Leids museum geeft vaas terug aan Italië

Archeologie Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden kocht in 1988 een vaas van een man die goede contacten had met de illegale handel.

De Leidse vaas – dertig centimeter lang, 27 centimeter hoog – met onder meer het mythische zeemonster Scylla.
De Leidse vaas – dertig centimeter lang, 27 centimeter hoog – met onder meer het mythische zeemonster Scylla. Foto Rijksmuseum van Oudheden

Het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden heeft deze woensdag een Griekse vaas teruggegeven aan Italië, omdat vast is komen te staan dat die in de jaren tachtig illegaal uit het land is weggehaald. „De Italiaanse politie heeft ons enige tijd geleden overtuigend bewijs gegeven: hij komt voor in een fotoarchief dat in beslag is genomen bij Gianfranco Becchina, een veroordeelde Italiaanse handelaar”, zegt Lucas Petit, hoofd collecties en onderzoek. „Voor ons was het geen vraag wat we moesten doen, want we willen zuiver en transparant zijn.”

Lees ook dit artikel: Verdachte achtergrond: dubieuze objecten in museum Allard Pierson

Het gaat om een askos, een type vaas dat werd gebruikt om vloeistoffen zoals olie uit te gieten. De vindplaats is Canosa in de Zuid-Italiaanse provincie Apulië. Het type dankt zijn Griekse naam aan het feit dat de vorm doet denken aan een wijnzak. Vazen uit Canosa zijn bekend vanwege hun uitbundige beeltenissen op de buitenkant.

Op het Leidse exemplaar, dat in de vaste opstelling stond, zijn onder meer het mythische zeemonster Scylla, een vrouw met kind, Amazones te paard en een eendenkop afgebeeld. De vaas, die ruim dertig centimeter lang en meer dan 27 centimeter hoog is, dateert uit de vierde eeuw voor Christus, toen Canosa een Griekse kolonie was.

Musea stelden in die tijd weinig vragen over de herkomst van oudheden

Het museum heeft de vaas in 1988 gekocht; het was de eerste aankoop van Ruurd Halbertsma, de huidige conservator klassieke wereld. „Het museum had al wel enkele askoi in de collectie, maar nog niet zo’n opvallende uit Canosa. Het was ook in de tijd dat musea bij aankoop weinig vragen stelden over de herkomst van oudheden”, zegt Petit.

De verkoper was Saïd/Saeed Motamed, van oorsprong een Iraniër, die in de periode tussen de jaren zestig en negentig van de vorige eeuw een van de belangrijkste handelaren in oudheden in Frankfurt was. Hij deed onder meer zaken met het British Museum. Het RMO had ook al eerder zaken met hem gedaan, vertelt Petit. „In dit geval stuurde hij een foto. Toen het museum antwoordde geïnteresseerd te zijn, stuurde hij de vaas naar Leiden, zodat hij hier nader bestudeerd kon worden. Daarna is de vaas gekocht.”

Intussen is bekend dat Motamed, die in 2013 op 88-jarige leeftijd is overleden, goede contacten had met de illegale handel. In 2014 ontdekte Christos Tsirogiannis, associate professor en fellow aan het Aarhus Institute of Advanced Studies, bij zijn doorlopende onderzoek naar de handel in illegale oudheden dat Motamed illegaal opgegraven oudheden op de markt bracht, zowel via Becchina als Giacomo Medici, een andere bekende veroordeelde kunsthandelaar.

Nader onderzoek

Het RMO gaat daarom nader onderzoek doen naar de herkomst van andere objecten in de collectie die zijn gekocht bij Motamed, vertelt Petit. „We hebben in totaal 146 objecten bij Motamed gekocht. De eerste in 1963, de laatste in 1993, de meeste voor 1979, erna nog veertien.” De meeste objecten (97) komen uit Iran, vooral Sassanidisch glaswerk. De andere objecten komen uit Egypte, Libanon, Syrië, Turkije en Italië. „Volgens Motamed kwamen twee van de Italiaanse objecten uit Centuripe op Sicilië, maar onze toenmalige conservator [Fréderic Bastet] vond dat ze op basis van de stijl eerder ook uit Canosa afkomstig moesten zijn.”

Het RMO heeft ook onderzocht of het museum in het verleden rechtstreeks zaken heeft gedaan met Becchina. „Dat bleek niet het geval.” Bij het museum zitten ze nog wel met een vraag over het bewijs van de Italiaanse politie. „Op een kaartje staan met potlood ‘Canosa’ en ‘4.2.1981 (Mus. Leid.)’ geschreven. Waarschijnlijk heeft Becchina bijgehouden waar zijn spullen zijn terechtgekomen. Alleen hebben wij de vaas pas in 1988 gekocht. Misschien heeft Becchina de askos indertijd aan Motamed verkocht, en heeft die hem pas zeven jaar later aan ons verkocht. Het was geen reden om het bewijs aan te vechten.”