Muhammad Ali, wereldambassadeur

Bokslegende Van Sovjet-leider Brezjnev tot koningin Elizabeth: Muhammad Ali was te gast bij vele wereldleiders. Zijn bezoeken waren niet altijd onomstreden.

Muhammad Ali met Nelson Mandela.
Muhammad Ali met Nelson Mandela. Foto EPA / PA

Wereldkampioen boksen worden; het is eigenlijk een Amerikaans onderonsje. Maar Muhammad Ali (1942-2016) koos ervoor om zijn titel letterlijk te nemen; na zijn zege in 1964 trok hij als triomfator de wereld door. En dat bleef hij doen lang nadat hij was gestopt met boksen, als een soort goodwill-ambassadeur voor vrede en verzoening. Toen hij de Sovjetleider Brezjnev had ontmoet zei Ali: „Ik voelde me de Zwarte president van Amerika.” Donderdag is het vijf jaar geleden dat ‘the Greatest’ overleed.

Thuis was hij omstreden, mede omdat hij toetrad tot de sektarische Nation of Islam, opkwam voor de rechten van Afro-Amerikanen, en dienst weigerde tijdens de Vietnamoorlog. Maar in het buitenland werd hij overal juichend binnengehaald, als sportheld, maar ook als beroemde moslim en zwarte medestrijder. Zeker voor niet-westerse leiders was hij ‘de goede Amerikaan’.

Zo verscheen Ali op de foto met vele beroemdheden; van de Cubaanse leider Fidel Castro en Chinese leider Deng Xiaoping tot de Britse koningin Elizabeth.

Ali in het Kremlin met Sovjet-leider Brezjnev, 1978. Foto AP

Maar vaak kreeg Ali als wereldburger ook kritiek, als hij weer eens naïef of koppig een leeuwenkuil in was gewandeld. Zo zag hij er geen been in om de grimmigste dictators met een bezoek te vereren, zonder oog te hebben wat er zich werkelijk onder hun regime afspeelde.

Middenin de Eerste Golfoorlog vloog Ali naar Bagdad om met Saddam Hoessein te praten over het vrijlaten van vijftien Amerikaanse gijzelaars. De voormalige bokskampioen ging op persoonlijke titel. De Amerikaanse president Bush senior keurde diens flirt met de vijand sterk af. Dat terwijl dezelfde Bush als vicepresident de bokslegende vijf jaar eerder wel in het geheim naar Beiroet stuurde, middenin de Libanese Burgeroorlog, om bij Hezbollah te pleiten voor het vrijlaten van gijzelaars. Dat mislukte.

In Bagdad leek het aanvankelijk ook niet zo lekker te lopen: Saddam Hoessein liet de oud-bokser een weekje sudderen in zijn hotel, waar diens medicijnen tegen Parkinson op raakten, zodat hij alleen nog maar kon fluisteren. Maar Ali keerde wel degelijk terug met de gijzelaars. In ruil daarvoor, zo beloofde hij aan Hoessein, zou hij thuis een goed woordje voor hem doen. Dat hielp niet, anderhalve maand later begon Bush met bombarderen.

Ali met de Cubaanse leider Fidel Castro in 1998. Foto Emiliano Thibaut / Polaris

Ook Ali’s langlopende steun aan de onderdrukte Palestijnen lag niet goed in de VS. Toen hij in 1974 een Palestijns vluchtelingenkamp in Libanon bezocht, zei hij: „Uit mijn naam, en die van alle Amerikaanse moslims, spreek ik mijn steun uit voor de Palestijnse strijd om hun thuisland te bevrijden en om de zionistische indringers te verdrijven.” Ook nu nog een controversiële stellingname, na het recente geweld in Jeruzalem en Gaza.

I shook up the world”, riep Muhammad Ali al in 1964 nadat hij Sonny Liston versloeg en wereldkampioen werd. Weinig sporters die hem dat na kunnen zeggen.