Waarom altijd die doodskist en rouwauto? ‘Een rieten mand of een bakfiets kan ook heel mooi zijn’

Overlijden Uitvaartbegeleider Susanne Duijvestein doet een aanklacht tegen de uitvaartindustrie, en een oproep dat het anders kan: „Laat creativiteit toe en de norm los.”

Een wilgenmand van het bedrijf Beerenberg.
Een wilgenmand van het bedrijf Beerenberg. Foto Beerenberg

Geen houten kist maar een milieuvriendelijk omhulsel van snelgroeiende wilgentenen. Geen afspeellijst door de speakers maar een live bandje. Geen onpersoonlijk zaaltje in een crematorium maar een dienst in de achtertuin. Afscheid nemen kán helemaal anders, maar dan zullen we daar zelf iets aan moeten doen. Dat is de boodschap van het boek Uitvaart in eigen hand van uitvaartbegeleider Susanne Duijvestein.

Helaas verkrampen we vaak op het moment dat de dood zich aandient, waardoor plotseling alle creativiteit en vindingrijkheid in een hoofd vol watten en verdriet verdwijnt. De uitvaartindustrie speelt daar handig op in, met als gevolg dat veel uitvaarten worden gehouden op een plek waar je niet dood gevonden wil worden en op een manier die niet past bij het leven dat iemand leidde.

„Zo zonde”, zegt Duijvestein, want een mooie uitvaart werkt helend. Na een paar jaar werkzaam te zijn als uitvaartbegeleider, schreef ze daarom dit boek, vol tips, aanwijzingen en overdenkingen. Het kan gelezen worden met het oog op een eigen uitvaart, maar ook met het idee om de onderwerpen die ze aanstipt eens te bespreken met geliefden. Hoe zien zij hun uitvaart voor zich? Misschien geen kist, maar een wade? Misschien niet met de rouwauto, maar op de bakfiets? Misschien niet in een zaaltje maar in de achtertuin?

Ze hoopt dat we ons op deze manier de dood weer „kunnen toe-eigenen” als iets dat bij het leven hoort, en niet bij een industrie. Een uitvaart mag het leven vieren, uniek, intiem, liefdevol en zacht zijn, hoeft niet in een onpersoonlijk crematorium plaats te vinden en kan ook nog eens veel milieuvriendelijker.

Lees ook: ‘Na de pandemie zal de digitale uitvaart blijven’

Stilstand en verlies

Voor Duijvestein zelf was de dood in haar jeugd altijd in de buurt. „Ik groeide op in een agrarisch gebied, daar zag ik regelmatig dode koeien langs de rand van de weg en troffen we weleens dode lammeren in de stal. Dat hoorde erbij, dat was het leven.” Ook vond ze het prachtig om te kijken naar hoe dode vogeltjes langzaam verorberd werden door andere vogels, insecten en maden. „Dat klinkt voor veel mensen misschien onvoorstelbaar vies, maar het was juist heel leerzaam en mooi.”

In haar omgeving werd niet gek gedaan over sterfelijkheid, ontbinding en verlies. Het mocht er zijn. Toch voelde ze wel dat zoiets in de natuur anders was dan wanneer het om mensen ging.

Ze was nog jong, toen ze samen met meerdere kinderen uit haar klas de begrafenis van haar basisschooljuf bijwoonde. „Ik ben, hoe verdrietig het ook is, heel blij dat ik dat heb meegemaakt. Dat haar overlijden niet werd afgeschermd en weggestopt. Ook wij kinderen mochten afscheid van haar nemen.”

Kinderen zijn vaker niet dan wel bang voor de dood, schrijft ze in haar boek. En als het zo is, komt dat vaak bij de ouders vandaan. Zij willen hun kinderen beschermen, met averechts effect. „Het tekent hoe we in de westerse wereld met de dood omgaan”, zegt Duijvestein. Alsof het iets onnatuurlijks is en het leven alleen om succes en vooruitgang draait. Dat idee wil ze wegnemen. Het leven is óók stilstand en verlies.

Naarmate de jaren verstreken en ze meerdere uitvaarten bijwoonde, ging het haar opvallen hoeveel afscheidsdiensten in Nederland op elkaar lijken. Terwijl juist de unieke uitvaarten zo mooi zijn, en bijblijven. Vaak zijn het uitvaarten waarbij de nabestaanden de touwtjes zelf in handen hadden én die buiten de gebaande paden durfden te denken.

Een lijkwade van hennep (onder) of biologisch flanel (boven), op een constructie van takken of een aardeplank gemaakt van beukenmultiplex, van het bedrijf Wikkelgoed. Foto Wikkelgoed

„Creativiteit toelaten en de norm loslaten, daarin zit voor mij het mooie van een uitvaart.” Vier jaar geleden besloot ze dat ze mensen hierin bij wilde staan. Ze stopte met haar werk bij een bank en begon als zelfstandig uitvaartbegeleider. „Hoe we in de westerse wereld uitvaarten organiseren, dat wilde ik veranderen. Het begon heel klein, familie voor familie, uitvaart voor uitvaart. Maar ondertussen wil ik, ook met dit boek, veel meer mensen bereiken.”

Schaduwkanten

Iedereen kan in principe uitvaartondernemer worden. Daar is geen opleiding voor nodig. „Maar die is wel aan te raden”, zegt Duijvestein. De wereld van kisten, crematoria, rouwvervoer, voorgangers, begraafplaatsen, rouwkaarten en grafstenen is vaak ondoorzichtig. „Zonder opleiding weet je niet waar je terecht kunt en wat de mogelijkheden én de valkuilen zijn.” Gaandeweg ontdekte ze zo ook de schaduwkanten van de Nederlandse uitvaartindustrie.

Prijzen voor producten en diensten zijn vaak onduidelijk, zegt ze, en de aangeboden opties blijven vaak beperkt tot die waar de hoogste marge op te behalen valt. Met de kist als grootste melkkoe, schrijft ze in haar boek. Bovendien is ook de milieubelasting vaak onnodig groot. „Het is toch onzin dat je bomen kapt om een kist van te maken, die je een week later weer de oven inschuift?” En dat terwijl er zoveel opties zijn. „Een rieten mand of een wade zijn zoveel milieuvriendelijker. Of trek een mooi laken uit de kast, dan ben je er al.”

Nabestaanden vinden het moeilijk los te laten hoe ze dénken dat een uitvaart hoort te zijn. Plus, als er een uitvaartverzekering is afgesloten, denk je als nabestaande vaak dat je ‘vast’ zit aan de verzekeringsmaatschappij en diens standaard catalogus. Dat is een misvatting, zegt Duijvestein.

Vraag jezelf af, voordat je de verzekeraar belt, of je niet zélf iemand wil benaderen om de uitvaart te begeleiden. Nabestaanden schieten na een overlijden vaak in een ‘regelmodus’ en gaan denken aan al die dingen die moeten en horen. „Dat is een logische reactie, maar ik probeer mensen ertoe te zetten eerst níéts te doen”, zegt Duijvestein. „Wees even in het moment aanwezig, en heb eerst samen een goed gesprek over wat jullie als nabestaanden belangrijk vinden.”

Het boek is daarin zowel een aanklacht, als een oproep. Een aanklacht tegen de uitvaartindustrie, die overigens door onszelf in stand wordt gehouden, zegt Duijvestein. En een oproep dat het anders kan, dat omgaan met de dood anders kan. „Het taboe moet ervanaf”, zegt ze.

Kleiner, maar fijner

Langzaam maar zeker lijkt die verschuiving overigens wel te komen. Na jaren onbesproken, ongezien en vooral gevreesd te zijn, wordt de dood nu vaker benaderd met liefde. Want afscheid nemen van een leven, kan juist heel mooi zijn.

Het afgelopen jaar heeft daar, gek genoeg, aan bijgedragen, zegt Duijvestein. Door de coronamaatregelen moesten uitvaarten compleet anders ingericht worden. Kleiner bleek soms fijner, een dienst thuis houden helemaal niet zo gek, en een rouwstoet kon ook met een bootje door de grachten en een erehaag, natuurlijk op onderlinge afstand, op de kade. „Het heeft mensen gedwongen andere keuzes te maken, en daarmee ging vaak onverwachte creativiteit gepaard. Hopelijk houden we dit vast, en zorgen we dat de uitvaart weer van ons is.”

Susanne Duijvestein: Uitvaart in eigen hand, bewust en creatief afscheid nemen, met of zonder uitvaartbegeleider. Uitgeverij de Geus, 288 blz. €21,50