De Zeeuwse kust is wat jij wilt dat ze is

Zeeland Het Walcheren van zijn vroege jeugd is onherkenbaar, ziet .

Het ‘eilandgevoel’ is er nog – al kun je er nu komen door even plankgas te geven.

Foto Walter Herfst

Dit was altijd een leeg, breed strand. Je stalde je fiets in een rek met een Hero Perl-reclame en liep een schelpenpad af door het bos, de langste duinovergang van Walcheren. Vol kun je dit Zeeuwse strand nog steeds niet noemen, maar er staat nu wel een paviljoen – surfers-parafernalia, gebleekt wrakhout, een cocktailkaart. Het is ook een gewilde trouwlocatie.

Een koude maar zonnige dag in april, verwachting tintelt in de lucht. Personeel sjouwt stoelen en parasols. De kok haalt zijn keuken uit de mottenballen. In de verte de zee, nog nul zwemmers. Wandelaars met een bekertje afhaal-espresso her en der in het zand. Morgen mogen ze weer op het grote terras: het voelt – na corona – nu als een dubbel begin van het seizoen.

Met veel buitenland nog half op slot en zonder volledige vaccinatie op zak zullen vermoedelijk meer Nederlanders dan ooit kiezen voor een vakantie in eigen land: staycation. Wie in Zeeland nu nog een van de hippige huisjes wil boeken die hier sinds een paar jaar ’s zomers op het strand staan – „wakker worden met het geluid van de zee op de achtergrond” – is te laat. In juli en augustus vertonen de reserveringssites solide rode blokken, net als elders langs de Nederlandse Noordzeekust.

Toen easyJet nog niet bestond en Frankrijk ook nog iets verder weg lag dan tegenwoordig, heb ik hier veel dagen doorgebracht met een schep en een schepnet. Voor het klassieke zandkasteel – een berg zand die kansloos ligt te wachten op de vloed – haalden wij onze neus op. Laat staan voor het Duitse kuilen graven. Wij bouwden liever een ingewikkeld net van dijken en kanalen die we ‘waterwerken’ noemden. Als de vloed opkwam, kon je een sector opgeven en de achterliggende dijk snel versterken zodat het complex toch intact bleef. Tactisch terugtrekken. Op termijn net zo kansloos, natuurlijk, want het water wint altijd. Wel haalden we meer plezier, en eer, uit ons werk.

Later – buiten ouderlijk toezicht – stookten we hier vuren. We plukten alikruiken van de paalhoofden, de golfbrekers van dubbele rijen houten palen die het strand tegen wegspoelen moeten beschermen. Koken in een blik zeewater. Dier uit zijn schelp pulken met een spijker.

Iemand, ik ben vergeten wie, gooide eens een aangespoelde bus kruipolie in het vuur. De klap was onvergetelijk en in een wijde cirkel was het zand zwartbespikkeld en -bestreept, ongeveer zoals op Pier en oceaan, de serie abstracte landschappen die Piet Mondriaan onder die titel vanaf 1914 schilderde – overigens geïnspireerd door ditzelfde strand en deze paalhoofden.

Het Plan Tureluur op Schouwen-Duiveland. Foto Walter Herfst

Aan de overkant lag Schouwen-Duiveland, een Zeeuws Waddeneiland, waarvan alleen de hoge duinen boven de horizon uitstaken en dat tot 1965 alleen per boot te bereiken was. Zoals de boot de hele Zeeuwse delta altijd verbonden had. Nu liggen er dijken en dammen met snelwegen eroverheen. De oostelijke horizon wordt gevuld door de pijlers en schuiven van de Stormvloedkering waarmee de Oosterschelde kan worden afgesloten.

Het Walcheren van mijn vroege jeugd is onherkenbaar, zoals het eerder onherkenbaar was geworden voor eerdere generaties. Een eiland, dat ondanks de spoorlijn van 1872 nog lang als eiland bleef voelen, waar klederdracht werd gedragen en weinig wegen verhard waren.

„’s Avonds moest ik naar Middelburg om mijn tasch en mijn jas”, schreef J.H.F. Grönloh, nom de plume Nescio, in de zomer van 1908 op een briefkaart aan zijn jonge vrouw in Amsterdam. „Ik had het geluk dat ik even buiten Veere een karretje kon pakken, een groen karretje met 2 roode wielen, een karretje met gras, een karretje zonder bok met een plankje in ’t midden om op te zitten. Maar terug moest ik sjouwen, om negen uur was ik weer hier, ik zweette emmers vol.”

Dat langzame Walcheren, omspoeld door de zee, zou drie jaar later in zijn novelle De uitvreter opduiken. „En ’t tij kwam in en ’t tij ging uit: ’t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en maakte eerst ’t groene lichtje aan op ’t Noorderhoofd, de palenwering; en dan kwam i daar af, dan moest i om ’t heele haventje heen en dan zag je ’m weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en klom de houten trap op en stak ook ’t licht aan den toren aan. En dan zei Japi: ‘alweer een dag, meester’, en dan zei de manke havenmeester: ‘Ja mijnheer, al weer een’.”

Het getijdehaventje van Paal, aan de rand van het Verdronken Land van Saeftinghe. Foto Walter Herfst

In 1944 verwoestten Britse bommen de zeedijken van Walcheren. Het idee was om de Duitse bezetter uit zijn bunkers te spoelen. Dat lukte half. In elk geval beroofde het zoute water de ‘tuin van Zeeland’ van zijn bomen en hagen. De Watersnoodramp van 1953 (die Walcheren wel grotendeels spaarde) maakte de breuk met het Zeeuwse verleden radicaal.

Het buitendijkse land van schorren en slikken is nu ingebed in beton en asfalt. Slingerdijkjes langs kreken en zeearmen zijn strakgetrokken en verdwenen onder massieve nieuwe dijklichamen. De kreken verdwenen überhaupt. Aan de lage, modderige Engelse oostkust, die een soort spiegelbeeld van de Zeeuwse delta vormt, kun je nog een indruk krijgen hoe het hier was vóór 1953 – het jaar waarin trouwens ook aan de overkant van de Noordzee veel mensen verdronken.

Ook binnen de dijken hebben de watersnoden hun sporen getrokken: ze waren het startschot voor ruilverkaveling. Het landschap werd, zoals het heette, „logisch heringericht”. Sloten mochten niet meer kronkelen, werden langs de liniaal gelegd. Het patchwork van stukjes weide- en akkerland werd bijeengeveegd tot bruine en groene rechthoeken; alles voor de opbrengst – ui, suikerbiet, aardappel. Geoptimaliseerd landschap.

Veel verzet was er niet. Natuur of een natuurlijk landschap was geen doorslaggevend concept voor Zeeuwse boeren, ook niet toen de Oosterschelde op de nominatie stond om, net als de Grevelingen, afgedamd te worden. Groen was een stadse hobby. Het was dat de mosselboeren in Yerseke, die vreesden voor hun business, en natuurbeschermers de handen ineen sloegen en het linkse getij mee kregen, maar anders was die zeearm nu ook een troebel meer geweest.

Paarden in een weiland bij Veere. Foto Walter Herfst

De meeste Zeeuwen leefden „met hun rug naar de zee”, vertelde Kees Slager, auteur van De Ramp – een begrip waarbij je in Zeeland nog steeds geen jaartal hoeft te noemen – bij de zestigste verjaardag van ‘1953’ in NRC. „Ze waren arm en hadden geen tijd om de zee mooi te vinden. Veel Zeeuwen zagen de overstroming bovendien als straf voor hun zonden.” De stem des Heeren is op de wateren, Psalm 29:3. Slager: „Zwemmen was al zondig.”

Hoe sneller de zee getemd werd, hoe liever het hun was.

De oude, vloeibare grens tussen land en water werd dus hard. En in deze tijd wordt hij toch ook weer vager. Zie de mode van het ontpolderen. De Hedwigepolder, tussen Saeftinghe en Antwerpen, een vruchtbare negentiende-eeuwse polder aan de Westerschelde met monumentale populieren, is nu een kale moddervlakte. Door een reeks Nederlandse regeringen, te beginnen met het eerste kabinet van de ‘Zeeuwse premier’ Jan-Peter Balkenende, vanaf 2002 opgeofferd als ‘natuurcompensatie’ voor verloren slikgronden door uitdieping van de vaarweg naar Antwerpen.

Of het project Waterdunen, aan de andere kant van Zeeuws-Vlaanderen, tussen Breskens en Cadzand, waar zeewater achter de dijk nieuw-gegraven kreken mag vullen tussen de vakantiebungalettes. En de paar duizend hectare van het ‘plan Tureluur’ op Schouwen-Duiveland, genoemd naar de middelgrote steltloper met zijn rode pootjes en dito snavel. Die schrale landbouwgrond achter de zeedijk is afgegraven en half onder zout water gezet. Er grazen koeien van een weerbarstig soort en er wonen nu inderdaad veel vogels. Tureluurs mogelijk, maar er kunnen ook meeuwen tussen zitten.

Als ik over de N59 rijd en daar de friteskraam aan de dijk langs de Oosterschelde passeer, moet ik altijd lachen. Fritureluur.

En ik denk dan ook even aan Sigi Weidemann, de vroegere correspondent van de Süddeutsche Zeitung in Nederland die, begiftigd met de blik van een buitenstaander, vermoedde dat Nederland zich zulke frivoliteiten alleen kon permitteren met de zekerheid van de Deltawerken. Ontpolderen als Spielerei.

Langs de Westerschelde te Zeeuws Vlaanderen, strandpaviljoen ‘Puur’. Foto Walter Herfst

Wat is het dat al die vakantiegangers in Zeeland zoeken en kennelijk vinden? Ja, de extra zon-uren. En ja, ook nog steeds het gevoel dat je op een eiland aan de rand van de bewoonde wereld bent – al kun je er nu gewoon komen door even plankgas te geven. Zie Zoutelande, de hit van de Zeeuwse band Bløf, over dat romantische „oude strandhuis” (en „de drank van je vader”) – „Ik ben blij dat je hier bent, blij dat je hier bent.”

Niet dat je in dat dorp achter de dijk zo’n oud strandhuis gemakkelijk vindt. ‘Zoutelande’ paste gewoon lekkerder in het metrum dan, zeg, ‘Domburg’ of ‘Haamstede’. Maar het gaat om het idee. De Zeeuwse kust is gewillig, plooibaar, ze is wat jij wilt dat ze is.

Hier en daar kun je trouwens nog wel een glimp van dat romantische vroeger opvangen. Een paar onverkavelde plukjes wei met meidoornstruiken onder Veere. Zeeuwse paarden die tot hun middel in de ochtendmist staan. En diezelfde paarden met linten door hun manen gevlochten bij het ringrijden op pienkster drie, de extra, derde, pinksterdag die Zeeland aanhoudt. Het getijdehaventje van Paal, aan de rand van het Verdronken Land van Saeftinghe, nog steeds alleen geschikt voor platboomde schouwen en hengsten. De Manteling, het duingebied tussen Domburg en Vrouwenpolder met zijn handjevol slaperige buitenplaatsen in hun vermolmde parkbos. Dat oud strandhuis staat ook ergens, maar ik verklap niet waar.

En als je goed kijkt zie je nog veel meer: een verhoging in het landschap, bijvoorbeeld, een oude zandrug die ooit de bodem van een kreek was en toen juist dieper lag. Maar in de laatste eeuwen is het omringende land van klei juist ingeklonken en gezakt. Zo heeft de nieuwe tijd Zeeland zijn geheugen niet helemaal ontnomen.

Op het strand van Oranjezon – zo heet het strand met het surfpaviljoen – ligt nu fors meer zand dan ik me herinner, zoveel dat het op sommige plaatsen de paalhoofden half bedekt. Toch las ik dat Rijkswaterstaat het strand hier gaat opspuiten, opnieuw, omdat de zee hier netto meer zand weghaalt dan ze teruglegt en de ‘basiskustlijn’ in gevaar komt.

Waterwerken gaan hier altijd door. En intussen stijgt de zeespiegel. Deze eeuw nog een metertje of iets meer, dat staat wel vast. Daar zijn de dijken en de Oosterscheldekering op berekend. Daarna wordt het moeilijk. Wat doe je als het twee meter wordt, of vijf, in een scenario voor de tweehonderd jaar daarna? Valt daar nog tegenop te bouwen, of moeten we de sector Zeeland opgeven?

Het is niet zo lang geleden dat het water hier alleen een vijand was, die elk jaar wel een stukje land nam, of terugnam. Misschien zijn die jaren waarin we ons veilig waanden en konden spelen aan de kust wel de uitzondering.