Laten we ons eens wat meer inhouden, voor de ander

Discretie Nu het sociale leven na de lockdown weer op gang komt, hoopt dat we er een elegante vorm van social distancing aan overhouden. Een pleidooi voor terughoudendheid.

Illustratie Getty Images

Er zou een woord moeten zijn voor het gebaar dat je maakt naar iemand die jou laat voorgaan in het verkeer. Laatst overkwam het me toen ik een trein moest halen, die absurde bezigheid van vóór 2020. Maar de wereld heropent. Ik had plotseling dagen achter elkaar weer werkzaamheden buitenshuis, die ik gretig combineerde met terrasafspraken die het karakter kregen van reünies. Iedereen mocht weer en wilde weer van alles. Onbekenden klampten mij aan op straat om over iets uit de krant te kletsen. Gestremde auto’s toeterden erop los, met opgejaagde slierten fietsers ertussendoor. En nu – het einde van de lockdown was nog maar net aangekondigd – nu had ik alweer dat vernederende drafje op weg naar een station.

Een fietser – een gozer met getatoeëerde armen – zag me en remde. Geen zebrapad, geen oversteekplaats, het was een spontane geste. Ik antwoordde met het naamloze gebaar: hand omhoog, glimlach, terloops en allerminst uitbundig, maar er spatte onmiskenbaar een belletje vreugde open tussen mij en deze vreemdeling, waarmee het gebaar een verre verwant was van het afnemen van de hoed.

Hierover mijmerde ik na in de trein, toen ik buiten adem in mijn stoel wegzonk en mijn ogen sloot. Hoe smokkelen we – nu Pfizer, Moderna en Janssen door onze aderen vloeien en de sluizen van het sociale leven weer opengaan – iets van de lockdownrust mee in een hectisch sociaal en werkleven?

Dit onbeduidende voorrangsvoorval was er de sleutel toe. Dat wist ik ineens heel zeker, met die idiote, meestal bedrieglijke helderheid die je kunt hebben als je bijna in slaap valt. Maar wegsoezen of hierop door mijmeren was mij niet vergund. Bij het volgende station stommelde er namelijk een hele groep binnen. Vier man en dito vrouw, maar ze maakten kabaal voor tachtig. Zuidas-werknemers, op weg naar hun teamuitje, werd duidelijk. Ik voelde een lichte paniek in me opkomen. Ik moest en zou deze ruimte ontvluchten.

De pandemie was voor introverten een verademing, hoor je geregeld. De wereld ervóór was helemaal ingericht naar extraverte mensen, schreef Susan Cain in 2012 al in haar boek Quiet The Power of Introverts in a World That Can’t Stop Talking. Eigenschappen als zelfverzekerdheid en daadkracht waren het ideaal. Nu vrezen introverten de terugkeer naar het oude normaal, wat voor hen juist een abnormaal was.

Mijn vermoeidheid herinnerde mij eraan dat ik in aanleg tot die introverten behoor, dat wil zeggen: iemand die geen energie kríjgt uit sociale interactie, maar bij wie dit energie opslurpt, waarna hij dringend aan de oplader van de afzondering in moet. Even overwoog ik te schuilen in de toiletcabine, maar ik koos voor een onopvallend klapstoeltje ernaast.

Ik ben een claustrofiel. Tot iets na mijn studietijd heb ik vooral tussen muren met boeken geleefd. Daarna leerde ik de codes, smalltalk en handigheidjes toepassen, wat opmerkelijk veel lijkt op het verwerven van een vreemde taal. Vooral de combinatie van cafés en journalistiek bleek een uitmuntende taalcursus. Inmiddels lijk ik redelijk tweetalig. Alleen, zoals iedereen weet die weleens langer dan een uur in een niet-moedertaal spreekt: ook al beheers je die vrij aardig, het put je uit.

Onze samenleving spatte uit elkaar van schaamteloosheid, uitbundigheid, openhartigheid, het tegendeel van social distancing

Eén van mijn eerste uitstapjes nadat de autoriteiten ons op vrije voeten hadden gesteld, was naar de Koepelgevangenis van Breda, voor een lezing. In de immense koepel kun je vanuit één centraal punt alle celdeuren overzien. Maximale controle met minimale middelen.

Geestelijk architect van dit model, het panopticum, is de Britse rechtsfilosoof Jeremy Bentham (1748-1832). Zijn idee was dat het binnenste van de observatiepost niet zichtbaar was voor de gevangenen. Die wisten dus niet of ze wel of niet geobserveerd werden, maar gingen zich daardoor wel netjes gedragen, zo was het idee.

Volgens deze Bentham moest de hele samenleving volgens dit principe ingericht worden. Totale transparantie – transparantie in één richting wel te verstaan – zou zorgen voor een totale disciplinering. Tekenend voor Benthams denken is dat hij niet begraven wilde worden, maar – de ultieme transparantie – gebalsemd opgebaard in een vitrine, nog altijd te bezichtigen in het Londense University College.

Zijn gedachtengoed leeft voort. Ook Nederland bouwde eind negentiende eeuw drie van zulke koepelgevangenissen: in Arnhem, Haarlem en Breda. Die zijn niet langer als zodanig in gebruik, maar het principe waarop ze zijn gebaseerd is alleen maar versterkt. Het dogma van onze tijd is nog steeds transparantie. We willen méér cameratoezicht en minder achterkamertjes.

Transparantie past bij de pre-coronale wereld. Transparantie is het principe achter een wereld die is ingericht op extraverten. Onze samenleving spatte uit elkaar van schaamteloosheid, uitbundigheid, openhartigheid, het tegendeel van social distancing.

Wie ergens mee zat moest zijn stem laten horen. Een aandoening, een trauma, een ziekte, een verborgen verleden? Toe, vertel het maar. Of nee, schreeuw het uit, víer het! We moesten overal ‘open’ over leren zijn. Over onze geaardheid, onze onzekerheid, onze menstruatie, onze pijntjes, verslavingen, onze antidepressiva en ons plekje in het autistismespectrum. Mocht de tv er nog geen format voor hebben, dan waren er altijd nog Facebook en TikTok, en desnoods bundelde je je kwetsuren tot een literair werk. We hadden geen gevangenisbewaarders nodig. We onderwierpen ons vrijwillig aan het panopticum.

‘De transparante samenleving’, zoals de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han het noemde. Hij koppelde het aan onze kapitalistische prestatiemaatschappij. „Alle distantie is voor de transparante samenleving een negatieve kracht die geëlimineerd moet worden, want distantie remt de snelle doorstroming van communicatie en kapitaal.”

Geheimen zijn verdacht, openbaarheid is een plicht. Diep en onuitroeibaar zit dat in onze cultuur, vaak vermomd als iets hartverwarmends. Geert Wilders deelde laatst, voorzien van een hartje, een nieuwsbericht en close-upfoto van een terminale vrouw die dankzij de lokale ambulance nog één keer aan haar favoriete ijsje mocht likken. Wat is er toch gebeurd? Zelfs op onze laatste levensdagen ontsnappen we niet aan het bevel tot totale zichtbaarheid. Juist dan niet, want massa’s goedhartigen staan klaar om die goedhartigheid te etaleren aan miljoenen. Waar blijft – in hemelsnaam – iets van discretie?

Illustratie Getty Images

Vlaamse vrienden vertellen me soms hoe ongemakkelijk ze zich kunnen voelen bij onze recht-voor-z’n-raap-cultuur. Zeker en vast is het dan ook geen toeval dat een recent boek dat ik vond, Discretie, een vergeten deugd (2019), uit de pen kwam van een Vlaamse filosoof, Peter Venmans.

Uitvoerig gaat hij in op de herkomst van het woord, en de betekenissen door de eeuwen heen, en daarmee komt hij uit bij een auteur die al lang een van mijn geestelijke mentors is: Balthasar Gracián. Ik blader vaak in zijn aforisme-verzameling Handorakel en kunst van de voorzichtigheid, in 1999 vertaald door Theo Kars. Wat ik niet wist is dat Gracián eerder, in 1647, al een traktaatje uitbracht, genaamd El Discreto, vertaald als De levenskunstenaar, wat raak gekozen is omdat discreto van toen een veelomvattender deugd was dan alleen weten wanneer je moet zwijgen. Het is verwant aan gematigdheid en voorzichtigheid.

In het Handorakel had ik al wat uitspraken in die geest onderstreept: „Terughoudendheid op elk terrein is een belangrijke levensregel om te slagen, vooral in de hoogste functies.” En Gracián raadt aan om te „weten wat u wel en niet moet zeggen in de omgang met anderen, hieruit blijkt uw gehalte als mens”. Hij hamert op het belang van geheimen, van jezelf af en toe terugtrekken, altijd iets achter de hand houden, nooit het achterste van je tong laten zien. Dat is een totaal andere houding dan de moderne, extraverte attitude met slogans als: „Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.” Gracián stelt: „Wat men moet doen, dient men niet te zeggen, en wat men moet zeggen, dient men niet te doen.”

Radicaal staat Graciáns denkwereld tegenover de onze. Al zijn werk ademt een omgekeerd dogma, dat past bij een introverte wereld. Dat dogma is niet zozeer onzichtbaarheid, afwezigheid of isolatie. Het is een gedoseerde, bedachtzame, weloverwogen interactie met de buitenwereld, een milde, galante vorm van social distancing.

De coronapauze veroordeelde ons hiertoe. Plotsklaps moest iedereen iets meer introvert, afstandelijk, gereserveerd leren zijn. Plotsklaps waren het de extraverten die nu tweetaligheid moesten leren. Maar ja, ik heb twintig jaar kunnen oefenen. Het omgekeerde krijg je niet in één pandemietje onder de knie. Bovendien: wie de dopamineshots van de sociale hectiek nodig heeft, kan niet veínzen tevreden te zijn met een boek op de bank. Een flapuit kan geen bedachtzaamheid actéren.

Wat Venmans mooi en helder uitlegt is dat discretie altijd een ‘zelfbeperking’ betekent: „De basisstructuur is altijd dezelfde: je zou iets kunnen doen, maar laat het na. Iets ligt in je vermogen, maar je maakt geen gebruik van je macht. Het gaat dus telkens om een bewuste zelfbeperking: je houdt je in, niet om er zelf beter van te worden maar omdat de situatie dat vereist. En uit respect voor de ander. Om die persoon niet in verlegenheid te brengen. Of om hem de kans te geven zelf zijn vrijheid te nemen en autonoom te handelen.”

Lijdzaam een ingreep ondergaan, in stilte doneren: het discrete staat in diskrediet

Na lezing van Venmans boek wist ik ook wat me zo getroffen had aan dat ogenschijnlijk zo onbeduidende gebaar van voorrang verleend krijgen in het verkeer. Degene die de remmen inkneep was discreet – hij beperkte zichzelf, maakte geen gebruik van zijn recht op vrije doorgang. De discrete persoon is de antipode van de voordringer.

Mijn gebaar als antwoord was eveneens discreet, in die andere, maar verwante betekenis: onopvallend, zoals een discrete geur. Een geur die nog maar net te onderscheiden is. Ook dat soort subtiliteiten horen bij het introverte universum. Mijn wat naïeve hoop – een beetje tegen beter weten in – is dat we dadelijk in de terugkeer naar het extraverte leven toch iets meesmokkelen van die elegante, discrete levenshouding.

Matrixborden langs de weg roepen nog altijd: ‘Geef elkaar de ruimte.’ Alsof ook voor auto’s de anderhalvemeter geldt. Maar je kunt het ook als een algemene aansporing lezen. Geef elkaar de ruimte, ook straks.

De avond na mijn Koepelgevangenisbezoek haalde ik gedwee het prikje dat mijn vrijheid officieel ging maken. Na afloop nam ik plaats in het deel van de hal van de Rijswijkse Broodfabriek dat bestemd was voor alle nieuw-gevaccineerden. Een kwartier moesten die afwachten of er niets alarmerends optrad. Met honderden zaten we daar, muisstil en onbewogen – eindexamenleerlingen zonder tafeltjes. De enige activiteit kwam van achterin, waar van tijd tot tijd iemand een selfie nam bij een speciaal daarvoor uitgerold knalgeel wandje. Tekstballonnetje: ‘Ik ben gevaccineerd!’ #Geefimmuniteitdoor #Giro555.

Er was een tijd – en niet eens zo ver terug als Balthasar Gracián – dat je niet publiekelijk sprak over medische ingrepen, noch over geld, noch over je eigen charitatieve gestes. Er rustte geen echt taboe op, het behoorde alleen tot het intieme leven. Degenen met wie je dit deelde, koos je zorgvuldig uit. Inmiddels is het van de daken schreeuwen van zulke privéfeiten is iets waar je je met goed fatsoen niet afzijdig van kunt houden.

Lijdzaam een ingreep ondergaan, in stilte doneren: het discrete staat in diskrediet. Natuurlijk, die actie is sympathiek en hoe meer donateurs hoe beter. Maar er is ook een gevaar dat het doorslaat in een morele borstklopperij. Virtue signalling, in het jargon dat reageert op de Amerikaanse deugcultuur. Vaak slaat het op filmiconen of commerciële merken die zich opzichtig en risicoloos engageren met de geijkte deugdoelen als klimaat en Black Lives Matter. Deugpronken, kwam ik als Nederlandse vertaling tegen. De discrete weldoeners van weleer moeten tegenwoordig als ‘stille helden’ gehuldigd worden, als het even kan tot tranen toe, bij voorkeur in een live tv-programma, met een BN’er ernaast – die de toverkracht van zijn eigen heldendom genereus doorgeeft en vermeerdert.

Er zou een manier moeten zijn om discretie onzichtbaar door te gegeven, de introverte heroïek te verspreiden van het onopvallend een stapje terug zetten. Iemand wees me op de Volkskrantrubriek ‘weekendwijsheid’, met een advies van mijn vroegere stads- en schoolgenoot Jochem Myer: „Als je jezelf een waardeloze zak hooi vind, en je stopt netjes, zul je zien dat de overstekers je een glimlach of zwaai geven.”

Juist. Misschien begint de discrete revolutie gewoon op straat. Maar wel op een onopvallende manier, met een discrete hausse aan hoffelijkheid in het verkeer. Als zelfs de meest impulsieve extravert die ik ken al openlijk pleit voor terughoudendheid, is er misschien echt iets aan het veranderen.