Recensie

Recensie Boeken

Vrijheid is vooral voor witte burgers

Twee historische boeken Ooit ging vrijheid over zelfbestuur. Twee bijtende historische kritieken laten zien dat vrijheid vooral bezit beschermt en dat burgerschap een kleur heeft.

De Vrijheid leidt het volk (1830) van Eugene Delacroix.
De Vrijheid leidt het volk (1830) van Eugene Delacroix.

Vrijheid is bezit, vrijheid is wit. Aldus twee bijtende historische kritieken op hedendaagse vrijheid. De Vlaamse historica Annelien de Dijn en de Amerikaanse historicus Tyler Stovall schreven beiden een boek met als strekking dat vrijheid veel moois kán opleveren. Maar het ideaal draait tegenwoordig alleen om individuele vrijheid, vooral voor witte mensen.

De Dijn schreef een fijn, goed geschreven boek over de westerse geschiedenis van Aristoteles tot Erasmus, Spinoza, Marx en Roosevelt. Ze vertelt levendig en met een scherp oog voor de periode die ze beschrijft. Het boek vangt aan met de wijze waarop vrijheid in de Griekse en Romeinse tijd de vorm van zelfbestuur kreeg. Alleen rijke mannen mochten meedoen. Vrouwen, kinderen en slaven moesten hun gemak houden. Maar wat stond was hoe vrijheid begrepen werd: als samen beslissen over de toekomst van het land. Dat er nooit een eindbaas is, maar alleen veel tijdelijke bazen. Dat je hardop denkt, samen overlegt en dan beslist – en dus vrij bent.

Deze interpretatie van vrijheid als autonomie ontwikkelde zich eeuwenlang gestaag. Met zo hier en daar een Italiaanse, Zwitserse of Noord-Europese stadstaat of republiek en verder vooral veel koningen en keizers. Maar, schrijft De Dijn, aan het eind van de 18de en in het begin van de 19de eeuw braken aan beide zijden van de Atlantische Oceaan revoluties uit. Gewone mensen wilden dat mooie idee van zelfbestuur eens flink opschalen. In de Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland, Polen, Haïti en Latijns-Amerika bonsde het volk op de deur, met de vraag om meer politieke en economische gelijkheid waardoor ze ook vrij zouden kunnen zijn.

Chaos en terreur

De Dijn bespreekt het schilderij De Vrijheid leidt het volk (1830) van Eugène Delacroix, misschien wel de beroemdste verzinnebeelding van deze Atlantische storm. We kennen allemaal de half ontblote vrouw met een vlag in de hand en de rode ‘vrijheidsmuts’ (Romeins symbool van bevrijding uit de slavernij) op het hoofd. Maar revolutie is zinnelijk én bloedig: de vrouw heft ook een geweer en staat op een stapel lijken.

Destijds schrokken gematigde intellectuelen van de wereldwijde revolutionaire onrust die werd veroorzaakt door deze radicale opvatting over vrijheid. Zelfbestuur was leuk voor Aristoteles en zijn tijdgenoten in hun minirepubliekje Athene, maar vandaag de dag is dat een anachronisme, betoogde de Zwitsers-Franse denker Benjamin Constant in 1819. Onze hedendaagse staten zijn te groot voor deze politieke gelijkheid. Wanneer de overheid nu meer macht aan al die mensen geeft, leidt dat tot chaos en terreur, tot de onderdrukking die op de Franse Revolutie volgde. Dat mág geen vrijheid heten.

In de loop van zo’n honderd jaar, zo laat De Dijn zien, sleutelde men net zolang aan wetgeving en cultuur, totdat vrijheid van betekenis veranderde. Het ging niet meer om zelfbestuur, maar steeds meer om bescherming van het privédomein. Eerst moest dat worden verdedigd tegen de dreiging die uitging van arbeiders in beroerde omstandigheden, later tegen het communisme en weer later stond het in dienst van het neoliberalisme. Vandaar onze hedendaagse vrijheid: een beetje stemrecht, maar vooral de garantie dat je kop op je romp blijft en je geld op de bank.

Vrijheid wás dus ooit democratisch burgerschap, waarbij wel eens een koning of grootgrondbezitter sneuvelde. Maar vrijheid ís nu al meer dan honderd jaar consumptief individualisme. Het is een eenrichtingsvrijheid, die van de staat naar de goede burger stroomt. En deze kan venijnig uitpakken.

Trump

Begin 2021 bestormden duizenden fanatici het Capitool in Washington. Het motto was vrijheid. Het doel was de verkiezingen saboteren opdat de witte nationalist Trump aan de macht kon blijven. In eigen land is omroep Ongehoord Nederland tot het publieke bestel toegelaten. Het motto is vrijheid. Het doel is Nederland wit en Piet zwart. Is deze onverdraagzaamheid misschien meegebakken in onze vrijheid?

In White Freedom beantwoordt de Amerikaanse hoogleraar geschiedenis Tyler Stovall die vraag uitdrukkelijk met ‘ja’. We veronderstellen dat vrijheid en racisme elkaars antipolen zijn. Het ene is goed, en het andere is slecht. Maar beide ideeën groeiden de afgelopen twee eeuwen samen op.

Kijk eens naar Peter Pan, zo begint Stovall een knisperend eerste hoofdstuk. Hij wil de lezer laten zien wat voor betekenissen vrijheid nog meer zou kunnen hebben. Peter Pan zegt: ik weiger op te groeien! Is die houding geen vrijheid? En Kapitein Haak wil buiten de wet staan. Is dat geen vrijheid? Maar zo kijken we daar niet naar. Misschien zijn de piraten exotisch, misschien zijn de kinderen ontroerend, maar wat voor nut heeft dat? Wie te kaap’ren vaart of de hele dag in het gras ligt te dromen, kan volgens de heersende opvattingen tegenwoordig geen aanspraak op vrijheid maken.

Lees ook het interview met historicus Annelien de Dijn: ‘Het is de afgelopen twee eeuwen fout gegaan met de ontwikkeling van ons vrijheidsbegrip’

Stovall ziet net als De Dijn dat vrijheid sinds de 19de eeuw nogal eng geïnterpreteerd wordt. Maar hij kijkt minder naar hoe we besturen en meer naar voor wie vrijheid bedoeld is. De ‘universele vrijheid’, uitgevonden tijdens de Verlichting, is ook gebaseerd op het verlangen de wereld te kennen, te ordenen. Dat creëerde een nieuw onderscheid, bijvoorbeeld tussen kinderen en volwassenen, maar ook tussen volkeren, die meer of minder ontwikkeld zouden zijn. De beroemde 18de- eeuwse filosoof markies Nicolas de Condorcet was fel tegen slavernij. Maar bestaande slaven vrijheid geven was niet de bedoeling, want dat waren kinderen of idioten. ‘Vrijheid is voor de volwassen rassen’, citeert Stovall de 19de-eeuwse filosoof John Stuart Mill, in de hoogtijdagen van kolonialisme en slavernij.

Ook de uitbreiding van het stemrecht voor arbeiders en het ontzeggen van stemrecht aan voormalige slaven gingen in de Verenigde Staten gelijk op. Net als de uitbreiding van de parlementaire rechtsstaat in Europa gelijk op ging met de uitbreiding van de koloniale rijken. Dus vrije burgers hebben natuurlijk toegang tot de stembus, tot sociale voorzieningen, tot onderwijs, maar die vrijheid moet wel verdiend worden: sommige mensen hebben nog flink te leren, helaas voor hen maar niks aan te doen. En toevallig hebben ze nogal eens een kleur.

Keurige witte dame

Het schilderij van Delacroix keert terug bij Stovall, in een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van het al even wereldberoemde Vrijheidsbeeld. Gaat dat beeld wel over vrijheid, vraagt Stovall zich af. Het was een cadeautje uit 1886 van de ene nieuwe vrijheidslievende republiek (Frankrijk) aan de andere vrijheidslievende republiek (Verenigde Staten) en zou een variant moeten worden van dat inmiddels wereldberoemde schilderij. Alleen, eind 19de eeuw was men dus de revoluties van arme mensen flink beu. En dan was er nog de slavernij. Afgeschaft weliswaar, maar geen Amerikaans politicus wilde Amerikanen met een Afrikaanse achtergrond invloed geven.

Rustig aan met die vrijheid kortom, zo beschrijft Stovall. De vrijheidsmuts van Marianne werd een wat neutralere stralenkrans, en de afgezakte jurk een decente kruising tussen toga en juten zak. Ook handig om de gebroken ketenen die herinnerden aan de afschaffing van de slavernij wat mee te verdoezelen. En niet zo’n agressieve bajonet in haar hand, maar een fakkel – in een houdertje, anders zouden mensen nog denken dat de dame een petroleuse was, zo’n opstandige brandstichtster uit de Parijse commune van 1871. En voor de slechte verstaanders in de andere hand tenslotte nog een wetboek. Kortom, een keurige, witte dame. En eenmaal in de haven, heette het Vrijheidsbeeld vooral immigranten welkom. Die Oost-Europeanen of Italianen stonden te trappelen om geld te verdienen én het weer uit te geven. Ze werden eerder en meer Amerikaan dan de reeds gevestigde zwarte bevolking van de Verenigde Staten.

Stovall laat met mooie geschiedschrijving zien dat burgerschap een kleur heeft. Zoals de vrijheid die luid wordt bezongen in Mozarts opera Die Zauberflöte. Monostatos, de tegenstrever van de vrijheidslievende helden, is zwart, wild, niet opgevoed. Op de achtergrond speelt wel de Franse Revolutie, maar Stovall laat zien dat de gelijktijdige Haïtiaanse opstand in die tijd werd beschouwd als anarchie, als opstand van mensen die geen vrijheid verdienden. Dat waren immers slaven. Haïti moest zelfs tot 1950 compensatie aan Frankrijk betalen, voor geleden schade door plantage-eigenaren. Zo is ook de Tweede Wereldoorlog-vrijheid verknipt door kleur. Natuurlijk doordat soldaten uit koloniën sterven voor de vrijheid van witte mensen. Maar ook omdat de stad Parijs van de Amerikanen niet door mensen van kleur bevrijd mocht worden – waarop de Franse commandant generaal De Gaulle een divisie van Spaanse bannelingen inzette.

Oprah en Obama

Stovall concludeert: ‘To be free is to be white and to be white is to be free’. Allicht neemt het verband tussen vrijheid en racisme de afgelopen decennia af, stelt hij. De burgerrechtenbeweging van Martin Luther King maakte immers ook succesvol gebruik van het vrijheidsideaal. Maar hij citeert een Republikeinse campagnestrateeg, Lee Atwater, om te laten zien hoe het verband tussen vrijheid en racisme voortleeft. Atwater legde in 1981 uit dat je als politicus niet meer op ‘niggers’ kunt schelden. Maar wanneer je belastingverlaging aanprijst om de typische Amerikaanse vrijheid te vergroten, snapt de achterban heel goed dat dit betekent: bezuinigen op sociale voorzieningen voor Afro-Amerikanen. Je zegt het niet, maar ze horen het wel. Het is een robuuste politieke strategie gebleven.

Welke discussie roept dit alles op? Niet iedereen zal het eens zijn met Annelien de Dijn. De door haar bepleite ‘democratische’ vrijheid is ook niet ideaal. Migranten, seksuele minderheden of introverte mensen vinden thuis op de bank misschien wel meer vrijheid dan wanneer ze de politieke ruimte moeten opzoeken met willekeurige medeburgers. Maar het zal geen woeste kritiek zijn die De Dijn aantrekt, want de opvatting dat de vrijheid van het liberalisme weinig democratie oplevert, die wordt breed gedeeld. Wie geeft om het in Den Haag tegenwoordig weer zo populaire idee van tegenmacht – denk aan de discussie rondom de Toeslagenaffaire – moet daarom snel zijn lege kopje door De Dijns oceaan van kennis halen.

Stovall mikt expliciet op debat. Gegeven de egelstellingen in identiteitsdiscussies is het niet gemakkelijk daarin vooruitgang te boeken. Wie vindt dat mensen van kleur zelf verantwoordelijkheid voor hun leven dragen, zal zich bij voorbaat opwinden over hoeveel verborgen racisme Stovall aandraagt. Of spitsvondig informeren waarom het succes van Barack Obama of Oprah Winfrey niet in het boek aan de orde komt: zeker omdat ze niet struikelden over het Vrijheidsbeeld? Maar wie geeft om schurende geschiedenis, waarin onze intellectuele en politieke helden een ongemakkelijke rol spelen, die kan een paar welbestede avonden hebben.