Joyce Sylvester: „Je zal altijd een harde kern hebben die zegt: ‘Jullie zijn apen’. Nou, oké. Die mensen heb ik opgegeven.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Joyce Sylvester: ‘Lang voelde ik mij een roepende in de woestijn’

Joyce Sylvester | Oud-burgemeester en substituut Nationale ombudsman Ze was de eerste vrouwelijke burgemeester van kleur en schreef een boek over haar ervaringen. „Ik wil dat mijn nichtjes weten dat het niet uitmaakt.”

In 2008 werd Joyce Sylvester waarnemend burgemeester van gemeente Anna Paulowna, als eerste vrouw van kleur in Nederland. Zelf wist ze van niks. Pas toen de interviewverzoeken binnenstroomden en de landelijke pers bij het gemeentehuis verscheen, kwam ze erachter. „Ik dacht: laat mij nou even mijn werk doen. Ik wilde gewoon van betekenis zijn voor de mensen. Pas later begreep ik waarom het bijzonder was. Ik dacht er opnieuw aan toen Amanda Gorman op Bidens inauguratie The Hill We Climb uitsprak – ik luisterde met tranen in mijn ogen, een zakdoek bij de hand. Het gaat niet om mij, maar om de beweging die het tot stand brengt. Dat we zichtbaar zijn, dat jongeren van kleur zien wat ze kunnen bereiken.”

Het is de reden dat ze haar boek Bent ú de burgemeester? schreef. De titel verwijst naar een incident op een receptie die ze hield als burgemeester van Naarden. Een man maakte zich los uit de menigte en zei met grote ogen: „Bent ú de burgemeester?” Voor Sylvester kon antwoorden werd hij weggevoerd door een bode. Later dook de man opnieuw op. Ditmaal om zijn excuses aan te bieden.

Bijna tien jaar later kreeg Sylvester een brief. Bijgevoegd: een foto van een oudere man. De man van de receptie, glimlachend, met een norse poes op de stoelleuning. „Het was zijn dochter die schreef”, zegt Sylvester. „Ik herkende die man direct. Hij was overleden, schreef zijn dochter. Maar hij had het heel waardevol gevonden om door mij geconfronteerd te worden met zijn vooroordeel. Als ik de strijd aan was gegaan, hem meteen een racist had genoemd, was die man misschien nooit tot inkeer gekomen. We moeten elkaar de ruimte geven om ons te verwonderen.”

Joyce Sylvester, nu als vervanger van de Nationale Ombudsman medeverantwoordelijk voor de afhandeling van klachten van burgers over de overheid, zit aan het hoofd van de lange eettafel in haar woonkamer. Als jong meisje wilde ze altijd in het bos wonen. Mission accomplished, hoge bomen omringen haar huis. Voor haar ligt een dik pak A4’tjes vol krabbels en notities in blauwe pen – haar boek, dat vorige week uitkwam en binnen zes dagen uitverkocht was. Ze trommelt met haar vingers op het manuscript terwijl ze praat. Uit de keuken klinkt Bach, haar favoriete componist.

„Mijn vader overleed in 2012 en liet ons een familiearchief na. Het gaat terug tot de slavernij, die in 1863 werd afgeschaft. Daarna moest er nog tien jaar verplicht worden gewerkt op de plantages in Suriname. Toen de mensen echt vrij waren, barstten ineens talenten los. Een explosie. De bekende vakbondsleider Hendrik Sylvester (een neef van haar vader, red.), dichter Michaël Slory (ook een neef) en ga zo maar door. Ik besloot mij te verdiepen in mijn ouders. Hoe ze in Nederland opnieuw moesten beginnen nadat ze hun hele huisraad achterlieten in Suriname vlak voor de onafhankelijkheid. En toen verbond ik het met mijn eigen leven.”

Ze zag een rode draad van de Surinaamse plantages naar het ambt van burgemeester. Een verhaal over emancipatie en verbinding. „Ik begon te schrijven.”

Schooladvies

„Nederland is veel diverser geworden”, zegt Sylvester. „Maar toen mijn ouders begin jaren zestig kwamen, werd er aan hun huid gevoeld. ‘Is het schoensmeer?’” Er was behoefte aan eenheid, „een klein Suriname” zoals Sylvester met een lach zegt. Surinamers vonden die eenheid bij Real Sranang. Een Surinaamse voetbalclub in Amsterdam, opgericht in 1960, waar Sylvester in de kantine en aan zijlijnen een groot deel van haar jeugd doorbracht.

„Mijn vader was scheidsrechter en trok met een krijtwagen de lijnen. Mijn moeder verkocht broodjes in de kantine. Het was een familieaangelegenheid. De vaders van [profvoetballers] Rijkaard en Gullit voetbalden er ook. Soepele spelers, dus veel wedstrijden werden gewonnen. Er waren Surinaamse avonden, iedereen danste op Surinaamse muziek. Wacht! Ik zet het op.”

Bach maakt plaats voor haar favoriete Surinaamse nummer. „Je voelt meteen de vrolijkheid en de warmte.” Sylvester sluit haar ogen en neuriet een paar tonen mee. „Nou wat wil je nog meer?!”

„Op de voetbalclub konden we bijtanken. Veel Surinaamse mensen kwamen er om ervaringen uit te wisselen. ‘Niemand wilde naast mij zitten in de tram.’ ‘O, ik ben ook lelijk behandeld!’ ‘Laat je niet kisten.’ ‘We gaan door!’ Hetzelfde als Nederlanders in Australië, die elkaar af en toe opzoeken en recepten voor andijviestamppot uitwisselen. Die Surinaamse voetbalclubs hadden een belangrijke functie: emancipatie.”

Foto Arenda Oomen

„Ik heb zélf ook jong ervaren hoe pijnlijk het is om ongelijkwaardig behandeld te worden”, zegt Sylvester. Ze zat op de basisschool, elf jaar oud, werkte hard en haalde 86 procent van de punten op de Citotoets – genoeg voor het vwo. Ze aten taart toen ze het hoorden. Maar toen kwam het schooladvies: lager huishoud- en nijverheidsonderwijs. „Oneerlijk. Of het racisme was? Het was in ieder geval niet in de haak. Ik werd onhandelbaar. Mijn ouders en ik gingen eindeloos praten met scholen. Toen mocht ik het proberen: havo/vwo op wat nu het Pieter Nieuwlandc College in Amsterdam is. Uiteindelijk heb ik vwo gedaan, twee studies en ben ik naast een voltijdbaan gepromoveerd. Je kunt zeggen dat het advies een misser was.”

Ed van Thijn

Sylvester studeerde en was net het huis uit toen haar moeder huismeester werd van de burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn. Ze herinnert zich de potjes biljart die haar vader met de burgemeester speelde, en de keren dat ze Van Thijn tegenkwam op het trappetje in de hal van de ambtswoning als ze bij haar ouders ging eten. „Hij kwam altijd met loodgieterstassen door die deur. ’s Nachts kwam de rijdende psychiater aan de deur met inbewaringstellingen. Ed van Thijn bekeek die papieren uiterst zorgvuldig. En ik wilde weten: waarom bestudeert hij die zo goed? Hij zei: ‘Weet je, het gaat om de democratische rechtsstaat. Je mag mensen niet zomaar hun vrijheid ontnemen. Kijk naar artikel 1, het gelijkheidsbeginsel.’ Dát wil ik ook, dacht ik. Aan de democratische rechtsstaat bijdragen.”

„Ed van Thijn werd mijn politieke vader. En later mijn collega in de PvdA-fractie in de Eerste Kamer. Mijn hele carrière was hij kritisch op mij, maar we hebben zo veel plezier gehad. Volgende week ga ik naar hem toe, hij is 86. Maar alive and kicking, heel scherp. Dat ik mijn hele leven zo iemand mag meemaken, daar ben ik heel dankbaar voor.”

Sylvester woonde als student in Bos en Lommer, midden jaren tachtig „wat je nu een achterstandswijk zou noemen”. Zwerfvuil, veel criminaliteit, grote tegenstellingen. Dé plek voor Sylvester om iets bij te dragen. Ze werd actief bij de PvdA. „In het partijprogramma stond heel duidelijk ‘emancipatie en kansengelijkheid’. Ik dacht: de woorden die hier staan, daar wil ik aan werken.” Ze besloot naast communicatiewetenschappen politicologie te studeren.

„Om mijn studies te betalen, werkte ik bij Het Parool”, zegt Sylvester. „Ik was altijd op het voetbalveld met mijn ouders. Dus ik schreef een seizoen lang wedstrijdverslagen voor Real Sranang, en stopte ze bij Het Parool in de brievenbus: ‘Mag ik alstublieft voor de krant werken, ik wil mijn studiegeld betalen en ik kan goed schrijven.’ Toen belde na een tijdje de chef sport, of ik naar Telstar 2 – Ajax 2 kon. Zo werd ik verslaggever van de landelijke jeugdcompetitie.”

Ze deed verslag van een bokswedstrijd toen ze door de wedstrijdleiding werd opgedragen op de tweede rij te gaan zitten: „Een vrouw op de eerste rij, dat leidt de vechters af.” Haar collegaverslaggevers gniffelden of keken weg. „Ik dacht: het heeft geen zin om in discussie te gaan, maar van mij, vanaf de tweede rij, komt het allerbeste verhaal. Toen iedereen weg was, ben ik naar die boksers gelopen, en die hebben me heel persoonlijke verhalen verteld. Waardoor mijn verhaal veel kleurrijker was. Discriminatie is het probleem van de ander, dat leerde ik. Ík reageer er niet op. Ik doe gewoon mijn werk.”

Ontsporing bij Hoofddorp

Sylvester was in 1992 onderweg naar een nieuwe baan in Den Haag, controller bij Verkeer en Waterstaat, toen ter hoogte van Hoofddorp haar trein ontspoorde. Ze herinnert zich het uiteenspatten van tl-buizen in fonteintjes van vuur, de weeë smaak van bloed, de kou die zich over haar lichaam verspreidde. Vijf mensen in haar coupé overleden, Sylvester overleefde het ternauwernood. „Ik was in de bloei van mijn leven, het was een disaster voor mij. Ik kon een tijd niet goed lopen. Het fysieke herstel was lang en zwaar. Maar ik haalde veel kracht uit de toewijding van het zorgpersoneel en van familie.”

Na het ongeluk vond ze het moeilijk de trein te nemen. Ze koos voor een baan dichterbij huis: een beleidsfunctie bij de gemeente Amsterdam. Ze viel op bij de partijtop van de PvdA en belandde zo op het pad dat leidde naar de Eerste Kamer en haar functie als burgemeester.

In 2007 naderde Sylvester het einde van haar eerste termijn in de Eerste Kamer. Ze hoopte op herverkiezing. Maar de PvdA-top zette haar op plek zestien van de lijst – een praktisch onverkiesbare positie. „Per cohort – tien plekken op de lijst – mocht er maar één persoon van kleur op de lijst. Zo werd het mij verteld door collega’s. Heel raar! We waren toen wel heel ver verwijderd van waar we naartoe moesten.”

Partijleden onder wie Ed van Thijn begonnen een campagne om haar hoger op de lijst te krijgen. Dat mislukte. Nadat de campagne van een ander partijlid wél slaagde, zakte ze zelfs nog een plek. Toch werd ze met voorkeursstemmen herkozen. Ondanks druk van de partijtop om haar zetel terug te geven, besloot ze door te gaan. In 2011 werd ze opnieuw herkozen.

Twijfelde ze nooit aan haar partij? „Het streven naar emancipatie en gelijkwaardigheid gaat voor mij diep. Dus ik kan wel wat hebben hoor, van de Partij van de Arbeid.” Op welke partij ze heeft gestemd bij de afgelopen verkiezingen, zegt ze niet. „Ik ben nu substituut-Ombudsman, dus ik mag mij daar niet meer over uitlaten.”

Is het denkbaar dat Sylvester, gezien haar inzet voor diversiteit, op BIJ1 zou stemmen? „Het is moeilijk voor mij om over politiek te praten. Maar partijen als BIJ1 zijn erg belangrijk. Heel lang voelde ik mij een roepende in de woestijn: ‘maak het openbaar bestuur diverser’. Iedereen moet kunnen meedoen en zich vertegenwoordigd voelen. Het openbaar bestuur zou een afspiegeling moeten zijn van de samenleving. Als ik nu naar de Tweede Kamer en de media kijk, zie ik wel veel meer diversiteit dan toen ik in de politiek begon.”

Tegelijkertijd heeft het vertrouwen van burgers in de politiek door de Toeslagenaffaire grote schade opgelopen.

„Wantrouwen begínt bij ongelijke kansen. Ik heb in mijn boek willen beschrijven waarom gelijke kansen belangrijk zijn. Hoeveel impact het heeft als een elfjarige een onterecht schooladvies krijgt. Dáár begint het wantrouwen jegens de instituties van de samenleving. Als je een leerkracht niet kunt vertrouwen, een arts, het openbaar bestuur, de overheid of een rechterlijke uitspraak, dan zakken de pijlers van onze democratische rechtsstaat weg. Ik denk dat er pas herstel komt als er meer mensen meedoen, betrokken worden. Dat doe je door het openbaar bestuur diverser te maken.”

Verschillende actiegroepen riepen informateur Mariëtte Hamer in mei op om het onderwerp racisme een centrale plaats te geven in het regeerakkoord. Sluit Sylvester zich daarbij aan?

Een te laag schooladvies, dáár begint wantrouwen tegen de instituties

„Ik zou de informateur willen oproepen te focussen op kansengelijkheid. Iedereen zou dezelfde kansen moeten krijgen; jong, oud, arm, rijk, gender, afkomst, uit de stad of uit de regio. Je kan stikstofproblemen aanpakken en woningen bouwen, en dat is allemaal heel erg nodig, maar als die gelijkwaardige basis van onze rechtsstaat er niet is, dan haken mensen af of krijg je in het ergste geval radicalisering.”

Sylvesters boek eindigt met een vraag van haar nichtjes. Ze zijn ziedend over uitlatingen van de topman van BinckBank. Hij vergeleek zwarte vrouwen met zwarte Skoda’s („ze rijden lekker, maar je wilt er niet mee gezien worden”). Haar nichtjes zeiden: „We werken hard, doen mee in de samenleving, stopt het dan nooit?” Sylvester: „Ik had op dat moment geen bevredigend antwoord, maar hield hen voor zich niet uit het veld te laten slaan.”

Lees ook: Ondanks alles mag de baas van Binck blijven

Het lijkt een deprimerend einde van een hoopvol boek. Sylvester weerspreekt dit zonder er een moment over na te denken.

„Ik ben heel hoopvol”, zegt ze terwijl ze door haar manuscript bladert. „Als ik door dit boek ga, zie ik een bijzondere ontwikkeling van 1863 tot nu. Ik wil dat mijn nichtjes weten dat het irrelevant is wat die meneer zegt. Je zal altijd een harde kern hebben die zegt: ‘Jullie zijn apen’. Nou, oké. Die mensen heb ik opgegeven. En die man van de BinckBank geven we ook op. Verreweg de meesten zien het namelijk anders. Maar we moeten wel begrijpen dat het belangrijk is om iedere dag te werken aan een samenleving waarin iedereen kansen krijgt, ongeacht waar je wieg heeft gestaan.”