Opinie

Geef burgers een rol in het beoordelen van bedrijven

Shell-zaak Niet rechterlijke uitspraken of regulering door de overheid maar burgerparticipatie zou grote bedrijven het beste tot de orde kunnen roepen, betoogt .
Mensen verzamelen zicht bij de rechtbank in Den Haag voorafgaand aan de klimaatzaak tegen Shell.
Mensen verzamelen zicht bij de rechtbank in Den Haag voorafgaand aan de klimaatzaak tegen Shell. Foto Laurens van Putten / ANP / Hollandse Hoogte

De uitspraak van de Haagse rechtbank in de zaak van Milieudefensie tegen Shell maakt veel los. Het gaat hier over het klimaat, over mensenrechten, maar ook over de rol van de rechter in een democratische rechtsstaat. Een van de meest gehoorde argumenten tegen het vonnis is dat de rechter daarmee op de stoel van de politiek gaat zitten. Ook Maarten Huygen is die mening toegedaan (Tanken bij Shell is geen schending van mensenrechten, 1/6). Huygen betoogde dat met het vonnis de wetshandhaving „deels is geprivatiseerd”. Immers, private stichtingen en verenigingen die procederen namens het algemeen belang bepalen zo wat wel en wat niet juridisch wordt afgedwongen. Regulering door de overheid (al dan niet via de EU), die voor alle bedrijven geldt, zou beter zijn dan een rechterlijke oekaze.

De vraag is hoe sterk dit argument is. De rechtbank geeft op meerdere plaatsen aan dat overheden zichzelf gecommitteerd hebben aan ambitieuze reductiedoelstellingen in het Akkoord van Parijs, maar tot nu toe hebben verzuimd dit om te zetten in afdwingbare regels. Het vonnis kan dan ook gelezen worden als een terechtwijzing van de rechters aan de politiek: kom dan met betere regels! De rechtbank houdt zo de politiek aan de eigen beloften.

Tegelijkertijd roept dit nieuwe vragen op. Wat voor één mensenrecht geldt, geldt ook voor andere mensenrechten. Daarmee zou de aanpak van de rechtbank ook op andere terreinen navolging kunnen krijgen. En aangezien veel van wat onder ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ valt, ook in een mensenrechtenjasje kan worden gegoten, zou dat allerlei maatschappelijk (on)wenselijk gedrag van bedrijven onder rechterlijk toezicht plaatsen. Van betere arbeidsomstandigheden tot inclusiviteit op de werkvloer, van gezondheid tot privacy, van biodiversiteit tot belastingmoraal. Op veel van die terreinen zijn ook ambitieuze doelstellingen uitgesproken door overheden. Dan zou de rechter daar bedrijven evengoed aan kunnen houden, met een beroep op de mensenrechten.

Sociaal toezicht

In deze patstelling tussen politiek en rechterlijke macht wordt één partij over het hoofd gezien: de burger. Wanneer regulering niet goed werkt of door politieke impasses niet tot stand komt, zouden bedrijven ook gecontroleerd kunnen worden door burgers. Een voorstel daartoe deed ik elders voor het oprichten van een ‘sociale audit’.

Lees ook: De rechter maant Shell tot actie, omdat de politiek te passief is

Grote bedrijven zouden eens per vijf of zes jaar kunnen worden beoordeeld in een audit. Aan het begin van zo’n cyclus zou een groep burgers, door een loting gekozen, in een conventie kunnen bepalen op welke criteria bedrijven beoordeeld worden. Traditionele criteria van maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen daarin centraal staan. Aan het eind worden bedrijven becijferd door panels of jury’s van burgers, al dan niet aangevuld met experts. Hun score legt vast hoe succesvol zij zijn geweest in het creëren van maatschappelijke waarde (of hoeveel maatschappelijke waarde zij hebben vernietigd). De score kan gebruikt worden voor een systeem van premies en boetes, om hier ook een financieel prijskaartje aan te hangen. Zo wordt ondernemerschap op maatschappelijke waardecreatie ook financieel aantrekkelijk.

Een dergelijk toezicht brengt burgers in een directe maatschappelijke relatie met bedrijven. Nu wordt de relatie tussen burgers en bedrijven geregeerd door wantrouwen, gevoed door incidenten en schandalen in de media, rondom beloningsbeleid, milieuvervuiling of coronasteun. Door een sociale audit zouden burgers gedwongen worden zich constructief op te stellen, en zich de vraag te stellen: wat verwachten wij eigenlijk van onze (grote) bedrijven? Dat zou de publieke discussie over de rol en impact van bedrijven kunnen wegleiden van incidenten. Bedrijven zouden gedwongen worden echte maatschappelijke verantwoording af te leggen, om zo hun ‘social license to operate’ te verdienen.

Gelijk speelveld

Koudwatervrees rondom burgerparticipatie is te verwachten, maar er zijn inmiddels diverse goede voorbeelden van burgerconventies die tot serieuze resultaten hebben geleid. Denk bijvoorbeeld aan de vorig jaar in Frankrijk gehouden Convention Citoyenne pour le Climat, die tot een zeer gedegen lijst aan voorstellen kwam. Een regulier proces van sociale audits zou een publieke relatie creëren tussen bedrijven en burgers. Daarmee krijgen bedrijven naast de aandeelhoudersvergadering er een tweede forum bij waarin zij zich moeten verantwoorden voor hun prestaties. Dat zou de druk op de rechtszaal kunnen helpen verminderen. Ook zou dit een ander probleem dat Huygen noemt helpen oplossen: dat Shell wel wordt veroordeeld, maar andere bedrijven niet. De sociale audit zou in principe voor alle bedrijven gelden. Daarmee komt een gelijk speelveld tot stand.

In het kader van de discussies over ‘macht-tegenmacht’ gaat het altijd over de verhouding tussen burgers en de politiek. Maar in de verhouding tot grote bedrijven worden burgers nooit genoemd. Toch ligt een rol voor burgers voor de hand, nu grote bedrijven in de financiële, technologische, farmaceutische en andere sectoren toonaangevende maatschappelijke spelers zijn geworden, die mede de toekomst van de samenleving vormgeven. Die toekomst moet uiteindelijk in handen zijn van ons allemaal.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.