In de film ‘Tjoet Nja Dhien’ zijn Nederlanders niet alleen maar ploerten

Antikoloniale films Met een gerestaureerde versie van Tjoet Nja Dhien hopen de makers Indonesische millennials te interesseren voor de nuances in de antikoloniale strijd.

Het beeld op de dvd-hoes van Tjoet Nja Dhien, 2004.
Het beeld op de dvd-hoes van Tjoet Nja Dhien, 2004.

In Nederland voegt de onlangs uitgekomen film De Oost van regisseur Jim Taihuttu zich in een vrij kort rijtje films over de koloniale praktijken in Nederlands-Indië. En het is zelfs de eerste film die zich specifiek richt op het brute geweld van Nederlandse kant na 1945, als Indonesië de onafhankelijkheid al heeft uitgeroepen en Nederland daar nog niet aan wil.

Terwijl in Indonesië inmiddels zelfs al remakes van films over de antikoloniale opstanden in de bioscopen draaien.

Zo ging op 20 mei in de Indonesische hoofdstad Jakarta de gerestaureerde versie van Tjoet Nja Dhien in première. De film, waarvan de eerste versie uitkwam in 1988, gaat over de Atjeh-oorlog, de lange en bloedige strijd om de macht in het sultanaat Atjeh. De film beslaat de periode van 1876 tot 1906. Guerrillastrijdster Tjoet Nja Dhien neemt het op tegen het Nederlandse koloniale leger nadat haar echtgenoot en rebellenleider Teuku Umar in een hinderlaag het leven heeft gelaten. En intussen moet ze ook met verraad binnen haar eigen gelederen zien om te gaan. De nieuwe versie van de film is gedigitaliseerd, heeft scherpere kleuren en is iets ingekort.

De nieuwe filmposter bij de gerestauteerde versie van de film ‘Tjoet Nja Dhien’. De Nederlandse overheerser kijkt als schim op de achtergrond toe.

Destijds kreeg Tjoet Nja Dhien in Indonesië geweldige recensies. Nu hopen de makers met de gerestaureerde film vooral Indonesische millennials te bereiken, vertelt Christine Hakim, één van de bekendste actrices van Indonesië, die meespeelt: „De thema’s uit de film zijn vandaag de dag nog steeds actueel: menselijkheid, verraad.” Hakim won een reeks prijzen met de film. Zij speelt Tjoet Nja Dhien, de sterke vrouw die uitgeput raakt door de strijd en snel veroudert en verzwakt. Tijdens de opnames in 1988 is Hakim pas eind twintig. Ze lacht: „En omdat ik een oudere vrouw speel voelt het ook als film van nu.”

Christine Hakim ziet het verzet en geweld tegen de Nederlanders niet langer als het belangrijkste punt uit de film. „Die Nederlandse officieren dienden evengoed hun land en hadden ook hun worstelingen. Het gaat meer om de strijd binnen een bevolking. De Indonesische onafhankelijkheid is een gegeven, maar daar komt ook een grote verantwoordelijkheid bij kijken. We moeten onze diversiteit beschermen.” Ze doelt op conservatieve islamitische groeperingen, die de afgelopen jaren druk uitoefenen op de samenleving en politiek.

Om die accentverschuiving te benadrukken, werd er een nieuwe filmposter ontworpen: in 1988 is Tjoet Nja Dhien te zien met op de achtergrond een gevechtsscène. Nu is ook één van haar verraders prominent afgebeeld. De Nederlandse overheerser kijkt als schim op de achtergrond toe. Hakim: „Zonder gezicht, dat zou dus iedereen kunnen zijn.”

Nederlandse officieren dienden evengoed hun land en hadden ook hun worstelingen.

Voor Indonesiërs zijn films over antikoloniaal verzet een volkomen normaal onderdeel van de nationale cinema. Sterker, ze vormen daar de basis van, vertelt de Indonesische filmcriticus Adrian Jonathan Pasaribu. Hij noemt de films van regisseur Umar Ismail, Darah dan doa (Bloed en gebed, 1950) en Enam djam di Yogya (Zes uur in Yogyakarta, 1951) de eerste serieuze Indonesische speelfilms. „In zijn film perjuangan, strijdfilms, is het conflict heel simpel en horizontaal verbeeld. Idealistische Indonesiërs met een goed karakter staan tegenover kwaadaardige Nederlanders of Japanners. Meestal Nederlanders.”

De filmposter in 1988 van de film ‘Tjoet Nja Dhien’.

Die Nederlanders, zegt Pasaribu, worden neergezet als domme ploerten die geen idee hebben van het leven in de tropen. „Ze schelden, schreeuwen en behandelen Indonesiërs schofterig. En ze zitten ook vaak te eten. Ik denk om te laten zien dat ze lui, rijk en geprivilegieerd waren.” Op dat cliché was Tjoet Nja Dhien in 1988 al een uitzondering, zegt hij: „Het was een progressieve film voor die tijd, die laat zien dat in oorlogstijd niet alles zwart-wit is en er vele grijstinten bestaan.”

Lees ook de recensie van De Oost: Morele verwording in Nederlands Vietnam

In de jaren dat president Soeharto aan de macht is in Indonesië, van 1967 tot 1998, nemen filmmakers een nieuwe vijand op in hun repertoire: het communisme. „En waar in de films van Umar Ismail allerlei groepen uit de maatschappij een rol spelen in het verzet tegen het kolonialisme, journalisten, studenten, boeren, verandert dat in de tijd van Soeharto. In die tijd zijn films enorm op hem en op de rol van het leger gericht”, zegt Adrian Pasaribu. Staatspropaganda dus – ook daar was Tjoet Nja Dhien een uitzondering op.

Na de reformasi van 1998, als studentenopstanden president Soeharto tot aftreden hebben gedwongen, hebben zijn dictatoriale jaren nog een grote invloed op films over de koloniale tijd. Het mag officieel geen propaganda meer zijn, ze hebben er nog veel van weg, zegt Pasaribu: „Films van na de reformasi bieden een populistische boodschap van eenheid van de Indonesische bevolking zoals die nooit bestaan heeft en die ook onrecht doet aan de complexiteit van de geschiedenis.”

De trilogie Merah putih (Rood-wit, naar de Indonesische vlag, uit 2009) bijvoorbeeld, waarin Indonesiërs uit alle hoeken van het land samenwerken. „De hoofdrolspelers komen uit Java, Sumatra en er zitten zelfs Chinese Indonesiërs bij die allemaal één doel hebben. Het is een Hollywood-benadering. In werkelijkheid had je al enorme discussies binnen groepen uit één stad.”

De films van regisseur Garin Nugroho bijvoorbeeld geven een gelaagder beeld. In Soegija (2012) is geen militair of moslim, maar een katholieke aartsbisschop de held van het verhaal. En Tjokroaminoto (2015) vertelt over de verschillende stromingen binnen het Indonesische nationalisme. Al zijn de Nederlanders in Tjokroaminoto weer wel karakteristiek lomp: ze schelden Indonesiërs aan de lopende band uit voor apen en stommelingen.

Criticus Adrian Pasaribu heeft net De Oost gekeken. Als die hier ooit uitkomt, zal de film veel discussie losmaken, verwacht hij: „Zóveel Indonesiërs die worden neergeknald zonder aandacht voor de gevolgen daarvan. Wow, ik vond het vervreemdend werken.” Aan de andere kant denkt Pasaribu ook dat het verzet tegen de overheerser inmiddels, meer dan 75 jaar later, niet zo’n spannend thema meer is voor millennials. „Ze kijken liever horrorfilms of Zuid-Koreaans drama.”