Opinie

Verklaar vaccins tot mondiaal publiek goed

Maxim Februari

Aan veel sociale analyses ligt de rapaljepremisse ten grondslag. Het mensbeeld dat organisatiekundige Elton Mayo de ‘rabble hypothesis’ heeft genoemd: de gedachte dat de mens wordt gedreven door winstbejag en dat de samenleving van nature bestaat uit ongeorganiseerd gepeupel waaraan orde moet worden opgelegd.

Deze rapaljepremisse beheerst van oudsher het publieke debat. De kiem ervoor is al in het paradijsverhaal gelegd. Met Eva en Adam als het gepeupel dat bij de eerste de beste verleiding ten val komt en zich daarmee voorgoed onderwerpt aan het systeem van wortel en stok, beloning en straf, hiërarchie en tucht.

In coronatijd kun je het woord ook horen zoemen: rapalje, rapalje, rapalje… Zelf geloof ik van oudsher helemaal niet in deze troosteloze hypothese, maar ik ben eraan gewend geraakt haar in alle discussies tegen te komen.

Alleen begrijp ik tegenwoordig één ding niet. Is de westerse mens nou rapalje als hij zich niet laat vaccineren of als hij zich wel laat vaccineren? Laten we de knoop eens ontwarren.

In de afgelopen dagen leek de heropening van de samenleving op komst: de Volkskrant sprak van „bevrijdingsdag” en The Washington Post had het zelfs over „het einde van de drooglegging”. Dat leek een tikje voorbarig. Vooral nu het hoofd van de Wereldgezondheidsorganisatie, Tedros Adhanom Ghebreyesus, net nog had gewaarschuwd dat de Covid-19-pandemie wereldwijd in stand wordt gehouden door een „schandalige ongelijkheid” in de distributie van vaccins. Meer dan 75 procent van alle vaccins is op dit moment toegediend in slechts tien landen.

Het Covax-programma, dat vaccins over de wereld moet verdelen, komt nog nauwelijks op gang; de paus, Zuid-Afrika, India en Greta Thunberg hebben allemaal al alarm geslagen. Tedros Adhanom Ghebreyesus benadrukte daarom dat het hard nodig is mensen in de armste landen dit jaar nog in te enten. „Dit is cruciaal om ziekte en dood te voorkomen, onze zorgmedewerkers veilig te houden en onze maatschappijen en economieën te heropenen.”

Tot zover alles duidelijk. Maar hoe krijg je de wereld zo ver dat te gaan doen? Welk argument moet je gebruiken? Wetenschapshistorica Hieke Huistra waarschuwde eerder in Trouw tegen een nadruk op eigenbelang. Je moet onderontwikkelde landen van vaccins voorzien omdat de mensen daar zelf ingeënt moeten worden, schreef ze. Niet omdat we in ontwikkelde landen bang zijn voor onze eigen veiligheid. Niet omdat we hier het ontstaan van gevaarlijke mutaties willen voorkomen. Het kan als epidemiologisch argument misschien kloppen – „als we daar vaccineren, kunnen we hier op het terras zitten, met bitterbal en al” – maar als moreel uitgangspunt is het pover.

Het was een goed en sympathiek stuk, maar ik bleef toch zitten met dat terras en die bitterbal. In het afgelopen jaar is het terras het smadelijke icoon van ons rapaljeschap geworden. Volgens de verhalen willen wij westerse mensen maar één ding: op een terras zitten en ons kapot amuseren. Zo ontstaat er een merkwaardige tweedeling in de wereld tussen verveelde westerse mensen die op een terras willen zitten en kwetsbare mensen in onderontwikkelde landen die nooit op een terras willen zitten.

De tweedeling dook een week later weer op in een ander nadenkend en sympathiek coronaverhaal. De twintiger Maarten van Gestel beschreef, ook al in Trouw, zijn morele dilemma. Moest hij zichzelf laten vaccineren – „zodat ik zo snel mogelijk naar Paaspop kan” – of een leven redden door zijn prik af te staan aan een bejaarde in Pakistan? Hij ging op ethisch onderzoek uit.

Wetenschappers vertelden hem dat het weinig zin had een jongerenbeweging te starten om vaccins af te staan: te omslachtig en te kleinschalig. Ze gaven vooral epidemiologische argumenten over mondiale besmetting en vaccinatiegraden. Precies het soort argumenten waarmee alle tobberige mensen in mijn omgeving zich wél hadden laten vaccineren: niet vanwege hun eigen gezondheid, maar vanwege de vaccinatiegraad en daarmee de gezondheid van anderen.

De terrasmetafoor is, kortom, een beetje chagrijnig. In het rapaljeverhaal dat erbij hoort kunnen arme landen hooguit vaccins verwachten uit de pot voor liefdadigheid. De besmettingsmetafoor daarentegen hoort bij het tijdperk van de globalisering, waarin iedereen ter wereld verbonden is en alle problemen met elkaar verknoopt. En waarin het dus geen zin heeft zelf vaccins te hamsteren als anderen ze niet hebben.

De besmettelijkheid, de verknooptheid, lijkt me nog helemaal nog niet zo’n gekke onderbouwing als je vaccins tot mondiaal publiek goed wilt verklaren. Mocht er een verdrag komen om pandemieën in de toekomst aan te pakken, laat het terras er dan buiten.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.