Edmund de Waal in 2016 bij een installatie die hij maakte als keramist. „Je kunt de dingen niet achter je laten. Je houdt ze bij je en zoekt manieren om ze te blijven opmerken.”

Tristan Fewings/Getty

Interview

Edmund de Waal: ‘Ik wilde de stilte verkennen van dat huis in Parijs’

Edmund de Waal Schrijver

Edmund de Waal, Brits keramist en schrijver, raakte gebiologeerd door een Parijs’ woonhuis en de Joodse man die het liet bouwen: Moïse de Camondo. Hij schreef Brieven aan Camondo, een zoektocht naar een Fransman die geen Fransman mocht zijn.

Het begint met een huis: een woonhuis in Parijs van een rijk en kunstzinnig man. Een huis vol schatten, een schrijn, een museum, én een huis dat beklemt. „Je begint daar meteen óók het toevallige te ervaren, dingen te voelen die je maar net kunt aanraken”, zegt Edmund de Waal.

De Waal (1964), die zijn achternaam dankt aan een Amsterdamse grootvader, is een gelauwerd Brits keramist („a potter”, zegt hij zelf) en brak wereldwijd door als schrijver met zijn familiegeschiedenis De haas met ogen van barnsteen (2010).

In het huis – 63, Rue de Monceau – kwam hij terecht met een uitnodiging om er zijn porseleinen vaasjes en andere objecten te exposeren. „Ik ging kijken of het geschikt was voor een tentoonstelling, en het werd een boek.”

Het huis is uit 1911 maar het moest ruim honderd jaar ouder ogen. Want de man die het liet bouwen, Moïse de Camondo, was verliefd op de Franse achttiende eeuw – de jaren tot 1789 althans. In zijn huis verzamelde hij Louis XVI-meubelen, Sèvres-serviezen, wandtapijten en schilderijen die na de Revolutie verstrooid raakten over Europa en opdoken in veilinghuizen.

Moïse de Camondo had ook smetvrees: zijn huis kreeg een waterzuiveringsinstallatie en een geavanceerd stofzuigysteem. Van 1919 tot zijn dood, in 1935, woonde hij er alleen. Tussen zijn kunst, en zijn archieven – hij documenteerde alles.

Moïse liet het huis na aan de Franse staat, ter nagedachtenis van zijn zoon Nissim, die als Frans piloot sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. De vader bepaalde ook dat er nog geen fotolijstje verzet mocht worden. In Musée Nissim de Camondo moest alles blijven zoals het was.

De Camondo’s doken al even op in De haas. In Brieven aan Camondo krijgen ze de hoofdrol. Net als de Ephrussi’s, De Waals voorouders, waren de Camondo’s succesvolle Joodse bankiers die zich rond 1870 in Parijs vestigden. De Ephrussi’s kwamen uit Odessa via Wenen, de Camondo’s uit Spanje en Portugal via Venetië en Constantinopel. In Parijs werden ze bijna buren. En ze delen ook een geschiedenis met een droevig einde.

Pijlers van de samenleving, weldoeners van kunsten en wetenschappen, ernaar snakkend om Frans als de Fransen te zijn. Maar nooit geaccepteerd in een maatschappij die bleef neerkijken op nouveaux riches ‘zonder wortels’, zonder loyaliteit.

Als ik Edmund de Waal spreek, half april, via Zoom in zijn atelier in Zuid-Londen, staat zijn boek op het punt om zowel in het Engels als het Nederlands te verschijnen. Hij is „doodnerveus”. Hij heeft er jaren aan gewerkt, maar voor het boek – 63 ‘brieven’ aan Moïse – is het „day one”, zegt De Waal. Op de valreep besloot zijn Nederlandse uitgever de publicatie uit te stellen, maar intussen is het ook hier verschenen en regent het overal sterren.

Recensie Brieven aan Camondo: Wonderschoon boek over een dramatische Joodse familiegeschiedenis

Wat ontdekte u in Camondo’s huis?

„Hij schiep dit precieze, perfecte fantasiehuis, maar, mijn God, al die andere ruimtes! Verborgen ruimtes. Keukens en bediendenkamers en diensttrappen en zolders. De slaapkamers waren onaangeraakt sinds 1936. Ik mocht daar gewoon rondlopen, en dat leidde tot een volkomen andere ontmoeting met het huis. Het zette het idee in beweging dat er meer was dan alleen wat Camondo wilde dat er te zien was. Tussen die twee hing een loodzware stilte. Die stilte wilde ik verkennen.”

De spanning tussen het officiële en het echte huis?

„En de spanning tussen iemand die de perfecte Fransman wilde worden en zijn andere leven als Joods koopman uit Constantinopel. En dan is er de verschrikkelijke stilte tussen het monument dat hij oprichtte voor zijn zoon en het monument dat het daarna ook werd: voor zijn kinderen en kleinkinderen die zijn vermoord in Auschwitz en op transport werden gesteld door datzelfde Frankrijk. Het wringt, het brengt je volkomen in de war.”

Je kunt zeggen dat het allemaal gaat over ‘praten met de doden’. Moïse wilde zijn rouw niet afsluiten. U sprak zelf ook met de doden.

„Jean Améry, concentratiekampoverlevende, schreef: closure is onmogelijk, we kunnen niet toestaan dat deze gebeurtenissen ‘gewoon geschiedenis’ worden. Ze blijven zich eindeloos uitvouwen. Ik praat tegen Moïse, tegen zijn kinderen en kleinkinderen, en óók tegen mijn eigen grootmoeder en overgrootvader. Het zijn brieven maar ze schrijven niet terug. Ook daar zit stilte.”

Was u bang dat het huis u in zijn macht kreeg?

„Er is altijd het gevaar dat ik er te diep in ga. Voor De haas heb ik jaren en jaren in archieven doorgebracht, in huizen, op begraafplaatsen. Als je van tevoren wist hoeveel werk het was, zou je er niet aan beginnen. Als je volstaat met, zeg, een maand research, kun je misschien een boek schrijven, maar het wordt een glad, onecht boek. Dus moet je durven doorgaan. Dat is een lang antwoord, sorry. Het korte is: ja, het is inderdaad gevaarlijk terrein.”

U bestudeerde voor uw boek ook de Dreyfusaffaire, de regels rond het duelleren, de mode in snorren en baarden en liefdesaffaires in Parijs.

„Ja, ik ben obsessief. Ik kan niet niet alles lezen. En dan zat ik weer om twee uur ’s nachts online antiquarische boeken te bestellen. Je moet zorgen dat je zoveel kennis en intimiteit met je onderwerp hebt, dat je bij wijze van spreken met Moïse zou kunnen dineren en een Sèvres-bord kunt oppakken om over het merk aan de onderkant te spreken. Ik wil alles weten. Alles.”

Voelde u dat u Moïse aan het worden was?

„Ik vrees van wel. Maar ik wás hem eerlijk gezegd al een beetje. Het warme, delicate wat ik voor hem voel heeft met verzamelen te maken. Waaróm besteed je tientallen jaren aan het vinden van een bepaald object? Of aan het scheppen van een omgeving die zo precies is gecalibreerd naar de achttiende eeuw, dat je je kunt voorstellen dat Voltaire binnenkomt om een glas met Moïse te drinken? Ik begreep dat volkomen en voel me nabij en verwant.”

In het begin bewaart u afstand tot Moïse.

„Eerst is er alleen dat buitengewone huis, en de wetenschap dat hij puissant rijk is en jaagt en een trophy wife heeft. Dus ja, hoe moest ik hem voor het eerst aanspreken? Het begint als Monsieur maar hij wordt een vriend.”

Waarom koos u de briefvorm?

„In een brief kun je geamuseerd zijn, of vragend, of spottend of een beetje boos of meditatief. Alle stemmen en stemmingen. En een brief kan twee regels lang zijn of zes kantjes. Ze gunnen je verschillende registers, toonsoorten. Ik schrijf geen non-fictie, ik probeer niet de Camondo-familie te verklaren maar die te onderzoeken op allerlei persoonlijke manieren. In brieven werkt dat.

„Op een bepaald moment vertel ik hem… Dat was de echte test: als ik over de deportaties praat. Als ik hem vertel wat er is gebeurd. Want hoe zeg je dat? Met helderheid, eerlijkheid.”

Die brief is bijna een lijst bulletpoints. U begint met de mededeling dat u weet dat Moïse houdt van nauwkeurigheid en dat u ook nauwkeurig wilt zijn. En het gaat maar door.

[…]

U ‘verkent de stilte’ – net als in De haas – via objecten. Het blijkt al uit het motto ‘lacrimae rerum’, ‘tranen van dingen’, uit Vergilius’ Aeneas. Wat kan betekenen dat wij verdriet hebben om de dingen, en dat de dingen zelf verdrietig zijn.

„Die dubbelzinnigheid is er.”

Kunnen voorwerpen zelf emoties dragen?

„Het echte antwoord is dat het steeds ingewikkelder wordt naarmate ik ouder word. Ik maak mijn hele leven al dingen. En ik denk en schrijf over voorwerpen. De verbinding tussen objecten en mensen is diep. We maken ze, gebruiken ze en geven ze door. Die handelingen hebben te maken met wat het betekent mens te zijn.

„Dus ja, ‘lacrimae rerum’ gaat over wat die objecten bevatten, omvatten. En ze kunnen net als wij ‘beschadigd’ zijn: the brokenness of objects – dit is moeilijk gebied, maar dat schept juist ruimte om een verhaal te vertellen. De ontmoeting tussen mij en een object laat mij terugkeren en praten.”

De grens tussen voorwerp en mens gaat ook over tastzin. Het is moeilijk de parallel met de ‘netsuke’ uit De haas te missen: de ivoren Japanse beeldjes die vragen om aanraking. En het gaat ook over uw ‘andere vak’: objecten uit klei maken.

„Absoluut! Het is geen boek over ‘dure meubelen’. Ha! Goeie ondertitel: It’s not about posh furniture.”

U citeert de schrijver W.G. Sebald, wiens verhalen, vaak over verlies, zich net als uw boek op de grens van fictie en non-fictie bewegen. Hij zei dat „as, het allerlaatste product van verbranding, geen weerstand meer heeft”. „As is bevrijde substantie, net als stof”, „op de grens van zijn en niets”.

„Ik heb mijn hele leven als pottenbakker te maken met stof, dust. En dit Parijse huis is gebouwd en ingericht door iemand die als de dood is voor stof. Iemand die wilde dat niets veroudert, die de elementen buiten wilde houden en zijn familie intact. Het is hem niet gelukt. Dit boek gaat ook over stof. En ik beweeg inderdaad naar de grens tussen zijn en nothingness. Tussen het overtuigende, wat je kunt aanraken, en datgene wat verloren is.”

En het gaat over herinneren. Een van uw installaties is van potjes achter matglas. Van een afstandje zie je ze nog, maar hoe dichterbij je komt, hoe vager. U heeft die vitrine ooit vergeleken met iets wat je je net niet goed meer kunt herinneren.

„Het geheugen is zo gecompliceerd, isn’t it? Er zijn vage herinneringen waar je niet meer bij kunt. Of oude herinneringen die scherper zijn dan de dag van gisteren. Herinneringen die je verzint, valse herinneringen waarvan je volslagen zeker bent en die je toch niet helemaal kunt plaatsen. Je bent altijd aan het kijken en controleren en je laten verrassen.”

En is schrijven een manier van herordenen?

„Verkennen. Op de rand van het onzegbare, onbereikbare. Je kunt je voorstellen dat ik geen nette stapel researchmateriaal had waar ik me systematisch doorheen werkte en toen was het boek er.”

Uw boek gaat ook over verlies van uw familie.

„Er is veel ingewikkelde familiegeschiedenis. Het cirkelt terug naar mijn vader, die nu 92 is en zijn Oostenrijkse staatsburgerschap heeft herkregen, wat zowel bijzonder is als pijnlijk. Van 1938, toen hij Wenen ontvluchtte voor de nazi’s, tot nu – dat is een lange tijd. Hij is ook gewond door de Brexit en eigenlijk weet hij niet meer waar hij is. Het giftige nationalisme, de taal over puurheid en grenzen, wie een authentieke burger is en wie niet – dat gebeurt nu. Wie had dat ooit gedacht?”

U maakt er een punt van Europeaan te zijn: half Engels, een kwart Oostenrijks en een kwart Nederlands. Fluïde. Terwijl Moïse juist probeerde dingen vast te pinnen.

„Ik ben een bastaard. Ik geloof dat je een mens kunt zijn over allerlei grenzen heen en tegelijkertijd ‘heel’, compleet. Het gaat er toch om dat je mensen niet dwingt om de perfecte Nederlander of Fransman te willen zijn maar juist zichzelf laat zijn? En daar blij om te zijn.”

De haas met ogen van barnsteen heeft in Oostenrijk veel losgemaakt over de nazitijd en eraan bijgedragen dat de wet op het staatsburgerschap voor mensen als uw vader is aangepast. Wat kan dit boek veranderen?

„Een prachtige vraag waarop ik geen antwoord heb. Ik weet niet wat dit boek zal bereiken.”

Destijds was u onvoorbereid op de stortvloed aan post van mensen die hun eigen levens in uw boek herkenden. Kan zoiets opnieuw gebeuren?

„Ik wil niet vals bescheiden overkomen, maar je weet het gewoon niet. Niet of het gelezen zal worden, en niet hoe het zal vallen. Natuurlijk hoop ik het. Dat mensen een soort ‘waarheid’ ontdekken.”

Misschien rond het thema: kun je wel een eind maken aan rouw? U heeft tijdens de lockdown potten gemaakt die kapot leken en daarna gerepareerd met metaal en gouddraadkintsugi, een oude Japanse techniek.

Portret door Renoir van Irène Cahen d’Anvers, de latere echtgenote van Moïse de Camondo.

„Pretenderen dat je iets kunt herstellen is zinloos. Wat je wel kunt, is verlies markeren, laten zien waar het verlies zit door te schrijven of iets te maken. En daarmee zeg je iets enorm belangrijks: je kunt de dingen niet achter je laten. Je houdt ze bij je en zoekt manieren om ze te blijven opmerken. Zo’n ‘gouden draad’, dat wil dit boek zijn.”

Van het Joodse meisje dat Moïses echtgenote zou worden, Irène Cahen d’Anvers, bestaat een beroemd portret door Renoir uit 1880. Ze verliet Moïse voor haar minnaar, bekeerde zich tot het katholicisme en overleefde de oorlog. La Petite Fille au Ruban Bleu, ook bekend als ‘La Petite Irène’, is later dit jaar opnieuw te zien in Zürich, in de Sammlung Emil Bührle, vernoemd naar de wapenhandelaar die rijk werd door zaken met de nazi’s.

Wat doet dit met u?

[Hij buigt zich naar de camera en zegt dan grimmig:] „Dit raakt mij persoonlijk.”

Kunt u er iets aan veranderen?

„Ik heb een boek geschreven.”