Opinie

M'n zus haat die terugkeer naar het oude normaal

Ellen Deckwitz

‘Ik ben kapot”, zei de zus toen ze gisteren op mijn bank plofte. „Ik haat die terugkeer naar het oude normaal, opeens wil de hele wereld weer afspreken.” „Maar je hebt je sociale leven toch gemist?”, vroeg ik voorzichtig. „Ja hoor”, zei ze. „Maar dat wil niet zeggen dat ik iedereen constant wil zien. Of zelf gezien wil worden, want dan wordt er ook opeens weer van alles van je verwacht. Dat je gezellig meedoet, de krant leest zodat je deel kan nemen aan discussies, de laatste films hebt gezien, weer sport zodat je op het terras toonbaar bent, weet waarnaar je op vakantie gaat en dan moet je ook nog eens goedgehumeurd zijn omdat ze zich anders zorgen over je gaan maken, wat je weer de nodige dagdelen aan meditatie en je woede koelen op knotwilgen kost. Echt, het aantal uren dat nodig is om weer onder de mensen te komen, loopt inmiddels in de honderden, ik had er zoveel leuks mee kunnen doen.”

Ik knikte, al wist ik niet precies waarom.

„En het ergste van al die publieke gelegenheden is nog dat tijdens het uitgaan onbekenden weer tegen je kunnen kletsen”, vervolgde ze. „Ik bedoel ik houd van mensen hoor, maar met de meesten heb ik gewoon liever geen contact. Ze willen niet zozeer met je praten als wel je van iets overtuigen: hun gelijk, dat ze interessant zijn, dat het goed met ze gaat. Na een kwartiertje wil ik mezelf met een hamer in het gezicht slaan maar omdat ik het liefst toerekeningsvatbaar overkom, doe ik dat maar niet.”

Ze masseerde haar slapen.

‘Je moet”, zuchtte ze, „de aanwezigheid van anderen gewoon altijd doseren, zelfs al zijn ze heel leuk. Het is eigenlijk net zoiets als dat je in een ideale wereld nooit met je geliefde een toilet zou moeten delen. Er moet een beetje afwezigheid blijven, om het leuk te houden.”

„Ook bij vrienden?”

„Ja joh. Er is een grens aan hoeveel je ze kunt zien zonder ook hen weer irritant te vinden. Hoeveel je ook van ze houdt, je kan ze niet de hele tijd aan. Aan sommige mensen is het allerfijnst gewoon het idee dat je ze elk moment zou kunnen opbellen, maar dat ook weer niet meteen hoeft.”

„Dus het beste aan je vrienden is de gedachte?”

„Ja”, zei ze. „En dat ik er zowel blij van word als ik ze wel zie, als wanneer ik ze níét zie. Maar ik ga er weer vandoor, een beetje sporten en me inlezen zodat zij ook blij blijven met mij.”

En daar verdween ze alweer om zich af te zonderen, zodat anderen daar weer plezier aan konden beleven.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.