de grond gegooid die ze niet meer wilden, en dat zullen ze (we) vast blijven doen, in toenemend complexe wapenwedlopen met statiegeldsystemen, bedrijven vol gedragsexperts en gemeentelijke prullenbakplaatsers. Maar laatst, die extra troep met Koningsdag en op de zonnige dagen, die kwam dus, indirect, door corona.

En kan het dáár niet eens mee afgelopen zijn? Want ik dacht dat ik genoeg had van troep op straat, en dat heb ik ook wel, maar eigenlijk heb ik vooral genoeg van corona. Schoon genoeg.