Lineke Frerichs

Annabel Oosteweeghel

Interview

‘De meeste kunstenaars zijn doorgewinterde egoïsten’

Lieneke Frerichs Na 25 jaar is haar biografie van de schrijver Nescio (J.H.F. Grönloh) eindelijk af. Zijn boeken blijken veel autobiografischer te zijn dan ze dacht. ‘Zijn ware ik was in zijn werk te vinden.’

Zeven kartonnen dozen met manuscripten en andere papieren die de schrijver Nescio (1882-1961) had nagelaten. Ze stonden in het toenmalige Letterkundig Museum in Den Haag en Lieneke Frerichs kreeg de opdracht om een inventarisatie te maken. „Zo is het begonnen”, zegt ze. Het was 1978 en ze was net (cum laude) afgestudeerd als neerlandica. Ze was eerder bibliothecaresse geweest, wat haar een reputatie van ‘grote nauwkeurigheid’ gaf, en ze viel in de smaak bij Nescio’s erfgenamen – vandaar. Later promoveerde ze op de ontstaansgeschiedenis van De uitvreter, Nescio’s eerste novelle, uit 1911, over Japi die een volmaakte bohémien wil worden en ten slotte van de spoorbrug over de Waal bij Nijmegen stapt. Ze bezorgde in 1996 het Verzameld Werk. En nu is de biografie verschenen: Nescio, leven en werk van J.H.F. Grönloh.

Frits Grönloh, zo heette Nescio in het echt. In 1915 verscheen Titaantjes, met de beroemde eerste zin: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’. Hij schreef Dichtertje en nog enkele novellen. Ze worden nog altijd gelezen. Hij werkte daarnaast bij de Holland-Bombay Trading Company in Amsterdam, handelaars in Twents en Engels katoen. Op kantoor hield hij zijn schrijverschap zorgvuldig verborgen.

Had u in 1996 niet meteen al aan de biografie willen beginnen?

„Daar was geen denken aan, want toen leefden er nog twee dochters van Grönloh, Miep en Nel, en die werden overal heel zenuwachtig van. Ze wilden alles doen zoals pappie het gewild zou hebben, en pappie hield altijd alles af. Die wilde geen aandacht voor zijn persoon. Na zijn dood was hij in de Haagse Post een keer geportretteerd als een eenzame en onaangename man – ik hoor Miep er nog over smalen. De liefdesaffaire uit Dichtertje” – de hoofdpersoon raakt onder bekoring van zijn schoonzusje Dora – „werd rechtstreeks op zijn leven gelegd en dat had tot een explosie in de familie geleid. In 1996 zeiden de kleinkinderen tegen me dat er geen sprake kon zijn van een biografie of brievenuitgaven zolang Miep en Nel leefden.”

En dat duurde tot 2007.

„Miep stierf een half jaar na de dood van mijn man” – de neerlandicus en Gorterkenner Enno Endt – „en ik was bezig met de bezorging van het Verzameld Werk van Karel van het Reve. Pas toen dat klaar was kon ik met Nescio verder. Dat was in 2012. De kleinkinderen voelden zich vrij om mee te werken. Ik kreeg de familiebrieven – een schat aan materiaal.”

Grönloh zou er niet blij mee zijn geweest dat u daar zo vrijmoedig gebruik van maakt.

„Dat denk ik ook niet, nee. Het is het bekende probleem van Kafka, die zijn vriend Max Brod opdracht had gegeven om na zijn dood al zijn manuscripten te vernietigen. Had Brod gelijk dat hij dat niet gedaan heeft? Hoe belangrijk is na vijftig jaar de wens van een auteur nog? Als Grönloh niet had gewild dat er in zijn papieren zou worden gesnuffeld, had hij ze weg moeten gooien. Veel auteurs doen dat. Veel auteurs doen het niet. Gelukkig maar.”

Zijn vrouw heeft de verlovingsbrieven aan haar verbrand.

„Dat was altijd het verhaal en ik hoopte dat het niet waar was. Maar het was dus wel waar. Miep en Nel hebben het hele pakket na de dood van hun moeder in mei 1974 in de kachel gestopt, want dat was mammies uitdrukkelijke wens geweest en beloofd is beloofd. Ik heb Miep wel eens gevraagd waarom hun moeder het niet zelf gedaan had. Ze antwoordde dat dat toch volkomen begrijpelijk was. Mammie had ze meegenomen naar het bejaardentehuis omdat ze er zolang ze leefde nog af en toe in wilde lezen.”

De kaarten en brieven uit Veere later, als ze getrouwd zijn, zijn wel bewaard.

„En daarin zie je De uitvreter ontstaan. Grönloh was in de zomer van 1908 – hij was net 26 – naar Zeeland gegaan voor een weekje vakantie, vermoedelijk omdat het niet zo goed met hem ging. De eerste dagen moet hij zijn draai nog vinden en schrijft hij aan Ossi” – de koosnaam van zijn vrouw – „dat hij zich moe en onplezierig voelt. Maar dan is hij in Veere en raakt hij in een soort roes van geluk. Hij staat op het zuidelijke havenhoofd naast de Campveerse Toren, net als Japi, en hij kijkt naar de zee, naar het komen en gaan van eb en vloed, naar de vissersboten. Hij luistert naar de wind en denkt helemaal nergens meer aan. Hij stuurt een kaartje naar zijn werk, dat hij wat langer wegblijft, en vraagt Ossi om hem nog eens tien gulden te sturen.”

Ossie is hoogzwanger van hun tweede.

„Van Nel, ja. Ze logeert met hun dochtertje Ati bij haar ouders in Amsterdam-Oost. Ze schrijft hem een heel lief briefje, dat gelukkig bewaard is gebleven. ‘Je amuseert je daar heel best hè, dat vind ik erg leuk.’ Helemaal niet erg hoor, dat hij niet naar haar en Ati verlangt. Hij moet maar veel plezier maken. En wat dan voor een biograaf heel interessant is: dat hij dat briefje later, in 1942, verwerkt in het verhaal Insula Dei. Twee oude mannen, zestigers, praten met elkaar over vroeger en een van de twee, Flip, Grönlohs alter ego, vertelt dan dat hij in Veere was toen zijn vrouw hun tweede kind moest krijgen. Haar brief kent hij uit zijn hoofd en hij beseft dat hij in zijn leven veel verzuimd heeft. ‘Niet zoo maar wat verzuimd. Alles verzuimd. En onrecht gedaan. En waarom? Om niets, om een waan.’ En die oude vriend van hem, Dikschei, ook een alter ego, zegt dan: ‘Een waan? Valt er iets anders te beleven?”

Wist u voor u aan de biografie begon dat Nescio’s werk zo sterk autobiografisch was?

„Nee, helemaal niet. Die gedachte had je helemaal niet in de tijd dat ik Nederlands studeerde. En ook daarna niet. De auteur was dood, het ging om the words on the page. Ik vond dat zo’n ontdekking: hoe Nescio eigenlijk altijd over zichzelf schreef. In later jaren doet hij een poging om zijn levensgeschiedenis te schrijven. Hij zet dat woord tussen aanhalingstekens en zegt dat zijn ware ‘ik’ in zijn werk te vinden is. En in zijn brieven, zeg ik, ook die aan zijn dochters. Die gaan over zíjn belevenissen en zíjn zielenroerselen. Nooit: hoe gaat het met jou?”

Citeert u daarom zo veel in de biografie? Zonder al te veel interpretatie?

„Ja. Ik had me voorgenomen om er geen persoonlijk kunstje van te maken. Mijn ‘ik’ komt er nauwelijks in voor. Mijn stem was niet nodig, omdat Nescio’s stem al zo krachtig is. Ik leg het materiaal open en de lezer kan zijn of haar eigen gedachten vormen. Ik stuur wel, maar niet dwingend.”

In een brief aan een vriendin noemt Grönloh zichzelf een egocentrische ellendeling.

„De meeste kunstenaars zijn denk ik doorgewinterde egoïsten. Het is een voorwaarde om tot scheppen te komen. Maar hij heeft wel een groot verantwoordelijkheidsgevoel, als vader van vier dochters. Er moest geld verdiend worden en al verzet hij zich zijn hele leven tegen het kantoorbestaan en laat hij zich er gewoonlijk laatdunkend over uit – ‘mijn godvergeten plicht staat weer te jengelen’ – hij doet het wel zo goed mogelijk. Hij maakt een mooie carrière, van kantoorbediende tot directeur.”

Ook al is hij een keer of vier langdurig overspannen.

„En wordt hij voor enkele maanden opgenomen in een rusthuis. Op zijn werk moeten ze hem zeer gewaardeerd hebben, want het schaadt zijn carrière niet. Rond 1900 was er bij hem al een ‘nerveuze prikkelbaarheid’ vastgesteld, een symptoom van wat in die tijd zenuwzwakte werd genoemd, neurasthenie. In mijn epiloog vraag ik me wel af wat erachter zit en wat hij nu voor diagnose zou krijgen, maar ik zeg er meteen bij dat ik dat laatste niet zo zinvol vind.

„Misschien was het genetisch. Zijn moeder was denk ik ook niet helemaal vrij van zulke kwalen. Op foto’s lijkt ze niet erg levenslustig. Miep vertelde altijd hoe gezellig het was met de familie van haar moeder en hoe stijf het was bij de Grönlohs. In een brief aan Ossi schrijft Grönloh dat de neuroloog hem drie keer per week wil elektriseren en daar heb ik mijn licht over opgestoken bij de medici. Dat was een behandeling tegen depressie. Maar het waren zeker geen shocks.”

En Ossi blijft maar van hem houden.

„Ja, ze houdt echt van hem. Ze is en blijft loyaal. Hoe die liefdesgeschiedenis tussen hen begint, vond je dat niet leuk? Hij ziet haar bij de zangvereniging en wordt hevig verliefd, maar zij houdt hem af en hij heeft geen idee wat hij moet doen. En als hij haar dan na eindeloos treuren en wanhopen eindelijk een briefje schrijft waarin hij zegt dat hij haar zo graag zou willen spreken, en zij daarin toestemt, dan zijn ze ook meteen verloofd. Ze kennen elkaar nauwelijks! De verovering van Aagje Tiket, zoals ze heet, of Agathe, zoals ze zich noemt, moet een van de hoogtepunten in zijn leven zijn geweest.”

Zijn gelukzaligste momenten, schrijft u, beleeft Grönloh als hij zich één voelt met de natuur.

„En zich overgeeft aan wat zijn ogen zien: het zonlicht, de wolken, de rivier die altijd maar blijft stromen, de bomen. Even geen gevoel van mislukking meer, geen verlangen naar elders. De tijd staat stil en voor een ogenblik voelt hij zich opgenomen in de eeuwigheid. Dat klinkt misschien zweverig, maar dat was hij niet. Ik heb ook nergens aanwijzingen gevonden dat hij studeerde op de Tao of de Stoa of op filosofen als Nietzsche of Spinoza. Hij had zijn eigen methode gevonden om in het leven overeind te blijven.”