Als het aan de vogel lag… bleef de kat binnen

Weidevogels Jagen is een interne behoefte van katten. Hoe slecht is dit voor de Nederlandse vogels? „Sommige mensen denken: ach, wat maken die paar roodborsten nou uit?”

Een jonge heggenmus_ gegrepen door een kat.
Een jonge heggenmus_ gegrepen door een kat.

Op de luchtfoto van het Groningse platteland zijn de rode stippen in het weiland duidelijk te zien. Gps-data, afkomstig van een kat die gedurende 48 uur met een loggertje om z’n nek liep. In 2019 voorzagen ecologen van de Rijksuniversiteit Groningen zeventien katten van zo’n tracker. In twee gebieden boven de stad Groningen registreerden ze elke 10 seconden de bewegingen van de dieren. „Gemiddeld gezien bevonden de katten zich 100 minuten per etmaal op meer dan 200 meter van hun woonplek. Vooral ’s nachts waren ze actief”, vertelt hoofdonderzoeker Raymond Klaassen. „En de katdichtheid op het Groningse platteland is hoog. Op iedere boerderij lopen eigenlijk wel meerdere katten, en vooral in dorpen zijn de katten heel algemeen. Voor ons studiegebied kwamen we uit op een totale dichtheid van 15,5 katten per vierkante kilometer. In combinatie met de afstanden die katten afleggen, betekent dit dat er eigenlijk geen enkele plek in het gebied is waar géén kat kan komen.”

Juist nu, in het broedseizoen, zorgt die hoge katdichtheid in de weilanden voor onrust bij ecologen en vogelwachters. Want wat doen die katten in het weidegebied? Hoe verstorend is hun aanwezigheid voor de jonge weidevogels, die het door de intensivering van de landbouw toch al moeilijk hebben? „In eieren lijken die katten niet geïnteresseerd”, zegt Klaassen. „Maar zo’n kat zal zo nu en dan wel een kuiken vangen.”

Grutto’s met katten-dna

Hoe vaak dat gebeurt is lastig te bepalen, zegt de Groningse hoogleraar ecologie en natuurbeheer Chris Smit. „Precieze cijfers zijn er vooralsnog niet. Los bewijs is al wel voorhanden: zo is er katten-dna gevonden op prooiresten van gruttokuikens. De Tweede Kamer heeft onlangs een motie aangenomen waarin staat dat er onderzoek moet komen naar de invloed van katten op weidevogels. Dus we zijn net een project aan het opstarten, met een groot consortium van onderzoekers. Daarin willen we bijvoorbeeld kattenuitwerpselen uitpluizen met behulp van dna, om te zien wat ze hebben gegeten. Dat, gecombineerd met het zenderwerk, zal de omvang van het probleem beter in kaart brengen.”

Want dát het jagen op vogels door katten een probleem is, daar kan geen misverstand over bestaan, benadrukt Smit. „Schattingen over de hoeveelheid vogels die per jaar door Nederlandse katten worden gedood, lopen uiteen. Maar het minimum ligt vermoedelijk tegen de 17 miljoen vogels per jaar.” Dat minimum is onder andere gebaseerd op Amerikaans onderzoek uit 2013, waarbij 55 katten een camera om hun nek kregen om te registreren hoeveel vogels zij vingen. Gemiddeld ging het om vijf vogels in zestien weken, dus iets meer dan zestien vogels per kat per jaar. Volgens cijfers uit de huisdierenbranche waren er in 2019 2,9 miljoen huiskatten in Nederland. Een deel van deze katten komt nooit buiten, maar met een aanname dat ten minste één op de drie huiskatten succesvol jaagt, kom je al in de buurt van de 17 miljoen vogels.

In bovenstaande berekening zijn de verwilderde katten niet meegenomen. Smit: „Dat zijn er naar schatting ook nog eens enkele honderdduizenden.” In 2013 onderzocht hij zelf verwilderde katten op Schiermonnikoog, en kwam tot de conclusie dat vijftig verwilderde katten samen zo’n zesduizend vogelslachtoffers per jaar maakten. „Omdat ze niet worden gevoerd, eten ze relatief veel vogels.”

Foto Getty Images

Bij verwilderde katten gaat het niet alleen om katten die zijn afgedankt door hun baasjes, maar bijvoorbeeld ook om verdwaalde of weggelopen katten, zegt de Wageningse hoogleraar dierenpersoonlijkheid Kees van Oers, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Ecologie NIOO-KNAW. „Bij een nestje boerderijkatten lopen de jonge mannetjes soms weg omdat ze door de vrouwtjes worden verdreven. En die zijn dan niet gecastreerd.”

Naast de huiskatten en de verwilderde katten leven er ook échte wilde katten in België, Duitsland en het uiterste zuiden van Nederland: uit camerabeelden bleek in 2017 dat er in Zuid-Limburg ten minste veertien wilde katten leefden. In de maag van een aangereden jonge wilde kater werden daar destijds diverse soorten muizen aangetroffen. „Vooral wilde en verwilderde katten specialiseren zich op een bepaald type prooi”, zegt Van Oers. „Vogels, of kleinere zoogdieren… De keuze hangt daarbij niet af van de prooidichtheid, maar echt van de jaagstrategie. Heeft een kat zich in muizen gespecialiseerd, dan zal hij daar hoofdzakelijk op blijven jagen, dus óók als de muizenaantallen afnemen.” De jaagstrategie hoort bij de persoonlijkheid van katten, zegt hij. „Het is echt een op zichzelf staande trek, en dus onafhankelijk van hoe zachtaardig een kat is.”

Van alle huisdiersoorten is de kat wat jaaggedrag betreft het best toegerust

Claudia Vinke gedragsbioloog

„Van alle huisdiersoorten is de kat wat jaaggedrag betreft het best toegerust en het meest gemotiveerd”, zegt gedragsbioloog Claudia Vinke, werkzaam aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. „Ze beheersen de nekbeet – de kill bite zoals we die noemen – uitmuntend, weten precies hoeveel kracht ze moeten toepassen…” Wel zijn er verschillen in jaaggedrag tussen rassen. „De ‘standaardkat’, de Europese korthaar, is vaak succesvoller dan langharige katten. Als een kat té lang haar heeft, dan zit dat het jagen natuurlijk ook in de weg. En dat kan best psychisch belastend zijn voor zo’n kat. Want jagen is een interne behoefte.”

En die behoefte kan niet worden vervuld met voldoende brokjes en blikvoer. „Het gaat niet alleen om consumeren, maar ook om foerageren, dus het daadwerkelijk op zoek gaan naar voedsel”, zegt Vinke. Een kat heeft een kleine maag en eet de hele dag door kleine beetjes, zegt ze. „Daarom komt je kat soms ook aanzetten met een dode vogel of een dode muis. Niet als cadeautje, maar als ‘surplus-prooi’ om in het kernterritorium waar hij slaapt en eet – dus: in huis – te bewaren.”

Een belletje ombinden

Die natuurlijke kattenbehoefte zorgt wel voor een dilemma, vindt ook Vinke. „Ik houd van katten en ik zorg voor hun welzijn, maar ik heb eveneens oog voor de conservatiebiologen, en ik zie ook de invloed die katten hebben op de natuur.” Een belletje ombinden is niet afdoende, zegt ze. „Zo’n kuiken kan geen kant uit als een kat hem bespringt.” Zelf zou Vinke pleiten voor het zoeken naar tussenoplossingen: het binnenhouden van katten gedurende het broedseizoen, of het installeren van een kattenkennel in de tuin. „En je kunt de jaagbehoefte gedeeltelijk vervullen door in huis veel jachtspelletjes te doen met je kat. Aan de knauwbehoefte kun je tegemoetkomen met kauwstaafjes of een diepvries-eendagskuiken. Met alleen maar zachte smurrie daag je je kat niet voldoende uit.”

Chris Smit zou graag zien dat er structurele regelgeving komt, waarbij ook echt wordt gehandhaafd dat katten in elk geval tijdens het broedseizoen niet de natuur in mogen. Hij verwijst naar een Tilburgs onderzoek uit 2019, waarin hoofdauteur en rechtswetenschapper Arie Trouwborst schreef dat loslopende katten botsen met de EU-wetgeving inzake beschermde vogelsoorten. „Feitelijk is het strafbaar gedrag, want tijdens het broedseizoen mag je vogels niet verstoren. Hondeneigenaars die hun hond mee het weiland in nemen in die periode worden ook beboet.”

Graspieper

Foto Erald van der AA/ANP

Ook haalt Smit Australisch onderzoek uit PNAS aan, gepubliceerd in 2016, waaruit blijkt dat katten wereldwijd verantwoordelijk zijn geweest voor het uitsterven van 63 diersoorten, waaronder 40 vogelsoorten. „Sommige mensen denken: ach, wat maken die paar roodborsten nou uit? En: vossen doden toch óók vogels? Voor soorten waar het goed meegaat – de koolmees, de merel – zal de jacht door katten inderdaad niet funest zijn. Maar er zijn ook kwetsbare weidevogels en zeldzame rodelijstsoorten als de graspieper en de veldleeuwerik die veel gegrepen worden. Door in het wild levende vijanden én door katten. En dan kunnen die paar vogels meer of minder net het verschil maken tussen voortbestaan of uitsterven.”

Over slootjes springen

Van Oers benadrukt dat er niet alleen onderzoek is naar de aantallen vogels die ten prooi vallen aan katten, maar ook naar de populatie-effecten. „De relatie tussen predatoren en hun prooien is complex. Prooien worden gegeten door jagers en katten zijn een onderdeel daarvan. Als de dichtheid in een vogelpopulatie lager wordt – bijvoorbeeld als gevolg van predatie – dan wordt de overlevingskans van de vogels die het overleven vaak hoger, juist omdat er door die lagere dichtheden meer voedsel en geschikte broedplaatsen voorhanden zijn. Daardoor kán het effect op populatieniveau verwaarloosbaar worden. Maar als het al slecht gaat met een soort, dan is dat misschien niet voldoende.”

Veldleeuwerik

Foto Sijmen Hendriks/ANP

Raymond Klaassen benadrukt het belang van meer onderzoek naar het ruimtegebruik van roofdieren. „Bij toekomstig onderzoek willen we zowel katten als kuikens gaan zenderen. En daarmee willen we nog beter begrijpen wat de katten precies doen in de weilanden. Zoals het er nu naar uitziet zitten ze vooral heel veel stil, vaak aan de rand van het weiland, te wachten tot er een prooi langskomt. Deze typische sit-and-wait-techniek duidt er op dat ze primair op muizen jagen. Een predator die actief op zoek is naar kuikens is veel meer aan het struinen.”

„Verder is het ook interessant om te kijken wat je kunt doen op het gebied van landschapsinrichting. We weten van katten bijvoorbeeld dat ze wel slootjes overspringen, maar als die slootjes té breed zijn doen ze dat niet meer. Dus als er dan ook geen plank of brug aanwezig is, dan komen ze het weiland niet zomaar in. Hetzelfde geldt voor stroomhekken: daar durven ze niet langs.” Hoe breed de sloot precies moet zijn om een avontuurlijke kat tegen te houden is vooralsnog niet bekend. „Daar zou je dan experimenten mee kunnen doen.”

Hoe dan ook kan het geen kwaad om je kat tijdens het broedseizoen ’s nachts binnen te houden, vindt Kees van Oers. „Dat doe ik zelf ook. Ze weten dat ze eten krijgen als ze binnenkomen, dus dan willen ze wel.”