Opinie

Goed dat Nederland nu vaart zet met steun aan Afghaanse tolken

Aftocht uit Afghanistan

Commentaar

De in april aankondigde Amerikaanse aftocht uit Afghanistan kwam niet alleen als een verrassing voor westerse bondgenoten, maar ook voor de duizenden Afghaanse tolken die de internationale legermacht jarenlang terzijde stonden. De tolken en hun gezinnen dreigen nu het slachtoffer te worden van wraakacties en geweld. De extremistische Taliban, die snel oprukken nu het Westen de handen aftrekt van Afghanistan, doen daar niet geheimzinnig over. Zij hebben al te kennen gegeven dat ze eenieder die voor de buitenlandse ‘bezetters’ heeft gewerkt, beschouwen als verrader.

Het is daarom terecht dat het kabinet alsnog haast wil maken met de evacuatie van de tolken die voor Nederland hebben gewerkt. Donderdag zegde minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) dit toe, nadat de Tweede Kamer in een breed gesteunde motie van het Kamerlid Kati Piri (PvdA) en anderen had gevraagd om „alle mogelijkheden te benutten om ervoor te zorgen dat de Afghaanse tolken en hun gezinnen in Nederland zijn” en de desbetreffende groep mensen „actief” te benaderen en te ondersteunen. Onderdeel van de motie is een evacuatieplan, het leidende principe wordt ‘no man left behind’. De Nederlandse missie eindigt op 4 juli.

Nederland werd actief in Afghanistan in 2002, niet lang na ‘9/11’, de aanslagen in New York en Washington. Het maakte soms gebruik van tolken van coalitiepartners en huurde zelf ook 273 lokale tolken in, liet Bijleveld onlangs weten. Deze mensen kregen ‘tolkenpassen’ en staan ook in de database van het ministerie van Defensie. Zij kunnen in principe asiel aanvragen in Nederland – in 2019 stelde de Tweede Kamer vast dat de tolken recht op bescherming hebben. Een kwestie van leven of dood, klonk het toen al, net als nu weer.

De procedure is lastig: van de tolken worden allerlei documenten gevraagd die ze in een ‘failed state’ als Afghanistan niet altijd makkelijk kunnen krijgen, of waarvoor ze lang moeten reizen naar hun geboortegrond. Anne-Marie Snels, oud-voorzitter van militaire vakbond AFMP, had het onlangs in NRC over schrijnende gevallen, zoals de Afghaanse tolk die zijn visumaanvraag opnieuw moest doorlopen, omdat hij in de tussentijd een dochter had gekregen.

Sinds 2013 zijn er 68 aanvragers onder de zogeheten tolkenregeling met hun gezin in Nederland aangekomen. Ruim honderd aanvragers mochten de overtocht niet maken. Daar kunnen redelijke gronden voor zijn, maar ook in deze groep zitten schrijnende gevallen, waarschuwt de Kamer. Als iemand maar kort voor Nederland heeft gewerkt, en veel langer voor een ander land, kan dat een afwijzingsgrond zijn. In de door Bijleveld nu omarmde Kamermotie staat zwart op wit dat dit niet meer kan.

Of andere landen veel beter met hun tolken omgaan, is lastig te zeggen. De VS en het Verenigd Koninkrijk zijn in ieder geval wel veel pro-actiever richting de tolken. Op consulaire websites van die landen staat, om te beginnen, de procedure voor tolken en hun gezinnen stap voor stap beschreven. Bijleveld beloofde aan de Kamer dat ook Nederland snel zo’n instructie zal publiceren.

Dat Bijleveld tempo maakt, is goed nieuws. Het is wel jammer dat hiervoor flinke druk nodig was, van Nederlandse veteranengroepen die zich zorgen maken over het lot van ‘hun’ tolken, en van de Tweede Kamer. Zorgelijk is ook dat soortgelijke kwesties al eerder opspeelden, maar niet tot een groter gevoel van urgentie hebben geleid. Dat Nederland een rol wil spelen op het wereldtoneel is prijzenswaardig, maar het brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Toestaan dat hier twijfels over ontstaan is niet alleen gevaarlijk voor de tolken en hun gezinnen, maar ook voor de reputatie van de Nederlandse krijgsmacht, en uiteindelijk dus ook voor Nederlandse militairen. Zij moeten er bij toekomstige missies van op aan kunnen dat de beste, meest toegewijde tolken bereid zijn om met Nederland te werken.