Tientallen afvallers, één geslaagde voetbaldroom: deze jeugdopleider was het zat

Pjotr van der Marel, oud-jeugdopleider van Sparta

Pjotr van der Marel kreeg zijn twijfels bij het opleidingsysteem van jonge voetballers. En vertrok daarom bij Sparta.

Pjotr van der Marel vertrekt als jeugdtrainer bij Sparta: „Als tachtig procent weer uit beeld verdwijnt, heb je dan in het belang van al die kinderen gedacht?”
Pjotr van der Marel vertrekt als jeugdtrainer bij Sparta: „Als tachtig procent weer uit beeld verdwijnt, heb je dan in het belang van al die kinderen gedacht?” Foto Bastiaan Heus

De mooiste voetbaldromen kwamen voorbij in de gesprekken die Pjotr van der Marel (40) door de jaren heen met jeugdspelers van Sparta heeft gevoerd. De een wilde via de Rotterdamse club bij Arsenal eindigen, de ander neigde meer naar FC Barcelona of het maagdelijk wit van Real Madrid. „Als zo’n spelertje drie jaar later de opleiding moest verlaten, kon ik alleen maar denken: och arme jongen.”

Want de werkelijkheid, weet hij, valt vaak tegen in vergelijking met wat spelers is voorgespiegeld – of dat nu door de ouders, profclubs of door de jonge voetballer zelf is gedaan. Dat is wat Van der Marel wel heeft geleerd, de afgelopen zes jaar in dienst van Sparta Rotterdam. Hij werkte er eerst als jeugdtrainer en later als lid van het managementteam van de jeugdopleiding voordat hij afgelopen vrijdag de deur achter zich dichttrok – op eigen initiatief.

Geweldige club

Dat laatste ligt niet aan Sparta. Hij vindt het een geweldige club en werkte er met fijne collega’s. Hoe vaak zijn ze wel niet geprezen voor de manier waarop ze hun spelers coachen: niet als brulboeien die spelers na een paar slechte passes meteen wisselen, maar positief opbouwend. „We creëerden een veilig en vertrouwd klimaat waarin kinderen het beste van zichzelf konden laten zien.”

Met de belangrijke disclaimer dat ze de verwachtingen bij spelers en ouders vooraf al temperen. „In plaats van continu naar die lichtmasten verderop te wijzen, als het heilige doel waar spelers naar moeten streven, maken wij ze al van begin af aan duidelijk dat het avontuur ook snel weer kan eindigen.”

Lees ook: De voetbaldroom van documentairemaker Niels Tesselaar spatte uiteen: ‘Ik voelde mij een niemand’

Toch vertrekt hij. En dat heeft ermee te maken dat zijn visie op talentontwikkeling is veranderd. De afgelopen tijd is hij zich steeds minder comfortabel gaan voelen bij een systeem dat, hoe hij het ook wendt of keert, draait om het voortbrengen van die ene topper die wél het eerste elftal haalt, tegenover een veelvoud daarvan aan afvallers. Jongens voor wie hun beoogde profcarrière slechts een desillusie bleek te zijn, en die zich naderhand afvragen wat ze dan met hun leven moeten.

Wie de voorbije weken de serie Voetbaldroom heeft gevolgd, op zondagavond bij de NPO, heeft dat ook kunnen zien. Van der Marel was een van de hoofdpersonen, en terwijl de makers daarvoor vrijelijk filmden achter de schermen van Sparta’s jeugdopleiding, sprak Van der Marel voor de camera’s zijn twijfels uit over het systeem waarin hij functioneerde. De weg naar een profloopbaan was niet zozeer hobbelig, zei hij: het was eerder te vergelijken met een beklimming van de Mount Everest.

Intern onderzoek

Zo moest hij even slikken na de uitkomsten van een intern onderzoek bij Sparta, waaruit bleek dat vijf procent van alle jeugdspelers over de afgelopen tien jaar zijn debuut in het eerste elftal van de Rotterdamse club maakte, en dat twee procent daarin meer dan twintig duels speelde. Van der Marel nu: „Sommige spelers zijn nog bij andere profclubs beland, maar ook een hoop zijn gestopt. Daar schrok ik van. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Deze sport is zo mooi.”

Die grote voetbaldroom waar het vaak over gaat, zegt hij, is bijvoorbeeld iets waar vooral ouders en trainers het over hebben. Het gebeurt zelfs bij grote amateurclubs, waar streng kijkende trainers jongetjes voorhouden dat ze er veel voor over moeten hebben om later prof te worden. Op tijd móeten slapen, gezond móeten eten; Van der Marel weet niet of dat op jonge leeftijd al de voorwaarden moeten zijn om de top te halen. „Als tachtig procent weer uit beeld verdwijnt, heb je dan in het belang van al die kinderen gedacht?”

Toch is hij zelf ook een tijdje „zo’n trainer” geweest. Toen hij zes jaar geleden bij Sparta ging werken, stond hij ook met een magneetbord in de kleedkamer, om via denkbeeldige pass- en looplijnen aan kinderen van negen te vertellen hoe ze moesten voetballen. Zo deden andere trainers dat ook. „Ik heb het ook een tijdje over miniprofs gehad. Totdat dat woord me ging tegenstaan. Het zijn gewoon kinderen.”

Lees ook, uit 2019: Elke keer met buikpijn naar de training. Ineens is hij er klaar mee

Na meerdere onderzoeken te hebben gelezen betwijfelt hij nu of het überhaupt zinvol is zulke jonge spelers op te leiden. Toen Sparta nog een onder 8 had, was hij van oktober tot en met april bezig om tien zevenjarigen te selecteren voor de instroom. „Terwijl ik eigenlijk al wist dat het zinloos was: je kunt op die leeftijd niet beoordelen of een spelertje een potentiële prof is. Ik geloof er meer in dat je een paar honderd spelers uitnodigt om regelmatig bij een profclub te komen trainen, die je vervolgens allemaal beïnvloedt en waaruit je een paar jaar later de spelers uitpikt die de meeste potentie hebben. Ik zou dan beginnen met een onder 13 als jongste team binnen een opleiding. Dat past bij de discussie over gelijke kansen die ook in het onderwijs speelt.”

In die zin was hij bij Sparta soms „de vreemde eend”, denkt hij. Hij was de trainer die ouders niet op afstand hield maar ze er juist bij betrok, en hen op het hart drukte om op zondag vooral wat leuks met het gezin te doen, zodat het niet altijd draait om hun talentvolle zoon. Hoe meer er voor het voetbal is opgegeven, hoe groter de klap als de droom uiteenspat. Ja, topsport kan hard zijn, weet hij, maar dan wel als kinderen een jaar of zestien zijn.

Terug naar het onderwijs

Nu hij bij Sparta vertrekt, hoopt hij terug te keren in het basisonderwijs, als directeur op een school. Voordat hij fulltime voetbaltrainer werd stond hij al tien jaar voor de klas. De laatste vijf jaar voor groep acht, daarvoor als invalkracht op oproepbasis, wat erop neer kwam dat hij zich elke dag op een andere school meldde. „Aankomen, inschatten, analyseren. En dan knallen. Mijn vader zei het vroeger al: ‘vergeet die beroepskeuzetesten, je gaat toch wel het onderwijs in.’”