Recensie

Recensie Beeldende kunst

Vrolijke pick-and-mix uit de ontwerpgeschiedenis

Tentoonstelling Het Kunstmuseum in Den Haag toont ontwerpen van Bas van Beek in glas en keramiek. Hij maakte servies uit Disney-films na en creëerde een eclectische kop-en-schotel voor het museumcafé.

Bas van Beek: ‘Belle en het Beest’, uit de serie Basney (2013)
Bas van Beek: ‘Belle en het Beest’, uit de serie Basney (2013) Foto: Pieter Vandermeer

Het café van het Kunstmuseum in Den Haag krijgt een nieuw servies. Dat hoeft op zichzelf niet in de krant, dat het hier toch staat is omdat het een kunstwerk is. Als eerste winnaar van het Stokroos Keramiekstipendium ontwikkelde kunstenaar-ontwerper Bas van Beek een nieuw servies voor het Kunstmuseum, geïnspireerd op de rijke ontwerpcollectie van het museum. Van Beek wilde iets ontwerpen dat „niet alleen voor het depot” bestemd was, en dus drinken museumbezoekers straks hun kop koffie uit kop-en-schotels die geïnspireerd zijn op klassieke ontwerpen van Karel de Bazel (een jaren-20-inktpot), Joe Colombo en Ambrogio Pozzi (hun jaren-60-vliegtuigservies) en Marco Zanini (zijn postmoderne Hollywood collection). Die eclectische kop-en-schotels zijn nog eens gedecoreerd met mandela-achtige patronen naar ontwerp van Berlage, de architect van het museumgebouw.

Dit vrolijke pick-and-mix uit de ontwerpgeschiedenis is typisch voor Bas van Beek (Nijmegen, 1974). Het kopiëren, toe-eigenen en transformeren van bestaande ontwerpen om tot nieuwe inzichten te komen is zijn vaste praktijk. Dat zijn werk met al die verwijzingen naar de kunstgeschiedenis niet te studieus wordt, komt omdat hij zijn ontwerpen met veel humor en lichtheid benadert. Voor het gesloten Museum Boijmans Van Beuningen ontwierp hij bijvoorbeeld aquariumbeeldjes naar hoogtepunten uit de museumcollectie, die beeldjes werden vervolgens bij een dierenwinkel verkocht.

Lees ook dit interview: ‘Ik wil geen neoliberale vormgever zijn’

De expositie met werk van Van Beek die nu te zien is in het Kunstmuseum richt zich op zijn werken in glas en keramiek. Dat is enerzijds jammer, want zo krijg je weinig zicht op de breedte van het werk van de nu veelgevraagde ontwerper (voor het Stedelijk Museum ontwierp hij nieuwe behangsels en animaties bij de recente design-expositie, in het Van Abbe Museum is tegelijk, nog heel even, een indrukwekkende door Van Beek ingerichte zaal te zien rondom het Beethovenfries van Gustav Klimt.) Anderzijds heeft de expositie wel een mooie focus, die samenkomt in het Kunstmuseum-servies.

Jongerius/IKEA-vaas

Net zo makkelijk als Van Beek citeert uit het werk van klassiek geworden voorgangers, gaat hij aan de haal met werk van tijdgenoten en grote multinationals. Voor Simulacrum (Hacking IKEA) combineerde Van Beek drie vazen die de Nederlandse sterontwerper Hella Jongerius voor IKEA ontwierp, met de goedkoopste IKEA-vaas. Door ze met tape te verbinden verwijst het beeld naar Jongerius’ veel exclusievere Long Neck en Groove Bottles. Een extra laag zit in een noot bij de zaaltekst: IKEA nam de Simulacrum-vazen later op in de collectie van het eigen museum. Omdat transport en verzekering van deze vazen een ‘aanzienlijke hap uit het tentoonstellingsbudget’ zou nemen, staan in het Kunstmuseum nu niet die ‘originele’ vazen uit de IKEA-collectie, maar nieuwe uitvoeringen, gemaakt van tweedehands Jongerius/IKEA-vazen, gekocht op eBay en Marktplaats.

Bas van Beek, Simulacra (Hacking IKEA) (2008) Foto: Leo Veger / Platform21

Een simulacrum is een kopie zonder origineel. Zo zou je ook het theeservies kunnen noemen dat Van Beek maakte naar Disney-filmklassiekers als Belle en het Beest en Alice in Wonderland. Je herkent Disney’s archetypische ontwerpen direct, daar zijn de filmfragmenten op de achtergrond bijna niet voor nodig. Deze vazen hebben voor Van Beeks interventie nooit ‘echt’ bestaan, alleen als getekende animatie. Tegelijkertijd zal dit ‘fictieve servies’ (waarvoor de tekenaars ongetwijfeld bestaande, klassieke serviezen hebben bestudeerd) voor de vele generaties die opgroeiden met Disney-films iets hebben betekent voor wat we begrijpen onder ‘theeservies’.

Een prettig ontregelend kleinood is de koffiebeker Neseo, waarvoor Van Beek het kopje baseerde op het koffiecupje van Nespresso, en het handvat ‘stal’ van de koffiemachine van Senseo. Onpraktisch, maar Van Beek ontleedt ermee geweldig hoe die herkenbare design-elementen fungeren als een soort ‘handtekening’, of logo, voor deze mondiale, commerciële koffie-imperiums. De Nespresso- en Senseo-ontwerpers blijven hier naamloos, maar hun rol is niet veel anders dan die van van de beroemde ontwerpers die Van Beek citeert in het Kunstmuseum-servies.