Recensie

Recensie Boeken

Een zomerhuisje met een gruwelijke geschiedenis

Alex Schulman Drie broers reizen terug naar het zomerhuisje van hun jeugd, in een roman die geschreven lijkt voor de zucht van bewondering.

Foto Getty Images
Foto Getty Images

De overlevenden begint met een politieauto die, het is middernacht, het terrein van een zomerhuis oprijdt. Er is iets aan de hand! Het is een aanvang uit een boekje, of uit iedere lijst met tips voor het schrijven van de volgende bestseller: sleep de lezer met je eerste zin gelijk het boek in. Alsof er niet nog een hele roman volgt die de lezer kan grijpen. Het heeft iets opportuuns. Althans, in het geval van deze roman, die aan meer kanten naar effectbejag riekt.

De Zweedse journalist en talkshowhost Alex Schulman (1976) schreef vijf autobiografische boeken, niet in het Nederlands vertaald, De overlevenden is zijn romandebuut. Het gaat over drie volwassen broers die terugreizen naar het zomerhuisje uit hun jeugd. Ze willen er de as van hun moeder uitstrooien. Gaandeweg blijkt dat hun jeugd niet bijster zonnig was. Bovendien heeft er ooit iets gruwelijks plaatsgevonden waardoor de familie nooit meer naar het huisje wederkeerde.

Middernacht

Het uitgangspunt is niet bijster origineel, dat hoeft ook niet. Universele thema’s als rouw en familiebanden bieden, juist doordat ze weinig uitleg behoeven, ruimte voor nieuwe invalshoeken of experiment. Schulman schurkt daar voorzichtig tegenaan. Zo is er duidelijk nagedacht over de structuur van de roman: delen over het heden (de broers ruimen het huis van hun moeder op, komen erachter dat ze niet bij hun vader begraven wil worden, reizen met haar as naar het huisje) zijn in omgekeerde volgorde verteld, beginnend bij die omineuze middernacht, eindigend op een middernacht vierentwintig uur eerder. Deze hoofdstukken wisselen af met terugblikken naar aanvankelijk vooral die ene zomer, waarin de jongens twijgen verzamelen in het bos, zwemmen in het meer, op eieren lopen wegens hun veelal dronken ouders. Mooi: heel lang weet je als lezer niets méér van de jongens en hun leven dan de zomer, het zomerhuis, dit alles gadegeslagen door middelste broer: Benjamin.

Binnen deze fijn gevonden structuur verrast Schulman helaas niet. Moeder (‘mama’) is soms poeslief, soms een vrouw die haar zoon voor straf een donkere kelder instuurt. Dieper dan het onvoorspelbare en het mysterie wroet Schulman niet, waardoor ze, charmant maar dronken, kwaad maar lief, ‘strikt maar onduidelijk’, een soort manic pixie dream mom blijft. Ook de broers stijgen nauwelijks boven hun ene karakteristieke eigenschap uit. Pierre is hyperactief, Benjamin is (zoals werkelijk om de haverklap benadrukt wordt) extreem alert op zijn omgeving en gevoelig, Nils is een genie. Ze zijn alle drie op hun eigen manier beschadigd, waardoor die ene eigenschap door of om kan slaan; Pierre is agressief, Benjamin laf, Nils onzeker. Van allemaal krijgen we gaandeweg een glimp van hun andere kant te zien. Die glimpen zijn leuk bedacht, bijvoorbeeld als Pierre nogal dwangneurotisch de uiteinden van zijn patatjes opstapelt, maar ook wat obligaat. Uit het lesje: ‘geef je personages diepgang’, misschien. Dat lukt Schulman slechts sporadisch en ternauwernood, bijvoorbeeld in de passage (ik zou ‘m bijna beschrijven als ‘indringend’ maar waarom voelt het nu alsof dat precies de bedoeling is?) waarin Benjamin als puber tot het daverende besef komt verwaarloosd te zijn, en aanwijzingen gaat verzamelen: ‘hij leerde zichzelf kennen door om zich heen te kijken. Het vuil thuis, de urinevlekken op de vloer rond het toilet’.

Edelhert

Schulman lijkt te schrijven voor de zucht van bewondering, zet net iets te goedkope of sentimentele vergelijkingen, metaforen en symbolen in. Een pannendak ‘lijkt op de huid van een prehistorisch dier’. Benjamin, die dezelfde route naar het meer rent als vroeger, ‘rent door zijn jeugd heen’. In een al te plechtige passage elders legt hij zijn hand op de snuit van een plots verschenen, veel te mythisch aandoend edelhert. Of: de broers ‘lachten dezelfde lach, waarbij het klinkt alsof iemand een krant verfrommelt’ – hoe klinkt dat überhaupt? En zou Benjamin werkelijk zijn eigen lach zo beschrijven? De moeder die het na de verschrikkelijke gebeurtenis ‘in vertwijfeling uitschreeuwt’ (zeg je dan niet eerder: ‘huh’?), en dat dan, tot overmaat van semi-poëtische ramp, ‘het meer antwoordt’.

Zuchten: ja. Van bewondering: niet bepaald. Ook omdat alles net te mooi samenkomt. Het is overduidelijk dat er toegewerkt wordt naar De Onthulling Van Het Erge, de bron van alle beschadiging, de wortel van het verdriet. Daarmee hinkt Schulman op twee gedachten: de sensationele ontknoping en de literaire uitwerking van het effect ervan. Geen van beide komen, of het nu uit voorzichtigheid is of uit effectbejag, goed uit de verf.