Recensie

Recensie Boeken

Weg van zijn bezitterige moeder

Santiago H. Amigorena Feit en fictie wisselen elkaar af in deze bekroonde Franse autobiografische roman over een naar Argentinië gevluchte Pools-Joodse familie.
De aankomst van immigranten in Buenos Aires. Foto ANP

De aankomst van immigranten in Buenos Aires.

Foto ANP

‘Twintig jaar geleden begon ik een boek te schrijven om de stilte te bestrijden die me verstikt sinds ik geboren ben.’ Het is de eerste zin van Le Ghetto intérieur van de Frans-Argentijnse schrijver en filmmaker Santiago H. Amigorena. Dat is althans zo in de originele Franse versie. In de Nederlandse vertaling is de zin opgenomen aan de binnenkant van de achterflap, als gold het een uitspraak uit een interview. Toch is het een cruciale frase. In het Frans begrijpen we namelijk dat het boek dat we gaan lezen onderdeel is van een autobiografische reeks, waarvan delen al eerder zijn gepubliceerd: ‘de paar pagina’s die we in handen hebben vormen de oorsprong van het hele literaire project’.

Dit boek, dat nu in het Nederlands is vertaald en voor grote Franse literaire prijzen werd genomineerd, is de kern van Amigorena’s oeuvre. Hieruit is zijn schrijverschap voortgekomen. Het is het laatste puzzelstukje waarmee je de hele puzzel kunt leggen, het indringendste deel van Amigorena’s nog onvoltooide familiegeschiedenis.

In het hart van zijn mooie exilroman bevindt zich zijn grootvader, Vicente Rosenberg, een Pool die in 1928 naar Argentinië vertrok om er een nieuw leven op te bouwen. Weg van zijn bezitterige moeder, weg van het land dat hij als soldaat had gediend en waar hij werd gejend door medestudenten die meenden dat ze Poolser waren dan hij, de Jood.

Het verhaal begint op 13 september 1940. In Buenos Aires regent het, de oorlog in Europa is ver weg. Vicente is achtendertig, hij haast zich naar zijn stamcafé waar hij zijn vrienden ontmoet. Sammy en Ariël hebben hun familie uit Polen naar Argentinië over laten komen. Zelf heeft Vicente maar een halfslachtige poging gedaan om zijn moeder en zijn broer over te halen de oceaan over te steken. Hij heeft zijn handen vol aan zijn meubelzaak, aan zijn gezin, vrouw en kinderen. Toen hij vertrok beloofde hij zijn moeder iedere week te schrijven, maar hij heeft het af laten weten; hij ergerde zich aan haar verwijten, zijn nieuwe leven eiste al zijn aandacht op.

Madagaskar

Maar als in de loop van de oorlog die in Europa woedt, de berichten over Warschau steeds verontrustender worden, is hij het die met smart op een brief van zijn moeder wacht. De nazi’s bouwen een muur rond het Joodse getto, leest hij, de brieven van zijn moeder worden korter: ze heeft ‘niets meer van hem gehoord’, het is ‘allemaal moeilijk geworden’, veel buren sterven, ze ziet een vrouw gillen met haar dode kind in de armen, ‘stuur ons wat je maar kunt’, schrijft ze.

Langzaam begint Vicente te beseffen wat er gaande is. Iedere week groeit zijn schuldgevoel. Een schuldgevoel dat hij met niemand kan delen. Hij trekt zich terug, bouwt een muur om zichzelf heen. Hij zwijgt. Hij sluit zich af voor zijn gezin, gaat naar zijn winkel zonder te werken. Hij wordt onbereikbaar. Net zo onbereikbaar als zijn moeder, twaalfduizend kilometer verderop. Alleen als hij gokt, als hij poker speelt, voelt hij nog dat hij leeft.

Om zijn verhaal te vertellen neemt Amigoreno verschillende gezichtspunten in. Feit en fictie wisselen elkaar af, soms is zijn toon ronduit essayistisch. In de fictieve delen van het boek kruipt Amigoreno in het hoofd van zijn grootvader, die stierf toen hij zeven was. Dan stelt hij zich voor wat hij gezien en gedacht heeft, in het café, aan de pokertafel, in zijn meubelzaak. Hij laat hem terugdenken aan de tijd dat hij een passie had voor Duitse poëzie; hij had zelfs graag als Duitser geboren willen worden. Dan weer laat Amigorena historische feiten de revue passeren: de steeds frequentere anti-Joodse maatregelen in Europa, het leven in het getto van Warschau, de uithongering, de Wannseeconferentie, de razzia’s, het project voor een Joods reservaat op Madagaskar.

Amigorena laat zien hoe Vicente geworsteld heeft met zijn identiteit. Van Pool werd hij Argentijn, zijn Joodse afkomst speelde eigenlijk geen rol. Zijn schoonouders, eveneens Poolse immigranten, spreken liever Spaans dan Jiddisch met elkaar. Zijn vrouw geeft – ook heel gewoon – alles voor hem op: haar studie, haar zelfstandigheid en uiteindelijk haar geluk. Het zijn de nazi’s die Vicente dwingen afstand te doen van al zijn verschillende identiteiten: Joods zijn is ineens het enige dat telt. ‘Waarom kan ik niet Joods zijn en alles blijven wat ik hiervoor ook al was?’, laat Amigorena zijn grootvader denken. ‘We zijn Joods. Ik ben Joods. Maar we weten niet wat dat is.’

Wegkijken

Amigorena laat ook zien hoe zijn grootvader – en met hem veel anderen – in eerste instantie zijn ogen sluit voor wat er in Europa gaande is. Hij had wel kúnnen weten, hij had wel kúnnen begrijpen, maar hij kan niet anders dan wegkijken, ‘niet weten’. Totdat dat niet meer kan en hij er niet aan ontkomt te beseffen hoe gruwelijk het lot van zijn moeder en zijn broer moet zijn. Dan wil hij ‘niet meer denken. Nooit meer.’

Soms kiest Amigorena voor het perspectief van zijn grootmoeder, Vicentes vrouw Rosita. Ze begrijpt niet hoe haar man heeft kunnen veranderen van een goede echtgenoot in een zwijgende zoutpilaar, een gevoelloze vader, een gokker met zelfmoordplannen – een gevangene in het getto van zijn stilte.

Hoe Amigorena met zijn ouders in Frankrijk terechtkwam, op de vlucht voor andere, dit keer Zuid-Amerikaanse dictators, vertelt hij heel kort op de laatste pagina’s van dit boek. Zo doorbreekt hij, in de voetsporen van auteurs als George Perec en Patrick Modiano, de stilte die niet alleen zijn grootvader, maar zijn hele familie zo lang gevangen heeft gehouden.