Opinie

Het onderwijs lijdt onder beleidsmatig knip- en plakwerk

Nationaal Programma Onderwijs

Commentaar

Een echt plan, met heel veel geld. Voor het onderwijs nog wel. Wie kon daar tegen zijn? Het klonk zo mooi, toen de demissionaire ministers Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) en Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) op 17 februari het Nationaal Programma Onderwijs presenteerden. Het kabinet stelde 8,5 miljard euro beschikbaar om de achterstanden in het onderwijs weg te werken die waren ontstaan door de coronacrisis. Handig bijeffect: het kabinet liet met dit bedrag zien dat het zich niet alleen bekommerde om de economie en de volksgezondheid, maar ook om de gigantische schade die minderjarigen ondervinden in de crisis.

Al vanaf het begin waren er twijfels over deze eenmalige injectie van geld. Scholen en onderwijsorganisaties wezen op de tekortkomingen van het programma. Zo moest het geld in relatief korte tijd worden uitgegeven, moesten scholen zich gedetailleerd verantwoorden over de uitgaven, en was de systematiek weinig verfijnd. Achter de schermen, zo bleek deze week uit een reconstructie in NRC, werd flink geruzied over het programma tussen de ministeries van Onderwijs en Financiën. Ambtenaren van het laatste departement neigden naar ‘creatieve’, maar vergaande oplossingen, zoals het verlengen van het schooljaar of het laten doubleren van alle leerlingen. Dat ging niet door. Ze zetten druk op de ketel om het geld snel uit te geven. Juist die haast was een groot kritiekpunt bij scholen en onderwijsorganisaties.

OCW wilde een financieel gebaar maken. Financiën wilde een reflectie van de urgentie van de crisis. Het resultaat van dit gesteggel was een halfbakken programma, weliswaar vol goede bedoelingen, maar zonder een duidelijke richting. Terecht constateerde onderwijsbond AOb al meteen dat het ontbrak aan een „zorgvuldige analyse” van wat de belangrijkste achterstanden nu precies zijn. Gaat het om leerachterstanden? Sociaal-emotionele achterstanden? Speelt het eigenlijk overal even erg? Heeft een leerling in Amsterdam-Zuid dezelfde problemen in de crisis als een leerling in Zuid-Limburg? Onduidelijk is ook wat de precieze schade is van de crisis. De eerste schatting van OCW was tien miljard euro, maar die berekening hield geen rekening met het feit dat kinderen thuisonderwijs kregen en zich soms prima redden. Later werd het dubbele berekend. Als alle kinderen blijven zitten, kost dat de komende twintig jaar elk jaar 1,4 miljard euro, was een schatting.

Het dilemma van een acute crisis is dat beleidsmakers oplossingen moeten zoeken zonder dat het probleem duidelijk is gedefinieerd. Een crisis bezweren is „varen op zicht”, zei premier Rutte eens. Dat is waar. En er ís schreeuwend behoefte aan extra geld in het onderwijs. Het probleem is alleen de manier waarop dat geld is uitgegeven: ad hoc en eenmalig. Waar scholen vooral om schreeuwen, zijn extra docenten, kleinere klassen, meer aandacht en begeleiding voor individuele kinderen. Daar zijn structurele oplossingen voor nodig. Het vak van leraar moet in aanzien stijgen, waardoor meer mensen bereid zijn het onderwijs te verkiezen boven bijvoorbeeld een baan in het bedrijfsleven. Over zeven jaar komt het basisonderwijs ruim 10.000 leraren tekort, zeggen de laatste berekeningen. Het onderwijs is de laatste decennia voortdurend het terrein geweest van beleidsmatig knip- en plakwerk. Het lerarentekort, maar ook de bestrijding van achterstanden bij leerlingen, is daar te belangrijk voor. Beleidsmakers en politici moeten openstaan voor structurele oplossingen.