‘Is dit een grap? Om mij te stangen?’, vroeg hij

In Ally Wat voorafging: In Amsterdam lag Jasper twee weken in z’n eentje op de bank met corona. Daarna meldde hij zich weer in Almere.

Illustratie Ike Schulte

Ben je er weer?” Monique stond bij de eettafel toen Jasper de woonkamer binnenkwam. Het leek wel of ze verbaasd was. Jasper begreep niet waarom. Hij had toch gezegd dat hij vandaag zou komen?

„Is het al veilig?”, vroeg ze. „Ben je niet meer besmettelijk?”

Jasper zei dat hij vijf dagen geleden negatief was getest. En hij voelde zich al een week niet ziek meer.

„Ook fijn om jou weer te zien.” Hij pauzeerde even. Daarna, aarzelend: „Schatje.”

Hoelang het duurde dat ze allebei stil bleven staan, zonder iets te zeggen, Jasper bij de deur en Monique naast de tafel? Dertig seconden, een minuut?

Uiteindelijk zei Jasper: „Maar bedankt voor de hartelijke ontvangst. En dat je zo vaak belde terwijl ik ziek was. Al die keren dat je kippensoep kwam brengen. Hartverwarmend, echt.”

„Ga je zielig doen?”, vroeg Monique. „Je was ziek. Kut voor je. Maar je lag niet aan de beademing of zo.”

Jasper liep de kamer in. Het voelde alsof alles anders was. Alsof hij hier jaren niet was geweest. „Stond die bank niet dichter bij het raam? En waar is Ben? Die zou hier toch zijn? Hij is ook mijn zoon.”

„Je zoon is bij een vriendje.” Nu pauzeerde Monique even. Ze bekeek de woonkamer. „Ja, ik heb wat dingen veranderd. Vind je het mooi?”

Jasper zei dat hij nog even goed moest rondkijken om te bestuderen wat ze allemaal had veranderd.

„Weet je wat het is?” Monique ging op de bank zitten. Ze keek Jasper niet aan terwijl ze praatte. „Natuurlijk wil ik voor je zorgen als je ziek bent. Ik wil dat je mijn man bent. Maar wat je hebt gedaan met die vieze afspraakjes van je – dat komt niet zomaar goed.”

Jasper kwam naast haar zitten.

„Voor ik je weer vertrouw.” Monique keek hem nog steeds niet aan. „Ik weet niet hoelang dat nog duurt.”

Ineens stond Ava in de woonkamer. De laatste keer dat Jasper haar zag, was toen ze allebei corona kregen. Als enige twee in het gezin. Voor Jasper was het een speciaal moment om haar weer te zien. Hij wilde vragen hoe zij de ziekte had beleefd.

Ava liep zonder iets te zeggen naar de ijskast, pakte een appel en wilde alweer naar boven lopen.

„Ava was na een week alweer beter”, zei Monique. „Die ging meteen door naar een van die demonstraties.”

„Zo zo.” Jasper deed extra z’n best om geïnteresseerd te klinken. „Waar heb je tegen gedemonstreerd?”

„Voor Palestina”, zei Ava. „De Palestijnen. Tegen Israël.”

Eerst was Jasper stil. Daarna vroeg hij: „Is dit een grap? Om mij te stangen?”

„Nee, het is geen grap.” Ava wilde alweer naar boven lopen. „Wat is er grappig aan wat Israël daar doet? En niet alles draait om jou.”

Jasper begon over de Oeigoeren en de Koerden, over wat er gebeurde in Jemen. En de mensenrechten in de landen die Israël omringen, zoals Syrië en Saoedi-Arabië. „Wanneer staan die demonstraties op het programma?”, vroeg hij. „Als je zo begaan bent met de moslims in die regio? Of wordt het pas interessant als je tegen Joden kunt demonstreren?”

Ava nam een hap van haar appel en liep zonder iets te zeggen naar boven.

„Laat het.” Monique legde haar hand op Jaspers schouder. „Dit is niet het moment. Benjamin komt zo thuis, als het goed is.”

„O ja, dat moet ik je ook nog vertellen.” Jasper legde het snel uit: hoe Vince met een vriendje uit het raam van zijn appartement in Amsterdam had geschoten op jongens door wie ze eerder waren afgeperst.

„Wie heeft geschoten?”, vroeg Monique. „Vince of die andere jongen?”

„Dat wil hij niet zeggen. Ze hebben afgesproken om niet te snitchen. Maar Vince wil nu dat ik tegen die jongens zeg dat ík heb geschoten. Hij denkt dat ze tegen mij niet durven.” Jasper liet een filmpje zien dat Vince had doorgestuurd. In het filmpje waren maskers te zien en mutsen en messen en wapens. Het eindigde met de boodschap: betaal of we komen je halen.

„Wat wil je nu gaan doen?”, vroeg Monique.

„Weet ik niet. Maar ik moet snel beslissen.”