Vergelijken? Hoe durf je!

Woord Wie vergelijkt is vogelvrij. Sprekers dekken zich massaal in, ziet .

In het boek Wolfstijd (2020) van Harald Jähner staat de volgende passage: „Kunnen we, willen we de hele gruwelijk ontmaskerde machinerie van ons getechnologiseerde bestaan wel weer opnieuw in elkaar zetten met alle druk en haast, alle gedachteloosheid en demonie van dien? Nee, zegt onze innerlijke stem.”

Aan het woord is een Duitser die de ruïnes van zijn stad beziet kort na het eind van de Tweede Wereldoorlog. Maar jij leest dit en het doet je denken aan het nu! Aan corona en hoe die de westerse wereld een spiegel voorhoudt. Wat grappig, denk je, die parallel!

Stel nu dat je je verwondering wilt delen met anderen. De kans is groot dat iemand iets zegt als: „Sorry hoor, maar vergelijk jij corona nu met de púínhopen van de Tweede Wéreldoorlog?” Ja, hoor je jezelf stamelen. „Maar die twee zijn toch helemaal niet te vergelijken!” werpt de ander tegen. Einde gesprek. Terwijl je nooit ook maar hebt willen beweren dat corona en de Tweede Wereldoorlog hetzelfde zijn: ineens stond je klem.

Volgens Van Dale is vergelijken het vaststellen van de overeenkomsten én verschillen tussen A en B. In theorie is dus álles vergelijkbaar, ook dingen die als dag en nacht van elkaar verschillen. Moeder Teresa met Pol Pot, appels met peren. Alleen wordt het woord zo nauwelijks nog gebruikt of begrepen. Het wordt vooral ingezet als dingen erg op elkaar lijken. „Het weer van morgen is vergelijkbaar met dat van vandaag”, zei Gerrit Hiemstra laatst. „Pfizer en Moderna hebben een vergelijkbare werking”, meldt de GGD in de mail die de vaccinatieafspraak bevestigt.

Maar omdat willekeurig welke A zelden compleet gelijk is aan willekeurig welke B, horen en lezen we ook om de haverklap dat dingen „niet vergelijkbaar” of „niet te vergelijken” zijn. Lesgeven in de klas of via het scherm: „niet te vergelijken”, zei een leraar aardrijkskunde. Zevende deel van Lucinda Riley’s Zeven Zussen: „Echt niet vergelijkbaar met een doktersroman”, kopte nos.nl. En oud-racecoureur Jos Verstappen zegt dat je hem écht niet kunt vergelijken met zijn zoon Max, „want die is veel sneller”. Telkens wordt bedoeld dat A en B niet gelijk aan elkaar zijn, maar dat zeggen we niet.

Gevolg is dat de lat erg hoog is komen te liggen. Of het gaat om flesvoeding en borstvoeding, de haven van Rotterdam en die van Amsterdam, het populisme nu en in de jaren 30: voortdurend ligt die fnuikende tegenwerping op de loer: „Echt, dat is niet te vergelijken!”

Sprekers dekken zich dan ook massaal in: „Het is niet helemaal vergelijkbaar, maar…” Er zit collectieve kramp in het publiek discours. Hoeveel zinnige vergelijkingen zijn onder sociale druk wel niet ingeslikt?

Opvallend genoeg is het gebruik van ‘vergelijken’ om verschil te benadrukken wél sociaal geaccepteerd zodra A en B in cijfers zijn uit te drukken. Zonder schroom vergelijken we de lagere besmettingscijfers van deze week met de hogere van vorige week, de vaccinatiegraad van Nederland met die in het buitenland, en de economische groei in 2021 met 2020.

Maar zodra A en B niet meetbaar zijn in gelijke eenheden zijn de vergelijkingentrekkers plots vogelvrij. Sorry, hakkelen ze, nee, inderdaad, stom, zó hadden ze het héús niet bedoeld.