65-jarigen die functioneren op het niveau van 63-jarigen

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: de relatie tussen eten en brein.

Suggesties voor een gezond grachtengordelontbijt.
Suggesties voor een gezond grachtengordelontbijt. Foto Karel Knip

Wij van de grachtengordel beginnen de dag steevast met havermout geweekt in sojamelk en gelardeerd met rode vruchten en noten. Verderop in het land schijnt nog tamelijk ongezond gegeten te worden. Voor een stad als Doetinchem bijvoorbeeld staat dat wel vast, het wordt er secuur bijgehouden. Duizenden Doetinchemmers doen al decennia mee aan een onderzoek naar de invloed van voeding, gedrag en gewoonte op de gezondheid van de verouderende mens. Dat is de fameuze Doetinchem Cohort Studie van het RIVM. Doel is het optreden van chronische ziekten, zoals ook dementie, te leren voorkomen of uit te stellen.

In dit onderzoek viel vorige maand een succes te melden: men had bij mensen van middelbare leeftijd en ouder een verband gevonden tussen het volgen van een gezond dieet en een beter cognitief functioneren en ook een minder snelle achteruitgang van dat functioneren (American Journal of Clinical Nutrition). „Cognitieve achteruitgang gaat minder snel bij mensen die gezond eten”, zei het persbericht. In de media werd dit: gezond eten houdt het brein jong. Het RIVM gaf een voorbeeld: je kon zeggen dat 65-jarigen die steeds gezond hadden gegeten de cognitieve vaardigheden bezaten van 63-jarigen die ongezond hadden gegeten. Of dat veel of weinig was werd niet duidelijk.

Een verband tussen goede voeding en cognitief presteren was al eerder aangetoond, maar voor het RIVM was het de eerste keer. Hoe doe je zoiets? Aan de basis van het onderzoek staat een ellenlang enquêteformulier waarop de Doetinchemmers om de vijf jaar moeten aangeven welke van de 170 opgesomde hapjes en maaltijdbestanddelen ze hadden verorberd en hoeveel dan wel. De onderzoekers beslissen dan, enigszins arbitrair maar consequent, of het gemelde patroon in goede, gemiddelde of slechte overeenstemming is met wat voor ‘gezond’ doorgaat. De diëten waaraan wordt getoetst zijn het mediterrane dieet, richtlijnen van de WHO en de Nederlandse Richtlijnen Goede Voeding van 2015. Het verschil tussen die richtlijnen is niet groot.

Weldoordachte tests

In aanvulling op de enquête worden de Doetinchemmers onderworpen aan vier cognitieve tests waarin wordt nagegaan hoe goed hun geheugen is, hoe snel ze informatie verwerken en of ze afleidende informatie makkelijk wegfilteren. Het zijn eenvoudige maar weldoordachte tests die al decennia gebruikt worden: benoem de kleur van het woord GROEN dat in rode inkt gedrukt is, noem binnen een minuut zoveel mogelijk dierennamen, probeer je de 15 woorden te herinneren die net werden voorgelezen, en ten slotte: zoek de nummers bij allerlei symbolen die je te zien krijgt (te vinden in een legenda). Uit combinaties van de testuitslagen worden vier indices afgeleid die de cognitieve vermogens beschrijven. Helemaal onafhankelijk zijn de indices dus niet van elkaar, maar voor niet-zieke, relatief gezonde mensen valt het mee.

Als je de uitkomsten voldoende standaardiseert en normaliseert zijn ze voor alle deelnemers te combineren en in grafieken uit te zetten. Het eerste wat de buitenstaander aan die grafieken opvalt is dat de cognitieve vaardigheden al vanaf de vroege volwassenheid achteruitgaan en dat het tempo na de middelbare leeftijd versnelt. Het tweede is dat het verschil tussen de effecten van gezond en minder gezond eten maar minimaal is en zijn bestaansrecht zo te zien alleen dankt aan een stevige statistische toets. Een normaal mens had er overheen gekeken.

Daar komt dan nog het besef bij dat de Doetinchemse waarnemingen zijn gecorrigeerd voor invloeden die een veel groter effect hebben: opleiding, samenwonen, lichaamsbeweging, zwaarlijvigheid, zwaarmoedigheid, enzovoort. Je hoopt maar dat alle relevante invloeden gevonden zijn. Misschien zijn de schakers en gamers wel onevenwichtig over de groepen verdeeld.

Sterke mentale capaciteiten

Ten slotte kun je je afvragen hoe groot de kans is op omgekeerde causaliteit: dat de mensen die zo verstandig waren voedingsadviezen op te volgen bij uitstek de mensen waren met betere cognitieve vaardigheden. Of ook: dat de Doetinchemmers die, dankzij hun sterke mentale capaciteiten, in staat bleken zich precies te herinneren wat er het afgelopen jaar was gegeten automatisch een zeer gevarieerd, dus gezond voedingspatroon rapporteerden. Hoe veelzeggend is eigenlijk de uitkomst van dat RIVM-onderzoek, daar gaat het om.

Voor het al of niet ‘verstandig’ zijn wordt automatisch gecorrigeerd als je corrigeert voor opleidingsniveau, zegt Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie aan de VU in Amsterdam. Hij was bij de ontwikkeling van de genoemde tests betrokken en las op verzoek de RIVM-publicatie. „Deze onderzoeksgroep heeft dat uitstekend gedaan. Bedenk ook dat ze in een toptijdschrift publiceerden. Wat mogelijke omgekeerde causaliteiten betreft: de groep heeft helemaal geen causaliteit genoemd. Ze rapporteren een gevonden verband. Het persbericht gaat te krap door de bocht door een causaliteit te suggereren. Dat zie je wel vaker.

„En het relatief kleine verschil tussen de cognitieve vaardigheden van gezonde en ongezonde eters (zoals uit het voorbeeld van de 65-jarige gezonde eter met de capaciteiten van een 63-jarige ongezonde eter) is waarschijnlijk zo klein omdat er brede, inhomogene groepen werden vergeleken. Als je de groepen homogener zou maken zou het effect waarschijnlijk groter worden. Er is een invloed van voeding gevonden, daar gaat het om. Ik neem aan dat men nu deelgroepen gaat onderzoeken.”