Opinie

Fiscale deal G7 brengt ‘belastingparadijs’ kleine stap dichterbij

Winstbelasting

Commentaar

Een einde aan de race naar de bodem van de schatkist en een eerlijker verdeling van de welvaart in de wereld. Niets minder dan die belofte deden zeven landen afgelopen weekend op een G7-top in Londen. De Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Canada spraken zich daar uit voor een internationaal minimumtarief voor de winstbelasting van bedrijven én ze pleiten ervoor de winsten van multinationals die over de grens hun producten of diensten verkopen, dáár deels te belasten.

De deal op hoofdlijnen, mogelijk geworden na het vertrek van president Trump uit het Witte Huis, wordt gezien als een doorbraak in een even taai als beladen internationaal dossier. De afgelopen decennia daalde wereldwijd het tarief voor winstbelasting voor bedrijven, en met hulp van fiscalisten zochten met name multinationals routes uit waarmee ze hun belastingdruk verlaagden tot soms domweg 0.

De G7-deal is met recht een doorbraak te noemen. Een mondiaal effectief minimumtarief van 15 procent zet gekende belastingparadijzen met lagere tarieven onder druk: hun lagere tarieven zullen voor bedrijven geen aantrekkingskracht meer hebben, omdat het verschil met het minimumtarief alsnog elders wordt geïnd.

Ook het voorstel om „de grootste en meest winstgevende bedrijven ter wereld” belasting te laten betalen op plekken waar hun klanten zitten, is een doorbraak. Techbedrijven, maar ook luxemerken als LVMH kunnen niet meer al hun winst naar één plek laten stromen.

De komende maand ligt het voorwerk van de G7 voor op een G20-top in Italië. Daar zal duidelijk worden hoe landen als China en India erin staan. Zij vrezen dat de deal vooral goed zal zijn voor rijke landen, die onderling de belastingen misschien iets eerlijker verdelen, maar nog steeds geen oog hebben voor de honderden miljarden die ontwikkelingslanden mislopen door fiscale trucs.

Feit dat de VS zich nu achter dit akkoord hebben geschaard, heeft meer te maken met de geldnood van de regering-Biden die duizenden miljarden aan investeringen wil doen om de economie er post-corona weer bovenop te helpen, dan met altruïsme. Blijkbaar denken de VS per saldo te profiteren van deze deal. Datzelfde geldt voor Europa, dat zo’n 48 miljard euro aan extra belastinginkomsten verwacht.

In die zin is de overeenkomst in G7-verband ook een moment om extra op te gaan letten. Zoals zo vaak zal de uitwerking bepalend zijn voor de effectiviteit van de nieuwe regels. Veel is vooralsnog onduidelijk: welke bedrijven vallen bijvoorbeeld onder de categorie grootste en meest winstgevende spelers? Wat is de definitie van winst die gehanteerd wordt; is dat inclusief investeringen en belastingen, waarmee bedrijven hun papieren winsten kunnen verlagen? En waarom is gekozen voor 15 procent als minimumtarief? Dat is nog steeds erg laag, zeker vergeleken bij de lasten op arbeid. Blijkbaar was dit politiek gezien het maximaal haalbare.

De grote vraag die uiteindelijk beantwoord moet worden is in hoeverre de internationale gemeenschap bereid is echt op te staan tegen het internationale bedrijfsleven. Dat zal blijven zoeken naar manieren om zo min mogelijk belasting te betalen – niets menselijks is het bedrijfsleven wat dat betreft vreemd.

Alle zorgen ten spijt: de ommezwaai van afgelopen weekend is er één van grote importantie. Tegelijk is het een illusie te denken dat hiermee een einde komt aan het geschuif met geld. De weg van de race naar de bodem naar een echt, wereldwijd belastingparadijs is een lange. Dit is stap één.