Opinie

De anticonsument

Stephan Sanders

Het geluid is van ijzer, van metaal, allesdoordringend en het zijn niet alleen mijn oren, maar ook mijn maag en mijn spieren die overweldigd raken. Daar is geweeklaag en gekerm, daar wordt een walvis vermoord. Ze werken aan de Torontobrug in Amsterdam, vlak bij mijn huis, en die diepe, sonore klanken zou ik ook kunnen opvangen tijdens een concert van eigentijds klassieke muziek.

Het is ijzingwekkend, het is magistraal, maar je begrijpt ook waarom concerten in bijvoorbeeld het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ niet nachtenlang doorgaan. Dit geluid kan ik niet uitzetten, ik moet het ondergaan. Ik doe alsof ik zelf het ticket heb gekocht.

Dat weglopen lukte ook niet tijdens de coronacrisis, en ook daarin heb ik me geschikt. Als je erover nadenkt is het bloedsaai: je had het of kon het krijgen, soms gebeurde dat en soms ook niet, mensen ging dood en soms ook niet, en elke dag stond alles in de media in het teken van het virus. In oude communistische landen was de nieuwsvoorziening ook zo geregeld: monomaan, opvoedend en directief. Corona, ik zei het eerder, zorgde voor DDR-achtige trekjes in Nederland.

Alles „om niet”? Ik ben ervan overtuigd dat veel van de maatregelen nodig waren voor de volksgezondheid. Maar: wel graag een parlementair onderzoek. Nu de crisis zich terugtrekt, kijk ik naar mijn bankrekening, en zie deze week opvallende verschuivingen: da’s allemaal van eten en drinken buiten de deur. Is dat werkelijk mijn levensvervulling?

Er is in mij een anticonsument op aan het staan, ik vind die bistro- en terrasrekeningen niet verheffend, vooral ook omdat ik weet dat ik het maanden zonder kon stellen. Dat was even lastig, en wende toch weer sneller dan verwacht.

Moet je het ‘normaal’ noemen dat je weer braaf meedoet omdat het nu kan en mag? Hoe lang heb ik mezelf een rad voor ogen gedraaid, welk ‘goede leven’ heb ik mezelf aangepraat?

Het idee dat de hele lockdownperiode enkel een oprisping is geweest en dat je nu vooral extra moet consumeren vind ik onverdraaglijk. Welja, ik zoek een moraal bij een ziekte, want het gemak waarmee ik de ziekte dreig te bagatelliseren bevalt me niet.

Dus daar gaf ik deze week en de jaren ervoor mijn geld aan uit? Je mag het aardig zeggen, aan een ‘buitenleven’. Maar het gaat gewoon om garnalenkroketjes en wijn en frisse salades, die vooral zo aardig smaakten omdat ze door anderen werden bereid en gebracht.

Is er nu een antikapitalist in mij opgestaan? Dat zou me verbazen, maar dit weet ik wel: ik doe niet mee aan de hyperconsumptie om te verdringen wat er is gebeurd.

Stephan Sanders schrijft elke maandag op deze plek een column.