Opinie

Ook een zakenkabinet is door en door politiek

Politiek Een regering van professionals die de overheid runnen als een naamloze vennootschap? zet de denkfouten over een zakenkabinet op een rij en stelt: doe het niet.

 

Je kunt de klok er op gelijk zetten. Als de maatschappelijke problemen ons boven het hoofd groeien en alle politieke knopen onontwarbaar lijken, komt er vroeg of laat een voormalig politicus of ondernemer langs die een list heeft om uit de crisis te komen: met een zakenkabinet.

De laatste Tom Poes was CDA’er Cees Veerman. Medio mei zei de ex-minister van Landbouw bij Buitenhof dat Nederland toe is aan een „afkoelingsperiode in de vorm van een kabinet dat niet direct aan de politiek is gebonden, maar de grote vraagstukken van komende tijd kan agenderen”. De Kamerverkiezingen waren pas acht weken achter de rug. Honderdvijftig verse mandaten in ’s lands hoogste wetgevende en controlerende orgaan, allemaal leuk en aardig, maar de noodzakelijke „cultuuromslag” konden we volgens Veerman beter overlaten aan een „slagvaardige” regering van „vakmensen die geen vrees hebben te worden weggestuurd”, al kon hij met moeite maar twee onbevreesde krachtpatsers (internist en ziekenhuisdirecteur Marcel Levi en voormalig minister Martin van Rijn, beiden PvdA) noemen die volgens hem het verschil zouden maken.

Op de keper beschouwd zei de CDA’er dat de uitslag van die verkiezingen hem de bout kon hachelen. Hij is niet de eerste. Bestuurders van allerlei pluimage ging hem voor.

In 1956 wilde de Christelijk Historische Unie een nieuw rooms-rood kabinet-Drees via een zakenkabinet voorkomen. In 1959 overwoog de KVP hetzelfde, omdat er geen schot zat in rooms-rechtse coalitie na een decennium centrum-links. In 1977 opperde Hans Wiegel van de VVD een zakenkabinet, omdat PvdA-leider Joop den Uyl en CDA-voorman Dries van Agt elkaar de tent uit vochten. In 1994 schreef Pim Fortuyn een boek waarin hij zich opwierp als leider van een naar hem vernoemd zakenkabinet.

Tezelfdertijd stelde Philips-topman Jan Timmer in deze krant dat alleen de elite – „drie dozijn mensen in Vierhouten op de hei” met „sense of urgency” – de economie nog kon „redden”. In 2009 bepleitte SP-chef Jan Marijnissen een „partijoverschrijdend kabinet van wijze mensen”. En dan vergeet ik bijna koningin Wilhelmina, die in 1941 speelde met de gedachte om na de bevrijding een „koninklijk kabinet” met een centrale rol voor schoonzoon prins Bernhard te installeren.

Wat is de rode draad tussen al die pleidooien door de decennia heen? In het slechtste geval worden ze gedreven voor anti-parlementaire sentimenten. Denk aan prins Bernhard sr. die op het hoogtepunt van de democratiseringsgolf in 1971 in NRC Handelsblad er een lans voor brak dat de „regering een of twee jaar plein pouvoir” zou krijgen, omdat ze „in zo’n systeem niet de helft van de tijd hoeft te besteden aan het antwoorden op vragen van Kamerleden”.

In het beste geval, zie Veerman, is er sprake van bestuurlijke paniek dat een verdeeld parlement geen adequaat kabinet kan vormen. Maar altijd appelleren de pleitbezorgers aan het sentiment dat onze parlementaire democratie niet crisisbestendig is. Met deze ‘demoscepsis’, die van alle tijden is maar sinds de moord op Fortuyn in 2002 naar nieuwe hoogten is gevoerd, voeden ze zo de illusie dat apolitieke politiek betere politiek is.

Eenduidige maatstaf

Het schimmenspel begint ermee dat de voorstanders van een zakenkabinet suggereren dat er zoiets bestaat als een eenduidige en berekenbare maatstaf voor overheidsbeleid. Een regering die zich volgens dit criterium niet laat afleiden door bijzaken, zou eerder een 10 kunnen scoren dan een kabinet dat met handen en voeten is gebonden aan partijpolitieke belangen.

Hoezo? Deze redenering negeert de minder objectiveerbare kern van de democratische besluitvorming. De samenleving is geen bedrijf dat eerst en vooral streeft naar winstmaximalisatie. Elke wet pakt gunstig uit voor de ene groep en doet een andere kwaad. De verdeling van die kosten en baten is bij uitstek een politieke keuze, zij het dat de consequenties daarvan in Nederland worden verzacht met compromissen en eufemismen.

De tweede illusie is dat de ministers in een zakenkabinet niet alleen naar hetzelfde zouden streven, naar het goede uiteraard, maar ook weten hoe je daar komt omdat er maar één bestuurlijke methodologie is. Onzin. Vakmensen mogen zich dan geen oor laten aannaaien door opportunistische parlementariërs, ook zij hebben opvattingen over de meest wenselijke maatschappelijke orde en dus meningsverschillen over belastingtarieven, privatiseringen, sociale voorzieningen, burgerrechten en wat niet al.

Lees ook: Politiek leiders, ga gewoon zelf in de Tweede Kamer zitten

Tien tegen één dat vakminister Marcel Levi anders denkt over de noodzaak van overheidsgeld voor de geestelijke gezondheidszorg dan (imaginair) premier Edith Schippers die in de eerste twee kabinetten-Rutte juist fors bezuinigde op de GGZ omdat ongelukkige mensen volgens haar „niet ziek” waren en het dus maar in eigen kring moesten „uitvogelen”.

Een derde misverstand is dat al die bestuurlijke vaklui zonder partijpolitieke ambities zich niet gek laten maken door volk en talkshows, maar dankzij hun technische kennis koers houden. Los ervan dat ook gelouterde geleerden ontvankelijk zijn voor de waan van de dag – zie het OMT tijdens de pandemie – gaat deze hoop voorbij aan één aspect van de politiek dat vaak wordt verdonkeremaand maar het driftleven in Den Haag toch beïnvloedt: het feit dat politieke machtsvorming een opwindende bezigheid is die ook bij nuchtere nieuwelingen lust en verslaving kan opwekken.

Een vierde vergissing is de verwachting dat een zakenkabinet niets aan het toeval hoeft over te laten. Nee. Elke regering, ook een technocratische, zal worden verrast door ongeplande gebeurtenissen die haar beleid doorkruisen.

Een vijfde denkfout is dat de Tweede Kamer zich tegenover een zakenkabinet minder politiek zal opstellen dan jegens een klassieke coalitie. Zou het? Geconfronteerd met een apolitieke ministerraad hebben partijen net zo goed de neiging om hun programmatische posities scherp te markeren. Zolang prins Bernhard sr. niet reïncarneert, zullen er na enige jaren immers weer verkiezingen zijn waarin de zetels en dus de macht op het spel staan.

Een zesde abuis is dat een zakenkabinet van nature nationale eenheid kan smeden. Dat is de vraag. Als een zakenkabinet wordt gedoogd door de gematigde partijen in het spectrum ligt polarisatie eerder voor de hand. Voor de flanken wordt het dan vrij schieten.

Een zevende dwaling is dat een zakenkabinet een oplossing biedt voor het versplinterde parlement dat op 17 maart is gekozen. De omstandigheden waaronder die verkiezingen plaatsvonden, waren inderdaad problematisch. Door de coronamaatregelen kon er niet op een gelijk speelveld om de kiezersgunst worden gedongen.

Door zijn zelfontslag heeft het kabinet zich bovendien kunnen onttrekken aan verantwoording over bijvoorbeeld het pandemiebeleid en de Toeslagenaffaire. Dankzij zijn leunstoelcampagne leek premier Rutte meer op de voorzitter van een comité van nationale redding dan op een partijleider. „Samen naar de eindstreep. En verder”, was zijn boodschap aan „al die hardwerkende Nederlanders”. Maar dat is achteraf gepraat. Afgezien van de communicatieve bende rond het briefstemmen, verliep de stembusgang op de verkiezingsdag eerlijk.

Gordiaanse knoop

De nieuwe Tweede Kamer heeft dus recht van spreken. Dat de kabinetsformatie door de chaos binnen het CDA een gordiaanse knoop dreigt te worden, rechtvaardigt niet de vlucht naar voren die de christendemocraat Veerman nu al bepleit.

Wat dan wel? Nergens staat geschreven dat een kabinet per se de steun van minimaal 76 parlementariërs nodig heeft. Een progressief overhellende coalitie kan, maar is hondsbrutaal. Links heeft de verkiezingen verloren. Nooit sinds 1967 zijn de progressieve drie (D66, PvdA en GroenLinks) met hun 26 procent zo klein geweest als nu. Aan gene zijde wijst de halfwaardetijd van radicaal rechts, met hele en halve fascisten in de gelederen, ook eerder op een politieke isotoop dan op een stabiele regeringspartner.

Wat rest is een minderheidskabinet van VVD en D66, eventueel aangevuld met het CDA, mocht die partij tijdig bij zinnen komen. Bij voorkeur met ministers die meer hebben gedaan dan flyeren of ambtelijk adviseren. Want het personeelsbeleid van de politieke partijen nu is ronduit beroerd. Die trend moet gekeerd worden.

En dan maar knokken voor de nog ontbrekende drie tot achttien stemmen die elke keer nodig zijn voor een meerderheid in de Tweede Kamer. Dat gevecht om wetgeving en verantwoording verheft de politiek meer en vooral beter dan een regering met passerende professionals die de overheid runnen als een naamloze vennootschap, en de volksvertegenwoordiging zien als een lastige aandeelhoudersvergadering die je maar beter zo snel mogelijk kun afblussen met een borrel met bitterballen.

Illustraties Jasmijn van der Weide.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.