Opinie

NVJ praat met Wilders

Frits Abrahams

Het bestuur van de journalistenvakbond NVJ wil een gesprek met Geert Wilders over diens bewering dat „journalisten, uitzonderingen daargelaten, gewoon tuig van de richel” zijn. Het moeten optimistische mensen bij die vakbond zijn, maar als Wilders de uitnodiging aanvaardt, zou ik dolgraag de gespreksleider van deze bijeenkomst zijn.

„Goedemiddag, meneer Wilders, fijn dat u er bent.” (Deze warme formulering heb ik van de tv-talkshows geleend, evenals de afscheidszin: „Fijn dat u er was.”)

Wilders kijkt me onverschillig aan, alleen de tic bij zijn mondhoeken – een korte, trekkende beweging – verraadt mogelijk enige spanning. „En wie ben jij dan wel? De leukste thuis?” De woorden komen er strak en snel uit, zoals we van hem gewend zijn.

„Ik schrijf voor NRC…”

„Allemaal tuig van de richel, zonder ook maar één uitzondering.”

„Ik schrijf er columns…”

„Tuigje van de richel dus. Ben jij niet die zak die getrouwd is met zo’n shariasocialiste van de Partij van de Arabieren?”

„Ik zou ons gesprek graag een wat positievere wending willen geven door in te zoomen op…”

„Je zoemt maar.”

„Op die voor u kennelijk positieve uitzonderingen. Op die manier kunnen we misschien dichter tot elkaar komen. Wie bedoelde u?”

„Dat ga ik jou toch niet aan je elitaire snotneus hangen? Wie denk je dat je bent?”

„Bedoelde u misschien Paul Jansen, de hoofdredacteur van De Telegraaf, die in zijn reactie op uw statement zei: ‘Ik snap zijn frustratie over de pers best, en soms heeft hij met zijn kritiek ook gelijk’.”

„Dat is aardig gezegd van die Jansen, maar hij is tegelijk toch weer zó laf dat hij eraan toevoegt dat ik op deze manier onverlaten zou opjuinen tegen de pers. Laat Jansen zich nou bij zijn leest houden: smakelijke hetzes tegen dat mens van Halsema en die trut van Kaag en andere linkse mafkezen. Wat zit je nou sip te kijken?”

„Omdat we er op deze manier nooit uitkomen en omdat…”

„Ik hoef nergens uit te komen. Dat is meer jouw behoefte. Weet je waar jij eindelijk uit moet zien te komen? Uit die grachtengordel van je. En ga dan eerst eens kijken bij die Marokkaantjes in Amsterdam-West en kom mij dan vertellen waarom je er daar nóg meer van wilt hebben. Ja?”

„Dan kan ik nu misschien beter het woord geven aan de heer Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ, die uw bewering heeft betiteld als een legitimatie aan uw aanhangers om gewelddadig op te treden.”

„Naar dat zielige, miezerige vakbondsmannetje met zijn politiek-correcte prietpraat ga ik zeker níet luisteren.”

„Maar naar wie wilt u dan wél luisteren? Vindt u het misschien prettig als we uw fractiegenoot Dion Graus erbij halen? Ik heb begrepen dat jullie dikke vrienden zijn.”

„Kom niet aan Dion! Het is een lieve Limburger met – net als ik – een groot zwak voor dieren, poezen vooral.”

„Misschien kan juist Dion Graus als joviale Limburger een wat meer ontspannen toon in ons gesprek brengen. Hij is van harte welkom, al zijn we wel genoodzaakt de vrouwelijke bediening door enkele stevige mannen te vervangen… Meneer Wilders waar gaat u nu heen? Meneer Wilders? Fijn dat u er was!”