Recensie

Recensie Boeken

Slim, geestig en onverbiddelijk eerlijk: de nieuwe Nicolien Mizee (●●●●●)

Nicolien Mizee Slim, geestig en onverbiddelijk eerlijk is Mizee in haar faxcorrespondentie met haar klankbord en goeroe Ger. In het vierde ‘faxboek’ lijkt ze bovendien bevrijd, wat het proza bijwijlen adembenemend maakt en grote zeggingskracht geeft.

Illustratie Paul van der Steen

‘Romans zijn een bewerking en bewerkingen interesseren me niet’, schrijft Nicolien Mizee op vrijdag 23 januari 2000. Die opmerking gaat niet per se over haarzelf, hij slaat op wat ze dan leest, maar toch is het een opmerkelijke ontboezeming van iemand die dan net haar debuutroman af heeft. Bij het schrijven greep ze regelmatig terug op de faxen die ze in de voorgaande jaren had geschreven aan haar klankbord en godgelijke goeroe Ger – die dagboekachtige brieven waren het ruwe materiaal, dat ze nu comprimerend en componerend omwerkte tot een roman. Maar dat Mizee zich tegen Ger laat ontvallen dat ze ‘eigenlijk alleen in egodocumenten geïnteresseerd’ is, werpt een interessante paradox op. Waarom dan toch een roman schrijven? Om het verhaal minder particulier te maken? Wat ze elders aan Ger faxt ligt misschien wel dichter bij de waarheid: ‘Alles staat het best in de faxen.’

Als je Voor God en de Sociale Dienst (2000) nu leest, herken je inderdaad scènes uit de brievenboeken die de afgelopen jaren zijn verschenen – De kennismaking (2017), De porseleinkast (2018) en Allesverpletterende (2019). Mizees debuut is geen zwakke roman, maar leg ‘m naast de drie eerdere faxboeken plus het nieuwe deel Hoog en laag springen, en het ‘ruwe materiaal’ trekt aan het langste eind. Soepeler, geestiger, openhartiger, eerlijker, sterker, eigenlijk op alle punten beter.

Lesbische dansles

Hoog en laag springen bevat de faxen die Nicolien aan Ger stuurde tussen juni 1999 en februari 2000. Dit vierde boek begint waar het vorige deel ophoudt, dus er is veel hetzelfde: de sociaal onaangepaste Nicolien, die vrolijk en zeer smakelijk haar levensbeslommeringen boekstaaft en haar hart uitstort bij haar zwijgzame correspondent, over haar tamelijk dwaze familie, haar geldzorgen, haar bijverdiensten als naaktmodel voor amateurschilders, haar lesbische dansles, haar kijk op de wereld. Tegelijk zijn er dingen anders, wat Hoog en laag springen het beste deel tot dusver maakt, een bijwijlen adembenemend boek, met een heel eigen, nieuw verhaal. De faxboeken – onder verslaafde liefhebbers al jaren een geheimtip – bestaan dan wel uit een voortgaande, schijnbaar onbewerkte correspondentie, waardoor ze op het eerste gezicht zomaar ergens beginnen en zomaar ergens ophouden, maar toch hebben ze elk op zich een opmerkelijk vernuftige eenheid aan thematiek, eigen spanningsbogen en afgeronde verhaallijnen.

De beginsituatie is nu dat Nicolien, zoals in Allesverpletterende al uitkristalliseerde, steeds meer zelfvertrouwen krijgt, en een heldere rol en houding voor zichzelf heeft gevonden in de wereld. Schrijven kán ze, en dat besef geeft zekerheid, vrijheid – het gevoel iemand te zijn, al is die iemand een relatieve buitenstaander. Het is eigenlijk haar ideaal: ‘Zo hoopte ik vroeger dat later het leven zou zijn: ik kwam binnen, bevond me bij afspraak in een uitzonderingspositie, midden in de kring of juist erbuiten, deed niets dan mijzelf zijn, en vertrok weer, zonder iets te zeggen. En iedereen was tevreden.’ Of, een grappiger voorbeeld: ze vereenzelvigt zich met het nijlpaard waarover ze in de krant leest dat die een dierentuindirecteur heeft gedood. ‘Een verrukkelijk bericht. We slaan gewoon terug, wij, de wezens die geen kunstjes willen leren.’

Op vele manieren is het schrijven bepalend in die zelfverwezenlijking. Het is enerzijds een uitlaatklep, ‘mentaal toevluchtsoord’, waar ze zich kan uiten, ‘omdat ik anders explodeer’. Daarbij komt dat de taal ook de plek is waar ze de zaken in opperste precisie en helderheid kan formuleren – en vatbaar maakt, beheersbaar en begrensd. Er ‘ontstaat ordening door het noteren van de zuivere chaos’, noteert ze ergens, ook weer zo lumineus helder.

Voorschot op erfenis

Het leven overvalt haar niet altijd meer en dat heeft mede een prozaïsche oorzaak: haar ouders schenken haar een ‘grote som gelds’, een voorschot op de erfenis, wat de arbeidsongeschikte Nicolien uit de financiële zorgen helpt. Zonder slag of stoot gaat dat niet – er moet na de verrassende toezegging wel nog onderhandeld en geschreeuwd worden, ‘zoals al die dingen altijd gaan bij mijn ouders: veel beloven, niks doen’. Dat Nicolien nu anders om kan gaan met de onnavolgbare kronkels van die mensen, blijkt uit de zin waaraan het boek de titel dankt: ze is ‘ervan overtuigd dat mensen in hun hoofd slechts plaats hebben voor één denkbeeld. Dan kun je hoog en laag springen, daar verandert niets meer aan.’

Nicolien heeft steeds meer de rust en kalmte in pacht, paradoxaal genoeg zowel door zich te laten raken als door afstand te bewaren. Dat toont ze mooi contrasterend in een verhaallijn over haar vriend Sybren, die bezig is met het schrijven van een reisgids van Polen, wat hij totaal niet kan, hulpeloos verzandend in details. Nicolien bemoeit zich ermee en trekt hem uit dat moeras. Zij stelt wél paal en perk. Dat doet ze ook wanneer ze breekt met haar geliefde Louise – iets waar je als lezer nog wel vreemd van kunt opkijken: is ze niet ál te rigoureus, na een ogenschijnlijk onhandig voorval, waarbij Louise iets te veel zeurde?

Het past in een bredere ontwikkeling: het grote voor zichzelf kiezen is begonnen. Haar nieuwe vermogen tot distantie brengt overwegend goeds, vooral in de relatie tot haar ouders. Ze kan met humor schrijven over haar vader die luidkeels zit te kreunen (‘Als het te lang duurt voordat iemand vraagt wat er aan de hand is, zegt hij: “Ja, ik praat er niet graag over maar ik heb een ontzettende hoofdpijn.”’), maar belangrijker: ze ziet in hoe haar opvoeding haar gevormd heeft. Dat ze doodsangsten uitstaat als Ger op vakantie gaat, omdat ze gewoon wéét dat hij nooit veilig huiswaarts zal keren, relateert ze, onnadrukkelijk maar onmiskenbaar, aan de onveilige hechting in haar jeugd. Glashelder analyseert ze ook waarom ze zo allergisch is voor gewichtigdoenerij, met name van haar familie: ‘er klinkt een superioriteit door die mij mijn eigen denkwijze ontzegt’.

Gekneed door mannen

Veel komt samen in wat ik beschouw als de beste sequentie in Hoog en laag springen. Die gaat over naakt poseren – Nicolien doet dat, al zolang we haar kennen, tegen betaling voor amateurschilders, haar zus doet het voor een fotograaf, ook onbekommerd. Maar zij komt daar van terug, als ze samen met Nicolien een film over misbruikte vrouwen heeft gezien. Ineens staat Nicolien erbij stil: ‘Waarom deden wij zulke dingen?’ Er ligt, beseft ze, een groot vrouwelijk minderwaardigheidscomplex aan ten grondslag, een behaagzuchtige onderschikking die ooit zo gekneed werd door autoritaire mannen en overgedragen is van generatie op generatie – en nooit bevraagd. ‘Hoe kon ik in hemelsnaam onder ogen zien dat er iets niet deugde?’ verdedigt Mizee zich. ‘Dat zou betekenen dat ik mijn moeder ervan beschuldigde ons in iets slechts te sturen. Mijn moeder!’

Daar bij uitstek, maar eigenlijk doorlopend in dit boek, komt iets bloot te liggen dat Mizees proza doet uitstijgen boven het persoonlijke relaas, boven een op zichzelf staand verhaal van een curieus disfunctioneel gezin; ze legt menselijke, maatschappelijke mechanismen (van seksisme en achterstelling) bloot. Als het leven zo onverbiddelijk eerlijk en precies ontleed wordt en zo helder beschreven (laten raken én afstand bewaren!), hoeft een egodocument zich niet in kunstzinnige bochten te wringen om bredere geldigheid te krijgen – om grote literatuur te worden. ‘Het lastige is dat we eerst volmaakt subjectief moeten zijn om tot een soort objectiviteit te komen’, noteert Mizee over haar literatuuropvatting. Het mag lastig zijn, het is ook precies wat ze bereikt in haar faxboeken.