Een oplossingsgerichte uitzuiger

Beestjes De roofvlieg weet een stekende wesp weerloos te krijgen en verteert zijn eten voor, ziet .
Als een kind dat sap zuigt met een rietje, zo gebruikt de roofvlieg zijn zuigsnuit.
Als een kind dat sap zuigt met een rietje, zo gebruikt de roofvlieg zijn zuigsnuit. Foto Aglaia Bouma

Het is voor velen moeilijk aan een huis te komen momenteel. Bij koopwoningen wordt steevast boven de vraagprijs geboden en op de huurmarkt worden vierkante meters al dan niet legaal tegen woekerprijzen aangeboden. Kopers en huurders staan machteloos en hebben geen andere keus dan zich overgeven aan uitzuigers die misbruik maken van de situatie.

Eigenlijk is het een belediging voor roofvliegen dat ik bij het woord ‘uitzuigers’ aan deze insecten moet denken. Maar de manier waarop zij hun prooi overmeesteren, maakt de vergelijking bijna onontkoombaar.

Roofvliegen (familie Asilidae) zijn krachtig gebouwde, langwerpige vliegen met grote ogen. Vaak zijn ze opvallend behaard en voorzien van een flinke snor. Deze dieren behoren tot dezelfde superfamilie Asiloidea als de hier eerder opgevoerde wolzwevers (Bombyliidae) maar in tegenstelling tot hun verwanten zit het venijn bij roofvliegen niet aan het achtereind. Het is de stevige zuigsnuit, de proboscis, waar voornamelijk andere insecten, maar ook een enkele spin, beducht voor moeten zijn. Vliegend langs of wandelend over een open, zonnige en droge plek zoals een zandpad, kunnen die zomaar weerloos slachtoffer worden van een roofvlieg. Hij zit daar op de uitkijk en schiet op een prooi af zodra hij die in het oog krijgt. De snelheid waarmee deze goede vlieger dat doet, ziet er stoer uit. En dat is hij ook. Hij plukt zijn slachtoffers schijnbaar moeiteloos uit de lucht, zelfs als dat heftig tegenstribbelende kevers of stekende wespen zijn. Ook voor de aanval op een familielid schrikt deze geweldenaar niet terug. Mogelijk beschermt die borstelige snor de ogen als hij zo’n gevaarlijke prooi tussen de poten houdt, terwijl hij zoekt naar een geschikte plek om de korte proboscis in het slachtoffer te steken. Het speeksel dat zijn zuigsnuit vervolgens inbrengt, verlamt de prooi, die onmiddellijk stopt met worstelen. De wesp wordt weerloos, het sterke familielid slap. Met de buit tussen de poten vliegt hij terug naar zijn uitkijkpunt. Door de hoog geplaatste ogen en de dan bewegingloze pose, ziet de vlieg eruit als een kind dat vol genot sap zuigt met een rietje. En dat is eigenlijk precies wat er gebeurt. In het speeksel dat de proboscis heeft ingespoten, zit behalve verlammend gif een enzym dat de organen van het slachtoffer vloeibaar maakt. Het verteert het eten alvast voor. De roofvlieg moet wel, want hij mist bijtende monddelen om hapklare brokken te vervaardigen. Dit is hoe hij het oplost. Zo kan de hele voedselrijke inhoud van de prooi naar binnen gezogen worden.

Het gaat er niet zachtzinnig aan toe wanneer een roofvlieg zijn prooi overmeestert, maar deze agressieve jacht is de enige manier voor hem om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat is anders in de mensenwereld, waar kopers en huurders worden verteerd door hun behoefte ergens te wonen. De bedrijven die hen uitzuigen, doen dat doorgaans om meer winst te maken: ze willen groeien. Roofvliegen niet. Eenmaal volwassen groeit een insect niet meer. Het nageslacht wel, maar roofvliegmaden hebben kaken om te eten. Dat zijn nog geen uitzuigers.